Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1523

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
200.121.649/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolgarrest. Niet langer aannemelijk dat schade is geleden door wegvoeren van de paarden. Geen grond meer voor verwijzing naar schadestaatprocedure.

Schriftvergelijkend onderzoek nodig naar handtekening onder “opfokovereenkomst”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.121.649/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 124796/ HA ZA 11-164)

arrest van 21 februari 2017

in de zaak van

1 de commanditaire vennootschapC.V. De Holm,

gevestigd te [A] ,

hierna: De Holm,

2. [appellante] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellante],

3. [appellant] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: De Holm c.s.,

advocaat: mr. S.A. Wensing, kantoorhoudend te Coevorden,

tegen

1 de vennootschap naar Belgisch recht Internaphtha N.V.,

gevestigd te [B] ,

hierna: Internaphtha,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde2],

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [C] ,

hierna: [geïntimeerde3],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen geïntimeerden,

geïntimeerden sub 1 en sub 2 gezamenlijk te noemen: Internaphtha c.s.,
en afzonderlijk Internaphtha, respectievelijk [geïntimeerde2],
geïntimeerde sub 3 te noemen: [geïntimeerde3].

advocaat: mr. M.J.A.P. Fransen, kantoorhoudend te Budel.

1 Het verdere verloop van het geding

Eerder is in deze zaak een tussenarrest gewezen, dat op 8 maart 2016 is uitgesproken.
Na dat arrest heeft het volgende plaatsgevonden:

- de akte van De Holm c.s.
- de akte van Internaphtha c.s.
- de antwoordakte van Internaphtha c.s.

- de nadere antwoord akte van Internaphtha c.s.
- de comparitie van partijen gehouden op 20 september 2016, waarvan proces verbaal is opgemaakt

- de voortzetting van de comparitie gehouden op 13 december 2016, waarvan proces verbaal is opgemaakt.

Vervolgens hebben partijen verzocht om arrest op de stukken en heeft het hof arrest bepaald.

2 De nadere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Het hof blijft bij hetgeen in voormeld tussenarrest is overwogen en bouwt daarop voort.

In zaak 1: het geschil tussen Internaphtha c.s. en De Holm c.s.

t.a.v. de eigendom van de paarden

2.2

In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat het behoefte had aan nadere informatie over de eigendom van de paarden, in het bijzonder met betrekking tot [D] en [E] .

2.3

Met betrekking tot de eigendom van [F] overweegt het hof thans nader als volgt.

In het tussenarrest is overwogen dat op Internaphtha c.s. de bewijslast rust dat [F] haar eigendom is (r.o. 5.5). Tussen partijen staat vast dat het paard oorspronkelijk eigendom was van [G] , toentertijd nog de echtgenote van [geïntimeerde2] . De vraag is derhalve of die eigendom daarna is overgaan op Internaphtha c.s.
Internaphtha c.s. hebben een schriftelijke verklaring overgelegd van [G] waarin zij verklaart dat zij het paard in 2002 heeft verkocht aan [geïntimeerde2] . [geïntimeerde2] heeft verklaard dat hij de eigendom van [F] vervolgens in 2005 heeft ingebracht in Internaphtha.
De Holm c.s. hebben deze verklaringen niet voldoende gemotiveerd betwist. Dat [G] in het paardenpaspoort nog steeds als eigenaresse staat geregistreerd is niet een voldoende betwisting, omdat genoegzaam is gebleken dat de eigendomsregistratie in paardenpaspoorten niet altijd overeenstemt met de werkelijke situatie. Het hof merkt daarbij op dat [geïntimeerde2] tijdens de comparitie onweersproken heeft verklaard dat [appellant] de paspoorten van de paarden onder zich had gehouden en dat hij daarom niet in staat was de eigendom over te schrijven.

Daarmee staat binnen het kader van dit geschil naar het oordeel van het hof voldoende vast dat [F] eigendom is van Internaphtha c.s.

