Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1544

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
21-007396-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:8972
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:554, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenals de rechtbank, veroordeelt het hof verdachte ter zake van doodslag op een 27-jarige vrouw en het wegmaken van haar stoffelijk overschot tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest. De in dit kader gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak worden verworpen; de verklaringen van de gewezen verdachte worden betrouwbaar geacht en gebruikt voor het bewijs. De door verdachte geschetste gang van zaken wordt als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Voor zover de vorderingen van de benadeelde partijen zien op vergoeding van immateriële schade (affectieschade, dan wel art. 6:106, lid 1 onder a BW), kunnen deze vorderingen niet worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007396-15

Uitspraak d.d.: 24 februari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 december 2015 met parketnummer 16-659137-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

thans ingeschreven en verblijvende te P.I. Utrecht, locatie Nieuwersluis, 3631 NK Nieuwersluis, Zandpad 3.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 18 januari 2017, 27 januari 2017, 24 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis, zoals hierna vermeld, met uitzondering van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] hebben de advocaten-generaal gevorderd alle drie de vorderingen geheel toe te wijzen, welke vorderingen respectievelijk € 29.054,36, € 18.706,- en € 18.646,71 bedragen. Deze vordering van de advocaten-generaal maakt deel uit van het op schrift gestelde requisitoir en is aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadslieden, mr. G.I. Roos en mr. F.B. van Faassen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 15 december 2015 veroordeeld ter zake van de onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag op [slachtoffer] en het onder 2 tenlastegelegde verbergen en vervoeren van een lijk tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toegewezen tot een bedrag van € 11.554,36, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toegewezen tot een bedrag van € 56,- en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] is toegewezen tot een bedrag van € 191,58, alle met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente. Voor het overige zijn de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof op meerdere onderdelen – de tekst van de bewezenverklaring, een deel van de motivering daarvan en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen – tot een andersluidende beslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1:
zij in of omstreeks de periode van 31 augustus 2013 tot en met 04 september 2013 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk (en met voorbedachte rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte opzettelijk (en met voorbedachte rade)

- met een (glazen) karaf/vaas, althans een soortgelijk voorwerp, op/tegen het hoofd en/of op/in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] geslagen en/of

- die [slachtoffer] gewurgd/verwurgd en/of

- tegen de hals(streek) van die [slachtoffer] geschopt,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

2:
zij in of omstreeks de periode van 31 augustus 2013 tot en met 04 september 2013 te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, het lijk van [slachtoffer] heeft/hebben begraven en/of verbrand en/of vernietigd en/of verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen door

- het vervoeren van dat lijk vanaf de woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats] naar het bosgebied, althans het buitengebied, aan de [adres 2] te [plaats] , althans het gemeentegebied van [plaats] en/of

- het neerleggen (op de buik/maag) van dat lijk in dat/het bosgebied, althans het buitengebied aan de [adres 2] te [plaats] , althans het gemeentegebied van [plaats] , en/of

- het afdekken/bedekken van dat lijk met gras en/of takken en/of riet en/of zand/aarde.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunten

Openbaar Ministerie

Zoals reeds hiervoor weergegeven hebben de advocaten-generaal in hun requisitoir bepleit dat verdachte ter zake van de onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde verbergen en vervoeren van een lijk dient te worden veroordeeld.

Verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft zich enkel schuldig gemaakt aan het verbergen van het lichaam van het slachtoffer. Hiertoe is aangevoerd dat – kort samengevat – een ander dan verdachte, namelijk [getuige 1] , die aanvankelijk als verdachte werd aangemerkt, schuldig zou zijn aan het om het leven brengen van [slachtoffer] . De zaak tegen [getuige 1] is echter vroegtijdig geseponeerd en de verdediging heeft hem en zijn broer [getuige 2] niet kunnen bevragen, doordat hen – ten onrechte – een beroep op het verschoningsrecht is toegekend. Door het sepot en het niet kunnen ondervragen van [getuige 1] en zijn broer, is verdachtes recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geschonden, aldus de verdediging. Door de verdediging zijn aan deze constatering evenwel geen concrete rechtsgevolgen verbonden.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Recht op een eerlijk proces

Het hof is van oordeel dat de door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheden, elk voor zich noch in hun onderlinge samenhang beschouwd, tot de conclusie kunnen leiden dat verdachtes recht op een eerlijk proces is geschonden. Het hof verwerpt derhalve het door de verdediging gevoerde verweer en overweegt daartoe het navolgende.

Sepotbeslissing

Met de rechtbank stelt het hof vast dat het Openbaar Ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel in beginsel vrij is in zijn keuze om iemand al dan niet te vervolgen.

Deze belangenafweging staat – in geval van vervolging – in het algemeen slechts marginaal ter beoordeling van de rechter. De enkele omstandigheid dat het Openbaar Ministerie besloten heeft om de zaak tegen een andere verdachte te seponeren, kan niet leiden tot de conclusie dat verdachtes recht op een eerlijk proces is geschonden. Evenals de rechtbank merkt het hof daarbij op dat de in het opsporingsonderzoek naar voren gekomen en uitgebreid beschreven verdenkingen tegen personen – hoe onderling verweven ook – om een eigen, afzonderlijke beoordeling vragen.

Ondervragingsrecht

Het hof zal het betoog van de raadsman voor zover dit ziet op het niet kunnen be- of ondervragen van de gewezen verdachte [getuige 1] plaatsen in de sleutel van de zogenoemde Vidgen-jurisprudentie. Hieruit volgt dat sprake is van een schending van het ondervragingsrecht zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, aanhef en onder d EVRM, indien de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een niet ter terechtzitting afgelegde en voor de verdachte belastende verklaring op zijn betrouwbaarheid te toetsen door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen én een bewezenverklaring alleen of in beslissende mate berust op de verklaring van die getuige.

