Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1543

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
200.194.520/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.194.520/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/107846 / HA ZA 14-239)

arrest in het incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad ex artikel 351 Rv van 21 februari 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R.F. Dirkzwager, kantoorhoudend te Meppel,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.A.M. van de Sande, kantoorhoudend te Rotterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 4 februari 2015, 15 juli 2015 en 4 mei 2016 die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 juni 2016,

- de incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging bij voorraad tevens houdende memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord in het incident ex artikel 223 Rv/351 Rv.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in incident overgelegd en heeft het hof arrest in incident bepaald.

2.3

De incidentele vordering van [appellant] luidt:
"Dat het U Edelgrootachtbaar Hof moge behagen bij arrest in incident, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van het tussen partijen gewezen vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, d.d. 4 mei 2016 te schorsen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incident, te vermeerderen met de nakosten en te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit arrest tot de dag van volledige betaling;"

3 De motivering van de beslissing in het incident

3.1

Het gaat in deze zaak - voor zover relevant in het kader van dit incident - om het volgende.

3.2

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar geweest van twee recreatiebungalows. Bij notariële akte van verdeling zijn beide bungalows toegedeeld aan [appellant] . [appellant] was hiervoor een vergoeding aan [geïntimeerde] verschuldigd van € 94.250,-. Partijen zijn overeengekomen dat deze vergoedingsplicht wordt omgezet in een lening aan [appellant] .

3.3

Bij brief van 29 augustus 2014 heeft [geïntimeerde] het bedrag van € 94.250,- opgeëist. Nadat betaling uit is gebleven heeft [geïntimeerde] [appellant] gedagvaard en gevorderd hem te veroordelen tot betaling van € 94.250,-, vermeerderd met wettelijke rente. [appellant] heeft het bestaan van de onderhandse lening erkend maar heeft zich (onder meer) op het standpunt gesteld dat uit mondelinge afspraken tussen partijen volgt dat zijn verbintenis tot terugbetaling teniet is gegaan.

3.4

De rechtbank heeft bij vonnis van 4 mei 2016 [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 94.250,-, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede tot betaling van de proceskosten.

3.5

[appellant] heeft bij dagvaarding van 14 oktober 2016 [geïntimeerde] in kort geding gedagvaard en (onder meer) gevorderd de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis van 4 mei 2016 te schorsen althans op te schorten. Bij vonnis in kort geding van 7 november 2016 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat [appellant] het kort geding heeft ingetrokken en is [appellant] veroordeeld in de kosten van het geding.

3.6

De vraag waar het in dit incident om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep op de voet van artikel 351 Rv. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5012) en 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:688), voorop dat bij de beoordeling van een dergelijke vordering het volgende geldt:
(i) de eiser in het incident moet belang hebben bij de door hem gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis;
(ii) de belangen van partijen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van het vonnis. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de schuldeiser bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven;
(iii) bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing;
(iv) Indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de incidenteel eiser die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn vordering ten grondslag moeten leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken;
( v) Indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde.

3.7

In dit geval heeft de rechtbank voor de uitvoerbaar verklaring bij voorraad geen nadere motivering gegeven, zodat (alleen) de punten i t/m iii van toepassing zijn.

3.8

[appellant] heeft aan zijn incidentele vordering ten grondslag gelegd dat sprake is van een restitutierisico. [appellant] stelt daartoe dat [geïntimeerde] de executie van het vonnis met spoed in gang heeft gezet terwijl [appellant] sterke vermoedens heeft dat [geïntimeerde] in ernstige geldnood verkeert, nu hij kennis heeft van een aantal andere substantiële vorderingen op [geïntimeerde] .

3.9

Het hof volgt [appellant] niet in zijn betoog. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat hij een restitutierisico loopt, maar hij heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. Derhalve kan niet worden aangenomen dat [geïntimeerde] niet in staat zou zijn om, bij een eventuele vernietiging van het vonnis van 4 mei 2016 in hoger beroep, het bedrag van € 94.250,- (vermeerderd met wettelijke rente) aan [appellant] terug te betalen. De enkele stelling van [appellant] dat sprake is van meerdere substantiële vorderingen op [geïntimeerde] , hetgeen door [geïntimeerde] wordt betwist, is onvoldoende om dat te kunnen aannemen. Dat [geïntimeerde] de executie met spoed in gang heeft gezet, kan de conclusie dat hij in geldnood zit niet dragen.
Het staat [geïntimeerde] vrij om het vonnis met spoed te executeren, dat hij daartoe is overgegaan, ligt gelet op het bedrag van de vordering zelfs voor de hand en betekent niet, en zeker niet zonder meer, dat zijn financiële situatie te wensen overlaat.

3.10

Het belang van [geïntimeerde] bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling tot betaling van het bedrag van € 94.250,-, vermeerderd met wettelijke rente, is daarbij evident: zijn belang is erin gelegen dat hij niet op het hem krachtens de veroordeling toekomende hoeft te wachten tot die veroordeling onherroepelijk is geworden (vgl. HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2602). Het hof is dan ook van oordeel dat het belang van [geïntimeerde] bij executie van het bestreden vonnis zwaarder dient te wegen dan het belang van [appellant] bij schorsing van de tenuitvoerlegging daarvan.

3.11

De incidentele vordering van [appellant] zal worden afgewezen.

3.12

Een beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden totdat bij einduitspraak over de kosten zal worden beslist.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het incident
wijst de vordering van [appellant] af;

houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de beslissing in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 4 april 2017 voor het nemen van de memorie van antwoord door [geïntimeerde] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. O.E. Mulder en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

21 februari 2017.