2.4

Op De Holm c.s. rust de bewijslast van hun stelling dat zij [F] in mede eigendom (35%) hebben verkregen. De Holm c.s. hebben aangevoerd dat [G] het paard in 2004 aan De Holm c.s. heeft verhuurd en dat zij later (om zich trainingskosten te besparen) 35% van die eigendom heeft afgestaan aan De Holm c.s.
heeft in haar schriftelijke verklaring echter verklaard dat zij nimmer een deel van de eigendom van [F] aan De Holm c.s. heeft afgestaan. Daartegenover hebben De Holm c.s. hun stelling dat [G] aan hen 35% van de eigendom in het paard heeft afgestaan niet nader onderbouwd. Zij hebben zich nog wel beroepen op een schriftelijke verklaring van mw. [H] (prod. 12 bij CvA/CvE), maar die verklaring acht het hof niet een voldoende onderbouwing. [H] verklaart daarin dat de afspraak over de mede eigendom is gemaakt met de heer [geïntimeerde2] . Die verklaring wijkt daarmee af van de verklaring van De Holm c.s., dat de afspraak over de mede eigendom is gemaakt met [G] . Weliswaar heeft [appellant] tijdens de comparitie verklaard dat de afspraak zou zijn gemaakt met [geïntimeerde2] , maar die verklaring staat haaks op de in de processtukken ingenomen stelling dat de afspraak is gemaakt [G] (vgl. randnummer 13 akte uitlating vonnis), zonder dat De Holm c.s. voor die wijziging van stelling een (afdoende) verklaring hebben gegeven.
Bovendien, indien De Holm c.s. [F] zou hebben gehuurd van [G] en met haar later een 35% mede eigendom zouden zijn overeengekomen, valt niet goed in te zien waarom De Holm c.s. de dekkingsgelden voor [F] heeft afgerekend met Internaphtha c.s., zoals [appellant] tijdens de comparitie heeft bevestigd. Daar komt bij dat niet is gesteld of gebleken dat die afrekening was gebaseerd op een 35% mede eigendom.
Nu De Holm c.s van de feiten die zij aan hun stelling ten grondslag hebben gelegd in hoger beroep ook niet (voldoende gespecificeerd) nader bewijs hebben aangeboden, kan niet worden aangenomen dat De Holm c.s mede eigenaar zijn van [F] . Derhalve dienen Internaphta c.s. binnen het kader van dit geschil als volledig eigenaar van [F] te worden aangemerkt.

2.5

Terzake de eigendom van [I] geldt dat De Holm c.s. niet hebben betwist dat [I] eigendom is van Internaphta c.s. De Holm c.s. hebben hun stelling dat zij ook dat paard voor 35% in mede eigendom hebben verworven niet nader toegelicht en/of met bescheiden onderbouwd. Ook aan die stelling wordt daarom voorbij gegaan, zodat Internaphta c.s. ook als volledig eigenaar van [I] dienen te worden aangemerkt.
In dit oordeel ligt tevens besloten dat geen grond bestaat voor opheffing van het door Internaphtha c.s. gelegde beslag op [I] , zoals door De Holm c.s. is gevorderd.

2.6

Met betrekking tot de eigendom van [E] en [D] hebben De Holm c.s. tijdens de comparitie volhard in hun stelling dat de overeenkomst van 4 april 2006 – de overeenkomst waarop Internaphtha c.s. zich beroepen voor hun stelling dat zij voor 50% de mede eigendom van die paarden hebben verworven - niet is ondertekend door [appellant] (namens De Holm c.s.).
Tijdens de comparitie heeft [geïntimeerde2] verklaard dat bij de (beweerdelijke) ondertekening van die overeenkomst behalve hijzelf en [appellant] , niemand aanwezig was. Nu Internaphtha c.s. niet voldoende andere feiten en omstandigheden hebben aangevoerd waaruit ook zonder die akte reeds kan blijken dat De Holm c.s. aan de daarin opgenomen overeenkomst zijn gebonden, acht het hof een schriftvergelijkend onderzoek noodzakelijk om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of de overeenkomst van 4 april 2006 door [appellant] (namens De Holm c.s.) is ondertekend.