[getuige 1] is bij de rechter-commissaris, ter terechtzitting in eerste aanleg, alsook ter terechtzitting in hoger beroep als getuige opgeroepen en gehoord. Ter zitting van het hof is op verzoek van de verdediging onder meer ook zijn broer, [getuige 2] , gehoord. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [getuige 1] een aantal vragen van de verdediging wel, en een aantal vragen niet willen beantwoorden. Ter zitting van de rechtbank en het hof heeft hij vragen van de zittende en staande magistratuur wel willen beantwoorden, maar ten aanzien van de door de verdediging gestelde vragen heeft hij een beroep gedaan op het verschoningsrecht. Zijn in hoger beroep ter zitting opgeroepen broer heeft ter zitting van het hof meegedeeld een beroep te doen op het hem toekomende verschoningsrecht. Het hof heeft ten aanzien van beiden bepaald dat hen het verschoningsrecht toekomt. De verdediging heeft gedurende de inhoudelijke behandeling verzocht deze beslissing te herzien. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het hof ter terechtzitting een beslissing genomen; deze beslissing en haar motivering zal worden opgenomen in het van de zitting op te maken proces-verbaal. Nu de verdediging bij pleidooi op dit punt geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd, zal het hof dit aspect hier verder buiten bespreking laten.

Door het ingeroepen verschoningsrecht is de verdediging beperkt geweest in het kunnen toetsen van de afgelegde verklaringen. Het hof stelt evenwel ook vast dat het de verdediging niet gedurende de gehele procedure onmogelijk is geweest om getuige [getuige 1] te kunnen ondervragen. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [getuige 1] immers wel degelijk een aantal vragen van de verdediging beantwoord. Ten slotte zal het hof een eventuele bewezenverklaring niet alleen of in beslissende mate laten berusten op de verklaring van [getuige 1] . Het hof is derhalve van oordeel dat geen sprake is van een schending van het in artikel 6 EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht, waardoor verdachte haar recht op een eerlijk proces geschonden zou zijn. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Vrijspraak van de onder 1 impliciet primair tenlastegelegde moord

Het hof zal evenals de rechtbank, de verdachte vrijspreken van de impliciet primair ten laste gelegde moord, nu onvoldoende uit wettige en overtuigende bewijsmiddelen volgt dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het hof komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde, te weten de doodslag op [slachtoffer] , alsmede het onder 2 tenlastegelegde vervoeren en verbergen van haar stoffelijk overschot teneinde de doodslag te verhullen. De overwegingen – deels overeenkomstig hetgeen de rechtbank heeft overwogen – die aan deze bewezenverklaring ten grondslag liggen, zijn hieronder uitgewerkt, achtereenvolgens onderverdeeld in de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, de beoordeling van de verklaringen van [getuige 1] en de beoordeling van de verklaringen van verdachte, gevolgd door de conclusies die hieruit getrokken worden. De bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring en deze bewijsoverwegingen, zullen later worden weergegeven in een in overeenstemming met artikel 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering opgestelde aanvulling van de bewijsmiddelen.

Feiten en omstandigheden

Vermissing

Uit het dossier volgt dat [slachtoffer] sinds zaterdag 31 augustus 2013, omstreeks 15.00 uur vermist wordt.

Telefonische gegevens van het slachtoffer en camerabeelden [adres 1]

Gedurende het op de vermissing volgende onderzoek zijn de historische printgegevens opgevraagd die horen bij het mobiele telefoonnummer dat in gebruik was bij het slachtoffer.

Hieruit volgt dat de telefoon van het slachtoffer op vrijdag 30 augustus 2013 vanaf 18.01 uur de zendmast aan de [adres 3] te [plaats] heeft aangestraald. De telefoon blijft deze mast aanstralen tot aan 18.01 uur de volgende dag, 31 augustus 2013. Deze singel is gelegen in de directe omgeving van de [adres 1] , zijnde het woonadres van [getuige 1] , de vriend van het slachtoffer. Uit deze mastgegevens, in combinatie met de camerabeelden van een beveiligingscamera in de nabije omgeving van de [adres 1] , volgt dat de auto van [slachtoffer] op 30 augustus 2013 rond 17.35 uur is aangekomen bij de woning van [getuige 1] , haar auto aldaar is geparkeerd en dat haar telefoon de gehele periode tot 31 augustus 2013 om 18.01 uur een mast heeft aangestraald in de directe omgeving van de [adres 1] . Rond 22.00 uur die vrijdagavond heeft er een telefoongesprek plaatsgevonden tussen het slachtoffer en [getuige 3] , een vriendin van het slachtoffer. Op zaterdagochtend, tussen 07.29.38 uur en 07.30.40 uur, worden vanaf de mobiele telefoon van [slachtoffer] nog een viertal WhatsAppberichten naar de telefoon van [getuige 3] verstuurd. Om 10.30 uur heeft [getuige 3] vervolgens een WhatsAppbericht naar [slachtoffer] verzonden. Dit bericht is ook gelezen, zo volgt uit de verklaring van [getuige 3] . Even later, om 11.22 uur die ochtend, wordt met de telefoon van [slachtoffer] een zogeheten ‘knipoog-smiley’ of emoticon verzonden naar het toestel van [getuige 1] . Na dit bericht wordt door verschillende personen getracht telefonisch contact te krijgen met [slachtoffer] , maar zij neemt haar telefoon niet op en berichten worden niet meer beantwoord. Om 18.34.47 uur die dag is de telefoon van [slachtoffer] uit het netwerk gegaan.

Naar de laatste WhatsAppberichten die met de telefoon van [slachtoffer] verzonden zijn, is nader taalkundig deskundigenonderzoek gedaan. Hieruit is gebleken dat het waarschijnlijk tot heel waarschijnlijk is dat [slachtoffer] de vier berichten aan [getuige 3] zelf heeft geschreven. Met betrekking tot de aan [getuige 1] verzonden emoticon kunnen geen uitspraken gedaan worden, omdat dit slechts één stijlkenmerk betreft. Deze emoticon is echter niet inconsistent met de stijl van [slachtoffer] in haar interactie met [getuige 1] , zo merkt de deskundige op. In het verlengde hiervan blijkt uit verschillende verklaringen dat de telefoon van het slachtoffer was voorzien van een toegangscode.

Auto van het slachtoffer

De bij [slachtoffer] in gebruik zijnde witte Fiat 500 is op 31 augustus 2013 eveneens verdwenen. Uit de eerder genoemde camerabeelden volgt dat deze auto op zaterdagmiddag 31 augustus 2013, om 13.34 uur vanaf de parkeerplaats bij de woning van [getuige 1] , is verplaatst. Twee dagen later, op maandag 2 september 2013, omstreeks 14.30 uur, wordt deze auto aangetroffen op de [adres 4] te [plaats] . Deze singel ligt in het verlengde van voornoemde [adres 3] , in de omgeving van de woning van [getuige 1] . Bij onderzoek aan deze auto werden meerdere bloedvegen op de bestuurdersstoel van de auto aangetroffen. De zakenpartner van [slachtoffer] en mede-gebruiker van de auto, getuige [getuige 4] , heeft verklaard dat er geen bloedvlek op deze stoel zat toen hij de auto op 28 augustus 2013 voor het laatst gebruikte. De bemonstering van de zitting van de bestuurdersstoel levert een DNA-mengprofiel op, waarbij het hoofd-profiel matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer.