Het hof zal daartoe een deskundige benoemen.
Omdat Internaphtha c.s. in deze de bewijslast dragen, zullen zij worden belast met het voorschot betreffende het deskundigenbericht.
In afwachting van de uitkomst van het deskundigenonderzoek zal iedere verdere beslissing over de eigendom van de paarden [D] en [E] worden aangehouden.
t.a.v. de dekkingsgelden

2.7

De factuur van 12 januari 2010 heeft betrekking op de afrekening over de jaren 2007 t/m 2009. Uit de factuur kan worden afgeleid dat de afrekening over 2007 alleen betrekking heeft op de afrekening van de opbrengst en kosten van de verkoop van een aantal opfokhengsten. De afrekening over de jaren 2008 en 2009 ziet alleen op de afrekening van dekkingsgelden.

2.8

Volgens de factuur zou door De Holm c.s. over 2007 nog te betalen resteren een bedrag van per saldo € 16.037,-. Het hof stel vast dat de in de factuur vermelde namen van de paarden waar de afrekening betrekking op heeft, overeenkomen met de namen van de paarden die (naast [D] en [E] ) staan vermeld in de hiervoor genoemde overeenkomst van 4 april 2006. Die paarden zijn, behalve [D] en [E] , kennelijk in 2007 door De Holm c.s. verkocht. De vraag of De Holm c.s. met Internaphtha c.s. dienen af te rekenen over die verkopen, hangt af van de vraag of de overeenkomst van 4 april 2006 inderdaad door [appellant] is ondertekend. Indien dat het geval is, moet worden aangenomen dat Internaphtha c.s. voor 50% mede eigenaar waren van die paarden en derhalve aanspraak hebben op (de helft van) de verkoopopbrengsten van die paarden. Het hof merkt daarbij op dat De Holm c.s. de door Internaphtha c.s. in haar factuur als nog af te rekenen opgenomen bedragen verder niet hebben betwist. De verdere beslissing op dit onderdeel van de vordering zal derhalve eveneens worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van het deskundigenbericht.

2.9

Over het jaar 2008 zouden volgens de factuur De Holm c.s. een bedrag van € 26.400,- aan af te dragen dekkingsgelden verschuldigd zijn geworden, waarvan na betaling van een bedrag van € 9.960,- nog € 16.440,- resteert. Over 2009 zou na voldoening van een bedrag van € 1.000,- nog een bedrag van € 20.900,- aan dekkingsgelden openstaan.
Deze bedragen, door Internaphtha c.s. berekend op 40% van de volgens hen door De Holm c.s. in 2008 respectievelijk 2009 ontvangen dekkingsgelden -de overeenkomst van 4 april 2006 voorziet behalve in de mede eigendom ook in een 40/60% verdeling van de dekkingsgelden-, sluiten nagenoeg aan op de eigen opgave van De Holm c.s. over haar opbrengsten van de dekkingen in 2008 en 2009, zoals vermeld in de door De Holm c.s. overgelegde schadespecificatie (bij akte na tussenarrest). Volgens de eigen opgave van De Holm c.s. bedroegen de opbrengsten van de dekkingsgelden in 2008 namelijk € 66.800,- en in 2009 € 55.700,-. Veertig procent van die bedragen komt uit op € 26.720,--, respectievelijk € 22.280,-, derhalve op bedragen die zelfs nog iets hoger liggen dan de door Internaphtha c.s. berekende bedragen.
Nu De Holm c.s. verder niet (gemotiveerd) hebben aangevoerd dat Internaphtha c.s. ten onrechte bepaalde afdrachten van dekkingsgelden niet hebben meegenomen in hun berekening, heeft het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de factuur voor zover die betrekking heeft op de jaren 2008 en 2009.
Echter, in de factuur zijn ook dekkingsgelden begrepen van [D] en [E] . Of Internaphtha c.s ook in die opbrengsten dienen mee te delen, zal afhangen van de vraag of [appellant] inderdaad de overeenkomst van 4 april 2006 heeft ondertekend en derhalve van de uitkomst van het nog in te winnen deskundigenbericht. In zoverre wordt dient ook op dit onderdeel de verdere beslissing aangehouden te worden.