De woning van [getuige 1]

In de dagen die volgen op het aantreffen van de Fiat 500 van het slachtoffer is onderzoek verricht in de woning van [getuige 1] aan de [adres 1] . Tijdens dit onderzoek zijn op verschillende plekken in de woning bloedsporen aangetroffen, waarvan de meeste zich bevonden in de badkamer. In de badkamer zijn relatief veel kleine bloedspatten, vochtstrepen, opgedroogde vochtdruppels en met water verdunde bloedvlekken op de muren van de badkamer gevonden. Gezien deze bevindingen wordt vermoed dat er is schoongemaakt in de badkamer, nadat iemand bloed had verloren. Het bloedverlies is – kort samengevat – meer dan men zou verwachten bij dagelijks gebruik van de badkamer door één of meer personen. Van de bloedsporen in de badkamer zijn monsters genomen die vervolgens onderzocht zijn. Uit het onderzoek is gebleken dat de meerderheid van de monsters een DNA-profiel bevat dat matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer. Op de tegelwand in de badkamer wordt ook een bloedspoor aangetroffen dat na nader onderzoek blijkt te matchen met het DNA-profiel van verdachte.

Aantreffen stoffelijk overschot

Twee dagen na het aantreffen van de auto van het slachtoffer wordt op 4 september 2013 rond 15.24 uur het levenloze lichaam van [slachtoffer] aangetroffen in een greppel in het bosgebied aan de [adres 2] in de gemeente [plaats] . Haar lichaam was gelegen op de buik en grotendeels bedekt met gras.

Onderzoek van het lichaam van [slachtoffer]

Op het lichaam van het slachtoffer wordt sectie verricht, teneinde onder meer de doodsoorzaak vast te stellen. Bij deze sectie worden volgens het daarvan opgemaakte rapport inwendig in de hals bloeduitstortingen vastgesteld. Deze zijn bij leven ontstaan als gevolg van de inwerking van uitwendig mechanisch (samen)drukkend geweld op de hals zoals verwurging, botsend geweld zoals slaan of schoppen, of een combinatie van deze handelingen. Het intreden van de dood kan goed worden verklaard op grond van verwikkelingen (verstikking) als gevolg van dit ingewerkt uitwendig geweld op de hals.

Naast voornoemd letsel dat heeft geleid tot de dood, worden bij de sectie ook diverse andere letsels vastgesteld. Verspreid over het lichaam, met name aan de ledematen, worden meerdere rode huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen aangetroffen. Deze letsels zijn bij leven ontstaan door de inwerking van uitwendig mechanisch stompgeweld zoals slaan of vallen. Ook is bij radiologisch onderzoek aan het lichaam een breuk of onderbreking ter plekke van het neusbot te zien. Het kan niet worden vastgesteld wanneer dit letsel is ontstaan, maar het kan duiden op een bij leven doorgemaakte breuk als gevolg van ingewerkt mechanisch stompgeweld. Aan de polsen zijn striemen aangetroffen. Ten slotte wordt op de voetzolen van het slachtoffer een roodbruine vlekkerige substantie aangetroffen.

Uit nader onderzoek van de sporen op het lichaam van [slachtoffer] volgt dat de roodbruine vlekkerige substantie die is aangetroffen op haar voet een bloedspoor betreft dat het mengprofiel van minimaal 2 vrouwen bevat. Zowel het DNA-profiel van het slachtoffer, als het DNA-profiel van verdachte passen in dit mengprofiel.

DNA [slachtoffer] in auto verdachte

Naast de reeds genoemde omstandigheden, acht het hof voor de beoordeling tevens van belang dat in de auto van verdachte, een Peugeot 107, meerdere bloedsporen aangetroffen, onder andere op de zitting van de bestuurdersstoel, de middenconsole, de bijrijderstoel en op de onderzijde van de hoedenplank. Het aangetroffen spoor op de hoedenplank bevat een onvolledig DNA-profiel dat matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer] . De bemonstering van de bestuurdersstoel levert een DNA-mengprofiel op van minimaal drie personen, waarbij het celmateriaal het DNA-profiel van [slachtoffer] en (minimaal) twee andere onbekend gebleven personen bevat. De bemonstering van de middenconsole heeft eveneens een mengprofiel opgeleverd, ditmaal van minimaal vier personen. Dit DNA-mengprofiel matcht met het DNA-profiel van verdachte en het slachtoffer. Ook op de bijrijdersstoel wordt een DNA-mengprofiel van minimaal vier personen aangetroffen, waarbij het afgeleide DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer.

Telefonische gegevens van verdachte

Ten slotte blijkt uit de tijdens het onderzoek opgevraagde historische printgegevens van de telefoon van verdachte dat haar telefoon rond de dag waarop [slachtoffer] vermist raakt verschillende zendmasten in de buurt van de woning aan de [adres 1] heeft aangestraald. Dit is in het bijzonder het geval op 30 augustus 2013, omstreeks 23.30.31 uur en op 31 augustus 2013 om 13.30.42 uur, 14.52.07 uur, 15.28.16 uur. 15.28.53 en 17.32.58 uur.

De verklaringen van [getuige 1]

Inhoud verklaringen van [getuige 1]

heeft over de periode van vrijdag 30 augustus 2013 tot en met 31 augustus 2013 meerdere verklaringen afgelegd. Zijn verklaringen houden – voor zover relevant en kort weergegeven – in dat [slachtoffer] op vrijdagavond 30 augustus 2013 bij hem was, zij die avond een telefoongesprek met [getuige 3] heeft gevoerd en hij de nacht van vrijdag op zaterdag met haar heeft doorgebracht. De volgende ochtend zijn zij samen wakker geworden en is hij rond 08.30 uur naar zijn werk gegaan. Toen hij zijn woning aan de [adres 1] verliet, was het latere slachtoffer nog in leven. Toen hij op zijn werk was ontving hij van [slachtoffer] om 11.22 uur een zogeheten” knipoog-smiley” of emoticon. Aan het begin van de avond is [getuige 1] kort in zijn woning geweest, alvorens hij naar zijn moeder is vertrokken om daar te eten. Uit zijn verklaringen volgt dat [slachtoffer] op dat moment niet meer aanwezig was in zijn woning. Desgevraagd heeft [getuige 1] ten slotte meermalen aangegeven dat hij de toegangscode die [slachtoffer] gebruikte voor haar telefoon, niet kende.

Beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1]

Het hof merkt op dat [getuige 1] , na op 2 september 2013 eerst als getuige te zijn gehoord, in de periode van 6 september 2013 tot en met 30 januari 2014 negen keer als verdachte zeer uitvoerig is gehoord. Tijdens deze verhoren heeft hij op alle mogelijke manieren zijn volledige medewerking verleend aan het opsporingsonderzoek, zo volgt uit het relaas van verbalisanten. Vervolgens is hij op 9 november 2015 bij de rechter-commissaris, alsmede ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep als getuige gehoord.

Het hof stelt voorts vast dat, behoudens enkele verschillen op detailniveau, de verklaringen van [getuige 1] consistent zijn. Daarnaast zijn deze verklaringen gedurende het onderzoek telkens getoetst. Uit dit onderzoek volgt dat de verklaringen van [getuige 1] – in chronologische volgorde en voor zover betrekking hebbend op de vrijdagavond van 30 augustus tot de daaropvolgende zaterdagavond – door de volgende bewijsmiddelen ondersteund worden:

  • -

    de camerabeelden die zijn genomen vanaf een flat met zicht op de woning van [getuige 1] ;

  • -

    de zendmastgegevens van de telefoon van [slachtoffer] ;

  • -

    de camerabeelden van de Albert Heijn;

  • -

    de pingegevens van [getuige 1] ;

  • -

    de camerabeelden van [getuige 1] ’s werkgever;

  • -

    de verklaringen van zijn collega’s;

  • -

    de camerabeelden van de Autoradam;

  • -

    de WhatsAppberichten tussen [getuige 1] en [slachtoffer] ;

  • -

    de verklaring van de moeder van [getuige 1] ;

  • -

    de door verbalisanten in de wasmand aangetroffen werkkleding.

Uit de hiervoor opgesomde onderzoeksresultaten volgt dat de verklaringen van [getuige 1] op vele onderdelen telkens verifieerbaar zijn gebleken en ondersteund worden door – voornamelijk – technisch bewijs, maar ook door verklaringen van verschillende onafhankelijke getuigen.

Het hof acht de verklaring van [getuige 1] met betrekking tot zijn doen en laten op die dag en hetgeen hij over [slachtoffer] heeft verklaard op grond van het voorgaande betrouwbaar. Het hof zal deze verklaringen dan ook gebruiken voor het bewijs. Het enkele feit dat [getuige 1] met een beroep op zijn verschoningsrecht in een later stadium van het proces heeft geweigerd om antwoord te geven op vragen van de verdediging, doet niet af aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van deze verklaring.

Beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van verdachte

Verdachte is in eerste instantie als getuige gehoord, waarbij zij tot twee keer toe een uitgebreide verklaring heeft afgelegd. Eenmaal aangemerkt als verdachte, heeft verdachte aanvankelijk telkens een beroep op haar zwijgrecht gedaan. Uiteindelijk heeft verdachte, in verschillende versies en deels terugvallend op haar zwijgrecht, vanaf het vijfde verhoor verklaard dat zij het slachtoffer niet heeft omgebracht, maar uitsluitend [getuige 1] geholpen heeft bij de wegmaking van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] . [getuige 1] zou – aldus de verdachte – haar vroeg in de ochtend, zo tussen 07.00 en 07.30 uur, bericht hebben dat hij haar hulp nodig had, waarna zij zonder zich te vergewissen van de urgentie van haar komst naar de woning van [getuige 1] is gegaan. Hier is zij geconfronteerd met het levenloze lichaam van [slachtoffer] en is [getuige 1] vervolgens naar zijn werk gegaan. Blijkens haar verklaringen is zij hierna meermalen heen en weer gereden tussen de woning van [getuige 1] en haar eigen woning, waarbij zij onder meer een koffer heeft meegenomen. Op verzoek van [getuige 1] heeft zij de auto van het slachtoffer op enig moment weggezet en ’s avonds laat hebben zij en [getuige 1] het lichaam van [slachtoffer] achtergelaten in een greppel aan de [adres 2] . Voorafgaand aan het verplaatsen van het lichaam, heeft zij het lichaam van het slachtoffer niet aangeraakt, aldus verdachtes verklaring.

De verklaringen van de verdachte kenmerken zich naar het oordeel van het hof door een gebrek aan consistentie. Hoewel het door haar eerst in de loop van haar verhoren geschetste scenario in de kern, namelijk dat zij op verzoek van [getuige 1] naar zijn woning ging en aldaar [slachtoffer] dood aantrof, op zich weliswaar hetzelfde is, stelt het hof vast dat het tijdstip en/of de wijze waarop een en ander heeft plaatsgevonden bij doorvragen herhaaldelijk door verdachte wordt aangepast. Met de rechtbank stelt het hof ook vast dat verdachtes verklaringen op verschillende onderdelen tegenstrijdig of gelet op de bewijsmiddelen evident onjuist zijn.

Overeenkomstig hetgeen de rechtbank vast heeft gesteld, biedt het dossier geen aanknopingspunten voor het door verdachte geschetste contact tussen haar en [getuige 1] op 31 augustus 2013. Verdachte heeft in eerste instantie enkel verklaard over contact met [getuige 1] via WhatsApp-berichten. Uit onderzoek is echter gebleken dat de WhatsApp-geschiedenis van [getuige 1] volledig is, doch op 31 augustus 2013 geen berichten van of naar verdachte bevat. Ook blijkt uit onderzoek dat het niet aannemelijk is dat de sim-kaart van [getuige 1] gebruikt is in een ander toestel dan de onder hem in beslaggenomen telefoon. Opvallend is dat verdachte juist wel meerdere berichten rond 31 augustus 2013 heeft gewist. Niet eerder dan ter zitting van de rechtbank heeft verdachte verklaard dat zij en [getuige 1] gebruik hebben gemaakt van een tweede telefoon, namelijk een Nokiatelefoon. Het hof overweegt dat het dossier voor het bestaan van een dergelijke telefoon – los van de verklaring van verdachte – geen enkel aanknopingspunt biedt. [getuige 1] heeft het gebruik van een Nokiatelefoon bestreden, noch is op andere wijze aannemelijk geworden dat een dergelijke tweede Nokiatelefoon bij beiden zou bestaan. Daarbij komt dat, verdachtes verklaring volgend, het bericht van [getuige 1] op zaterdagochtend vroeg kennelijk al verzonden zou zijn op een moment voordat met de telefoon van het slachtoffer meerdere WhatsApp-berichten zijn verzonden naar [getuige 3] . Dit valt daarnaast niet te rijmen met het taalkundig onderzoek van deze berichten waaruit volgt dat het waarschijnlijk tot heel waarschijnlijk is dat het slachtoffer deze berichten zelf heeft verzonden.

Voorts strookt verdachtes verklaring dat zij overdag niet in aanraking is geweest met het lichaam van [slachtoffer] niet met het aantreffen van [slachtoffer] bloedsporen in de Fiat 500, terwijl deze auto’s middags al naar eigen zeggen door verdachte is verplaatst, een gebeurtenis die zijn bevestiging vindt in de reeds genoemde camerabeelden.

Ten aanzien van het wegbrengen en neerleggen van het stoffelijk overschot komen verdachtes verklaringen evenmin overeen met de onderzoeksbevindingen. Zo wordt haar verklaringen over de wijze van het in de greppel leggen van het lichaam weersproken door bevindingen uit het forensisch onderzoek naar het sporenbeeld en strookt de door verdachte aangegeven route naar de [adres 2] ook niet met de bevindingen zoals die volgen uit de camerabeelden die van die weg zijn gemaakt rond het door verdachte opgegeven tijdstip. Met dit laatste geconfronteerd, geeft verdachte aan dat zij inderdaad onjuist heeft verklaard. Als verklaring daarvoor deelt zij mede dat zij het narijden van de route (in bijzin van de politie en haar raadsman) als traumatisch heeft ervaren. Dit heeft het hof niet overtuigd. Onduidelijk blijft ook welke route dan wel is gereden naar de locatie aan de [adres 2] . Ook heeft verdachte wisselend verklaard over al dan niet gebruik van de door haar meegenomen koffer en over hoe en waar de persoonlijke bezittingen van [slachtoffer] en de spullen die bij het schoonmaken van de woning zijn gebruikt, door haar zijn gedumpt. De politie is daardoor niet in staat geweest om zaken terug te vinden.

Het hof stelt vast dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op een cruciaal onderdeel wederom een andersluidende verklaring heeft afgelegd. Ter zitting van het hof op 18 januari 2017 heeft verdachte verklaard dat zij haar eerdere verklaring in die zin wilde wijzigen dat zij op het uitdrukkelijk verzoek van [getuige 1] op 31 augustus 2013 om 11.22 uur met de telefoon van [slachtoffer] de emoticon heeft verstuurd. Niet alleen het moment waarop deze verklaring is afgelegd, wekt verbazing, ook is deze verklaring volstrekt anders dan haar tegenover de politie en ter zitting van de rechtbank afgelegde verklaringen. Tegenover de politie deelt verdachte mede dat zij de telefoon van [slachtoffer] niet heeft aangeraakt. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard dat zij niets wist van deze emoticon en heeft zij geconcludeerd dat [getuige 1] zelf deze emoticon op afstand moet hebben verstuurd. Een stelling die overigens evenmin aannemelijk is geworden. In dit kader verdient het tevens opmerking dat de telefoon van [slachtoffer] blijkens verschillende verklaringen een toegangscode had.

Het hof stelt verder vast dat de verklaringen van verdachte op essentiële onderdelen worden weersproken door hetgeen [getuige 1] consequent heeft verklaard. Hoewel reeds op grond daarvan geen geloof gehecht kan worden aan de gang van zaken zoals deze door de verdachte wordt voorgesteld, stelt het hof tevens vast dat verdachtes verklaringen – als hierboven reeds overwogen – zich kenmerken door vele inconsistenties, onjuistheden en strijdigheid met verschillende andere bewijsmiddelen. De wijze waarop deze verklaringen tot stand lijken te zijn gekomen daarbij in aanmerking nemend, noopt het hof – evenals de rechtbank – tot de conclusie dat de verklaringen van verdachte, voor zover deze niet ondersteund worden door andere bewijsmiddelen en dus met name waar zij verklaart dat zij niet degene was die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, als ongeloofwaardig bestempeld moeten worden. In tegenstelling tot hetgeen de verdediging heeft bepleit, zal het hof de verdachte dan ook niet volgen in het door haar geschetste scenario.

Het hof constateert voorts dat verdachte over specifieke daderinformatie beschikt. Zo geeft zij het tijdstip aan en de wijze waarop de auto van [slachtoffer] is verplaatst en waar deze is achtergelaten. Dit vindt bevestiging in de camerabeelden van de [adres 1] en de getuigenverklaring over het achterlaten van de auto aan de [adres 4] . Zij heeft tevens verklaard dat [slachtoffer] blauwe plekken, bloedende wonden, alsmede striemen aan de polsen en aan de hals had. Daarmee geeft verdachte details over verwondingen van [slachtoffer] die overeenkomen met de bevindingen uit het opsporingsonderzoek en de sectie. Ten slotte heeft verdachte tijdens het onderzoek de exacte locatie aangewezen waar het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen. Zoals reeds opgemerkt, zal het hof de verklaringen van verdachte ten aanzien van deze en andere aspecten die uitdrukkelijk steun vinden in het dossier, wel gebruiken voor het bewijs.

Daderschap van verdachte

Conclusies naar aanleiding van de voorgaande bewijsmiddelen

Het voorgaande brengt het hof tot de volgende conclusies. Vastgesteld wordt dat het slachtoffer de nacht van 30 op 31 augustus 2013 met [getuige 1] heeft doorgebracht in zijn woning aan de [adres 1] te [plaats] . In de daaropvolgende ochtend om 07.30 uur heeft het slachtoffer via WhatsApp contact gehad met [getuige 3] . [getuige 1] heeft vervolgens rond 08.30 uur de woning verlaten om naar zijn werk te gaan; [slachtoffer] was op dat moment nog in leven, zo volgt uit zijn verklaring. In de loop van de ochtend is door het slachtoffer nog gebruik gemaakt van WhatsApp, waarbij door haar om 11.22 uur als laatste een emoticon is verzonden naar [getuige 1] . De verklaringen van verdachte hieromtrent zullen om reeds uiteengezette redenen gepasseerd worden. Mede gelet op de in de woning, in het bijzonder de badkamer, aangetroffen sporen en de bij [slachtoffer] geconstateerde letsels, moet er na 11.22 uur een gewelddadige confrontatie hebben plaatsgevonden in de woning aan de [adres 1] , waarbij of waarna [slachtoffer] door verwurging om het leven is gebracht.