2.10

Het hof overweegt daarbij wel alvast dat het beroep van De Holm c.s. op verrekening van hetgeen zij uit hoofde van de factuur nog aan Internaphtha c.s. verschuldigd mochten zijn, met een tegenvordering die zij zouden hebben op Internaphtha c.s. zoals vastgesteld in het accountantsrapport wordt verworpen. Volgens het rapport waar De Holm c.s. hierbij op doelen een rapport van drs. M.C. Fokker gedateerd 27 maart 2010 (productie 16 CvA/CvE) zouden De Holm c.s. nog een vordering van € 85.165,- hebben op Internaphta c.s. uit hoofde van verkopen van veulens door Internaphtha c.s. waarin De Holm c.s. zouden moeten meedelen. Het rapport mist echter een feitelijke onderbouwing waaruit kan blijken dat inderdaad sprake is geweest van door Internaphtha c.s. gerealiseerde verkopen waarin De Holm c.s. nog zouden moeten meedelen. De beweerdelijke tegenvordering voldoet daarmee niet aan de vereisten voor verrekening, terwijl de gegrondheid van die tegenvordering evenmin eenvoudig is vast te stellen.

2.11

Terzake de door Internaphtha c.s. over 2010 gevorderde dekkingsgelden overweegt het hof dat Internaphtha c.s. bij akte na tussenarrest (als productie 7) een factuur aan De Holm c.s. (gedateerd 16 november 2010) hebben ingebracht, waarin aan De Holm c.s. een bedrag van € 65.550,- aan dekkingsgelden in rekening wordt gebracht. Volgens een door [geïntimeerde2] tijdens de comparitie op die factuur gegeven toelichting is dit bedrag berekend op het gemiddelde aan dekkingsgelden over de drie voorafgaande jaren. Gelet op de omstandigheid dat onweersproken vast staat dat De Holm c.s. in 2010 (tijdelijk) hun licentie hebben verloren en bovendien op [I] beslag was gelegd, acht het hof een dergelijke abstracte benadering in dit geval niet aangewezen, maar dient aansluiting te worden gezocht bij de werkelijk gerealiseerde dekkingsopbrengst.
Volgens het hiervoor al genoemde schadeoverzicht van De Holm c.s. bedroeg de in 2010 door hen gerealiseerde dekkingsopbrengst € 8.600,-. Dat overzicht, voorzien van onderliggende dekcertificaten, is door Internaphtha c.s. niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Derhalve zal het hof van dat overzicht uitgaan. Nu ook in dat overzicht echter dekkingsopbrengsten zijn begrepen van [D] en [E] zal het hof ook op dit onderdeel een verdere beslissing aanhouden in afwachting van de uitkomst van het deskundigenonderzoek.

t.a.v. de vordering van De Holm c.s. terzake schadevergoeding

2.12

In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat De Holm c.s. een overzicht dienden over te leggen van de schade die zij menen te hebben geleden door het wegvoeren van de paarden. Die schade diende zodanig gespecificeerd te zijn (per paard) dat de schade begroot kan worden zonder dat daarvoor nog procesverrichtingen nodig zullen zijn.

Zoals hiervoor al aangegeven hebben De Holm c.s. bij akte na tussenarrest een specificatie van hun schade overgelegd. Die specificatie omvat alleen de jaren 2010 en 2011 en komt uit op een bedrag van € 104.850,- aan over die jaren gederfde omzet aan dekkingsgelden.

Volgens de stellingen van De Holm c.s. zijn zij door het wegvoeren van de paarden hun licentie kwijtgeraakt, omdat zij daardoor niet meer (tijdig) konden voldoen aan het vereiste om voor 1 april van ieder jaar de sperma uitslagen van de paarden aan te leveren aan het Controlebureau Diensten.