Op grond van het aangehaalde technische en forensische bewijs stelt het hof vast dat verdachtes telefoon die bewuste zaterdagmiddag op verschillende tijdstippen zendmasten in de omgeving van voornoemde woning heeft aangestraald. Daarnaast is een bloedspoor dat aan verdachte toegeschreven wordt in de badkamer aangetroffen te midden van de vele bloedsporen die afkomstig zijn van [slachtoffer] en heeft verdachte de auto van [slachtoffer] die zaterdagmiddag verplaatst, waarbij verdachte bloedsporen van [slachtoffer] in deze auto heeft achtergelaten. Op de voet van [slachtoffer] is daarnaast DNA van verdachte aangetroffen. Dit zijn zeer belastende omstandigheden en (forensisch) bewijs waarvoor verdachte geen redelijke, de redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. Uit deze bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte zich op 31 augustus 2013, overeenkomstig verdachtes verklaring op dit punt, de toegang tot de woning van [getuige 1] heeft kunnen verschaffen.

Op grond van al het hiervoor overwogene, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof – met de rechtbank – van oordeel dat verdachte na 11.22 uur de woning waar [slachtoffer] op dat moment verbleef, is binnengegaan en haar om het leven heeft gebracht door haar te wurgen en vervolgens haar lichaam heeft weggevoerd en verborgen.

Gedrag van verdachte

Ten overvloede overweegt het hof met betrekking tot het gedrag van verdachte nog het volgende.

Uit de printgegevens van de telefoon van verdachte blijkt dat verdachte in de aan de tenlastegelegde feiten voorafgaande langere periode van 19 juli 2013 tot en met 23 augustus 2013 veelvuldig, namelijk 29 keer, naar het restaurant heeft gebeld waar het slachtoffer werkzaam was. Tijdens deze telefoontjes heeft verdachtes telefoon driemaal een zendmast in de buurt van de woning aan de [adres 1] en éénmaal een zendmast in de buurt van voornoemd restaurant aangestraald. Naast dit opvallende contact dat verdachte kennelijk zoekt of probeert te zoeken met [slachtoffer] , volgt uit verdachtes telefoongegevens dat zij ondanks hun beëindigde relatie nog veelvuldig contact zoekt met [getuige 1] .

Voorts zijn gedurende het onderzoek op verschillende gegevensdragers die herleid kunnen worden naar verdachte, foto’s aangetroffen van de auto van [slachtoffer] , gemaakt op 10 juli 2013 om 09.05 uur, en van het paspoort van [slachtoffer] , gemaakt op 18 juli 21.04 uur. Beide foto’s zijn gemaakt met een iPhone 4S, waarbij uit onderzoek blijkt dat het zeer veel waarschijnlijker is als deze foto gemaakt is met de iPhone van verdachte, dan met een willekeurige andere iPhone. Uit verdachtes telefoongegevens blijkt verder dat verdachte op 10 juli 2013, de dag dat de foto van de witte Fiat 500 van [slachtoffer] is gemaakt, vanaf 08.16 uur tot 21.35 nagenoeg de gehele tijd masten aanstraalt in de buurt van de woning van [getuige 1] . Ook wordt er door verdachte die dag vier keer telefonisch contact gezocht met de vaste telefoonlijn van [getuige 1] en belt verdachte meerdere keren naar het mobiele nummer van [getuige 1] . Ten aanzien van de op 18 juli 2013 gemaakte foto volgt uit het dossier dat deze kennelijk is gemaakt buiten de aanwezigheid van [getuige 1] en [slachtoffer] , nu uit nader onderzoek volgt dat beiden zich op het tijdstip dat de foto werd gemaakt elders, buiten de woning van [getuige 1] bevonden.

Ten slotte volgt uit onderzoek aan de telefoon van verdachte dat er in de periode vanaf 31 augustus 2013 00.39 uur tot aan 2 september 2013 in totaal 42 WhatsApp-berichten zijn verwijderd.

Voor al dit gedrag geeft verdachte noch bij de politie, noch bij de rechtbank en het hof een verhelderende en aannemelijke verklaring. De ogenschijnlijk obsessieve belangstelling van verdachte voor [slachtoffer] en [getuige 1] , alsmede het verwijderen van WhatsApp-berichten rond het tijdstip van de verdwijning van [slachtoffer] passen naar het oordeel van het hof bij de conclusie dat verdachte degene is die verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] en het laten verdwijnen van haar lichaam.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waar in samenhang met voorgaande overwegingen in zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
zij in op 31 augustus 2013 te [plaats] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte opzettelijk die [slachtoffer] gewurgd ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

2:
zij in de periode van 31 augustus 2013 tot en met 1 september 2013 te [plaats] en/of [plaats] , het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en weggevoerd met het oogmerk om het feit, het overlijden, te verhelen door

- het vervoeren van dat lijk vanaf de woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats] naar het bosgebied aan de [adres 2] te gemeente [plaats] en

- het neerleggen op de buik van dat lijk in dat bosgebied en

- het afdekken/bedekken van dat lijk met gras.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

een lijk verbergen en wegvoeren met het oogmerk om het feit te verhelen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft op 31 augustus 2013 [slachtoffer] , in de voor haar vertrouwde omgeving van de woning van haar vriend [getuige 1] , van het leven beroofd door haar te wurgen. In de daaropvolgende periode is verdachte – om met de woorden van de rechtbank te spreken – “geslepen en koelbloedig te werk gegaan door de woning schoon te maken, het lichaam met haar eigen auto te vervoeren naar een bosgebied en het lichaam daar in een greppel achter te laten”.

Door haar handelen heeft verdachte op brute wijze het leven van een jonge vrouw die midden in het leven stond afgenomen. Hiermee heeft zij de nabestaanden van het slachtoffer onbeschrijfelijk en onherstelbaar veel leed toegebracht. Zij zullen het gemis van hun dochter, (schoon)zus, nicht en vriendin hun leven lang met zich mee moeten dragen. Een leven waarvan de glans af is door het verlies van [slachtoffer] , zo volgt treffend uit de slachtofferverklaring die, mede namens alle nabestaanden, is voorgedragen door de moeder van het slachtoffer. De nabestaanden hebben het als gruwelijk bestempeld om met zoveel onbeantwoorde vragen te moeten blijven zitten. Door het uitblijven van een volledige, bij de bewijsmiddelen passende verklaring van de zijde van verdachte is onduidelijk gebleven onder welke omstandigheden hun geliefde om het leven is gekomen. Onduidelijkheden waardoor het rouwproces van de nabestaanden wordt beïnvloed en bemoeilijkt, zo blijkt uit voornoemde slachtofferverklaring: “Weten wat er is gebeurd, weten hoe het zover heeft kunnen komen, weten hoe de laatste momenten van [slachtoffer] zijn verlopen. (…) Het zou ons helpen bij de verwerking van ons verdriet en onze strijd om verder te leven”.

De verdachte heeft daarnaast gepoogd haar daad te verbergen door – onder meer – het stoffelijk overschot in een bosgebied onzichtbaar voor voorbijgangers in een greppel toegedekt met gras onder struiken achter te laten. Verdachte is hierdoor niet alleen op respectloze wijze omgegaan met het lichaam van [slachtoffer] , haar handelen heeft ook geleid tot een langere periode van onzekerheid voor de nabestaanden. Doordat het stoffelijk overschot is blootgesteld aan de elementen, heeft verdachte met dit gedrag bovendien bewerkstelligd dat de nabestaanden niet op gepaste wijze afscheid hebben kunnen nemen van [slachtoffer] .

Het hof sluit zich aan bij de rechtbank in haar overweging dat het verdachte wordt aangerekend dat zij, in een poging om zichzelf te ontlasten, ook op de plaatsgevonden terechtzittingen heeft volhard in haar beschuldiging jegens [getuige 1] , voor welke beschuldiging geen overtuigende onderbouwing is geleverd. Verdachte heeft dus niet alleen een gewelddadig einde gemaakt aan het leven van de nieuwe partner van haar ex-vriend, maar schroomt er vervolgens niet voor om ook in hoger beroep deze ex-vriend als schuldige aan te wijzen. Ook het hof merkt dit aan als gewetenloos handelen wat in het nadeel van verdachte wordt meegewogen in de strafmaat.

Verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan onderzoeken naar haar persoon, zodat het hof op dat vlak nauwelijks informatie voorhanden heeft. In dat kader constateert het hof evenwel dat uit het de verdachte betreffende Uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 22 december 2016 volgt dat zij niet eerder veroordeeld is ter zake van strafbare feiten.

De verdachte heeft op gruwelijke wijze een medemens van het leven beroofd en vervolgens getracht het feit op alle mogelijke manieren te verhullen. Dergelijke gedragingen kunnen op geen andere manier worden bestraft dan door oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op het voorgaande, is het hof – met de rechtbank en de advocaat-generaal – van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, een passende en noodzakelijke bestraffing is.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Vorderingen

De ouders en broer van het slachtoffer hebben zich alle drie als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De vader van het slachtoffer, [benadeelde partij 1] , heeft zich voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg gevoegd met een vordering tot schadevergoeding die in zijn totaliteit € 29.872,11 bedroeg. Deze vordering bestond in eerste instantie uit € 12.372,11 aan materiële schade, verdeeld over 10 verschillende posten die bestaan uit kosten die gemoeid zijn geweest met het overlijden van het slachtoffer, haar uitvaart, de annuleringskosten van de vakantie van het slachtoffer, alsmede telefoon- en reiskosten. Daarnaast is een bedrag van € 17.500,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd. Ter terechtzitting in eerste aanleg is het bedrag van de materiële schade gematigd tot € 11.554,36, in verband met een halvering van de gevorderde annuleringskosten. Tevens is ter terechtzitting in eerste aanleg namens de benadeelde partij verzocht de gevorderde schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank heeft de materiële schade à € 11.554,36 toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter zake van de gevorderde immateriële schade heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering, het hof begrijpt voor het bedrag van € 29.054,36.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De moeder van het slachtoffer, [benadeelde partij 2] , heeft zich voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg gevoegd met een vordering die in totaal € 18.706,- bedraagt. Deze vordering bestaat uit € 1.206,- aan materiële schade voor de gemaakte kosten voor fysiotherapie en ter compensatie van de vermiste sieraden, telefoon en kleding van het slachtoffer. Daarnaast is een bedrag van € 17.500,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd. Ter terechtzitting in eerste aanleg is namens de benadeelde partij verzocht de gevorderde schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank heeft alleen de schade ter zake van de gevorderde kosten van fysiotherapie à € 56,- toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter zake van de overige gevorderde schade heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De broer van het slachtoffer, [benadeelde partij 3] , heeft zich voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg gevoegd met een vordering tot schadevergoeding die € 19.008,22 bedroeg. Deze vordering bestond in eerste instantie uit € 1.508,22 aan materiële schade voor de gemaakte reis- en telefoonkosten, alsmede de vermindering in inkomsten die de benadeelde ten gevolge van het overlijden van zijn zus heeft gehad. Daarnaast is een bedrag van € 17.500,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd. Ter terechtzitting in eerste aanleg is het bedrag van de materiële schade gematigd tot € 1.146,71, in verband met een verlaging van het bedrag dat gevorderd wordt voor schade door vermindering van inkomsten. Tevens is ter terechtzitting in eerste aanleg namens de benadeelde partij verzocht de gevorderde schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank heeft alleen de schade ter zake van de gevorderde telefoon- en reiskosten à € 191,58 toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter zake van de overige gevorderde schade heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering, het hof begrijpt voor het bedrag van € 18.646,71.

Materiële schade

Met betrekking tot de door de benadeelde partijen gevorderde materiële schade oordeelt het hof als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreekse schade hebben geleden. Nu de vordering ter zake van de materiële schade voldoende is onderbouwd, deze in hoger beroep niet op inhoudelijke gronden door de verdediging gemotiveerd zijn weersproken en de vorderingen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, acht het hof de gevorderde materiële schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] volledig toewijsbaar.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Immateriële schade.

Het hof ziet aanleiding de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schadevergoeding van telkens € 17.500,- hierna gezamenlijk te behandelen.