Tijdens de comparitie heeft [appellant] verklaard dat hij alleen over 2010 de licentie is kwijt geweest en dat hij voor de jaren 2011 t/m 2014 wel weer een licentie heeft gehad.
In antwoord op de vraag hoe hij verklaart dat de dekkingsopbrengsten over 2010 en 2011 desondanks min of meer gelijk zijn geweest (€ 8.600,- respectievelijk € 9.050,-) heeft [appellant] verklaard dat de grootste schade het gevolg is geweest van negatieve publiciteit die door [geïntimeerde2] c.s. in het leven is geroepen.

2.13

Gelet op het geringe verschil in omzet over 2010 en 2011 is het hof van oordeel dat niet (langer) aannemelijk dat het wegvoeren van de paarden heeft geleid tot enige schade voor De Holm c.s. Als het wegvoeren van de paarden inderdaad al tot gevolg heeft gehad dat De Holm c.s. daardoor hun licentie voor 2010 hebben verloren Internaphtha c.s. hebben uitdrukkelijk betwist dat dit oorzakelijk verband bestaat is het verlies van die licentie kennelijk toch niet (in merkbare mate) van invloed geweest op de dekkingsopbrengsten.
2.14 Over schade als gevolg van negatieve publiciteit heeft het hof in het tussenarrest al overwogen dat De Holm c.s. hun stelling dat Internaphtha c.s. zich daaraan schuldig hebben gemaakt onvoldoende hebben onderbouwd, aangezien zij hun verwijt niet hebben geconcretiseerd en onderbouwd met enige uitlating. Dit betreft een eindbeslissing op dat aspect van het geschil. Tijdens de comparitie zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen waaruit het hof is gebleken dat die eindbeslissing berust op een onjuiste grondslag. Het hof acht zich aan die beslissing derhalve gebonden.

2.15

Een en ander leidt tot de slotsom dat de vordering tot schadevergoeding dient te worden afgewezen en dat voor verwijzing naar de schadestaat derhalve niet langer grond bestaat.

deskundigenbericht

2.16

Zoals hiervoor onder 2.6, 2.8, 2.9 en 2.11, is overwogen behoeft het hof voor de nadere beslissing op de in die overwegingen besproken onderdelen van het geschil een deskundigenbericht in de vorm van een schriftvergelijkend onderzoek terzake de vraag of de overeenkomst van 4 april 2006 door [appellant] is ondertekend.
Het hof is voornemens aan de te benoemen deskundige de volgende vragen voor te leggen:
- met welke mate van zekerheid is de overeenkomst van 4 april 2006 ondertekend door dhr. [appellant] ? Kunt u uw antwoord toelichten?;
- is er verder nog iets dat u kunt opmerken dat voor de beoordeling van de zaak van belang kan zijn?

2.17

Alvorens over te gaan tot het benoemen van de deskundige zal het hof partijen nog in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over het aantal en de perso(o)n(en) van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) voor te leggen vragen.
Partijen wordt daarbij verzocht om met elkaar in overleg te treden, opdat zij zo mogelijk met een eensluidend voorstel zullen kunnen komen.

2.18

Internaphtha c.s. zullen aan de deskundige op diens verzoek het origineel dienen te overhandigen van de in hun bezit zijnde overeenkomst van 4 april 2006 (zoals getoond tijdens de comparitie). Ook overigens dienen partijen hun medewerking te verlenen aan het onderzoek, ook als dat inhoudt dat zij aan de deskundige nog andere (vergelijkings) bescheiden ter hand dienen te stellen en/of dat zij hun medewerking dienen te verlenen aan een schrijfproef.

In zaak 1 en zaak 2

2.18

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

alvorens nader te beslissen:


in zaak 1

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 21 maart 2017 voor akte van partijen houdende uitlating als hiervoor onder 2.17 aangegeven;

in zaak 1 en zaak 2

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. H.E. de Boer, mr. G. van Rijssen en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 21 februari 2017.