Algemene overwegingen

Het hof stelt in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002, beter bekend als het taxibus-arrest, het volgende voorop. In het onderhavige geval is sprake van een tragische gebeurtenis die bij alle nabestaanden heeft geleid tot veel pijn en verdriet. De toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade kan slechts in (zeer) beperkte mate hun leed verzachten, doch kan wel in zekere mate een erkenning van het ondervonden leed betekenen. Echter, enkel deze erkenning kan niet de grond voor toewijzing zijn. Daartoe dient een rechtsgrond te worden aangewezen die leidt tot aansprakelijkheid voor schade als de onderhavige. Een rechter mag in dit kader slechts beoordelen welke vergoeding binnen het stelsel van de wet voor toewijzing in aanmerking komt. Derhalve ziet het hof aanleiding om ook zonder inhoudelijke betwisting door de verdediging te beoordelen of de verzochte vergoeding binnen het stelsel van de wet voor toewijzing in aanmerking komt.

Gestelde grondslag

Aan de vorderingen is door de benadeelde partijen het verlies van [slachtoffer] ten grondslag gelegd. Het hof begrijpt hieruit dat door de benadeelden genoegdoening wordt gevraagd voor de ernstige gevolgen die zij moeten ondervinden van het overlijden van een persoon tot wie zij in een affectieve relatie hebben gestaan, zogenoemde affectieschade.

Namens de benadeelde partijen zijn door hun advocaat, mr. Korver, twee gronden naar voren gebracht op basis waarvan hun vordering tot vergoeding van de door het verlies van [slachtoffer] geleden immateriële schade zou moeten worden toegewezen. In de eerste plaats is het wetsvoorstel vergoeding van affectieschade (nr. 34.257) aangehaald. Hoewel het slechts een wetsvoorstel betreft, wordt namens de benadeelden gesteld dat reeds thans vergoeding van immateriële schade in het strafproces op grond hiervan toewijsbaar is. De tweede pijler waar het betoog op is gestoeld betreft de Europese Richtlijn van 12 oktober 2012 (EU-Richtlijn 2012/29/EU, hierna: de Richtlijn), op grond waarvan immateriële schade eveneens voor vergoeding in aanmerking zou komen. Nu de Richtlijn op uiterlijk 16 november 2015 geïmplementeerd had moeten zijn, kunnen de benadeelde partijen een rechtstreeks beroep doen op deze Richtlijn, aldus mr. Korver.

De advocaten-generaal hebben zich vervolgens bij requisitoir op het standpunt gesteld dat de vordering tot immateriële schadevergoeding op grond van het onder 2 tenlastegelegde wegmaken – vervoeren en verbergen – van het stoffelijke overschot toegewezen kan worden. In zijn reactie namens de benadeelde partijen heeft mr. Korver zich bij deze zienswijze aangesloten als (meer) subsidiaire grond van het verzoek tot vergoeding van immateriële schade.

Wetsvoorstel tot vergoeding van affectieschade

In lijn met de rechtbank stelt het hof vast dat het huidige wettelijke stelsel – in het bijzonder de artikelen 6:106 en 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – niet, althans op dit moment nog niet voorziet in de mogelijkheid om zogenoemde affectieschade te vergoeden. In dit kader verdient het opmerking dat de Hoge Raad in voornoemd Taxibus-arrest reeds heeft bepaald dat artikel 8 EVRM evenmin ertoe noopt dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op immateriële schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. Uit het reeds genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een dergelijke genoegdoening – vergoeding van affectieschade – te bieden. Dergelijke ruimte is er ook niet wanneer dergelijke schade het gevolg is van een opzettelijk begane normschending, zoals in het onderhavige geval. Zoals de Hoge Raad herhaalde malen heeft gesteld, heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen. Nu de rechter in dit kader terughoudendheid past, zal het hof mr. Korver niet volgen in zijn voorstel om te anticiperen op dit wetsvoorstel.

De Richtlijn

Mr. Korver heeft terecht aangegeven dat de implementatietermijn van de Richtlijn verstreken is. Dit heeft tot gevolg dat de Richtlijn in beginsel rechtstreekse werking heeft, doch alleen in verticale zin. Dit houdt in dat de Richtlijn alleen inroepbaar is tussen de burger en de overheid, alleen dan indien de Richtlijn of de desbetreffende Richtlijnbepaling onvoorwaardelijk, voldoende duidelijk en nauwkeurig is.

Richtlijnen verkrijgen na het verstrijken van de implementatietermijn echter rechtens geen rechtstreekse horizontale werking, hetgeen inhoudt dat zij niet tegen een burger of particulier ingezet kunnen worden. Reeds gelet hierop faalt het door mr. Korver bepleite rechtstreekse beroep op de Richtlijn voor zover hij dit tegen verdachte heeft willen inroepen.

Voor zover mr. Korver heeft bepleit dat de Staat veroordeeld zou moeten worden tot betaling van de immateriële schade op grond van de Richtlijn, merkt het hof op dat de Staat in die zin geen partij is in deze strafprocedure. Het hof is derhalve van oordeel dat de Staat in het kader van onderhavige strafprocedure jegens verdachte niet veroordeeld kan worden tot betaling van enige schadevergoeding. De maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht strekt immers ook niet tot veroordeling van de Staat, maar tot veroordeling van verdachte tot betaling aan de Staat.

Onder 2 tenlastegelegde als zelfstandige grond

Met betrekking tot hetgeen door de advocaten-generaal en mr. Korver als subsidiair standpunt naar voren is gebracht overweegt het hof als volgt.

Voor zover de advocaat-generaal heeft beoogd te stellen dat verdachte het oogmerk heeft gehad de nabestaanden opzettelijk nadeel toe te brengen met het verbergen van het lijk en mr. Korver in lijn van dit standpunt heeft bedoeld dat dit een zelfstandige grondslag kan bieden voor een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 6:106, eerste lid onder a BW, is het hof van oordeel dat, mede gelet op de omstandigheid dat een nadere onderbouwing van dit standpunt onvoldoende is gegeven, een onderzoek naar dit aspect een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering tot immateriële schadevergoeding niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Conclusie

Het hof zal derhalve de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] in hun vorderingen tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 151 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 11.554,36 (elfduizend vijfhonderdvierenvijftig euro en zesendertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 11.554,36 (elfduizend vijfhonderdvierenvijftig euro en zesendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 92 (tweeënnegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.146,71 (duizend honderdzesenveertig euro en eenenzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.146,71 (duizend honderdzesenveertig euro en eenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.206,00 (duizend tweehonderdzes euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.206,00 (duizend tweehonderdzes euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. J. Dolfing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van der Ploeg, griffier,

en op 24 februari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.