Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1517

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
WAHV 200.168.637
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Motivering van de beslissing van de officier van justitie. Minimale afstand tussen gebod en meetplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.168.637

22 februari 2017

CJIB 170853441

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland

van 24 maart 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. In hoger beroep voert de betrokkene aan dat de kantonrechter in zijn beslissing in het geheel niet is ingegaan op hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd.

2. In zijn beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie heeft de betrokkene onder meer aangevoerd dat de officier van justitie niet is ingegaan op het in zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking gevoerde verweer.

3. In zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking heeft de betrokkene aangevoerd dat hij op grond van de gegevens in de inleidende beschikking niet kan opmaken waar de gedraging exact zou zijn verricht, zodat de betrokkene niet in staat is om te controleren of de snelheidscontrole is verricht conform de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het college van Procureurs-generaal

(hierna: de Aanwijzing), waarin is bepaald dat bij een snelheid van 50 km/h de minimale afstand tussen gebod en meetplaats 140 meter moet zijn.

4. De beslissing van de officier van justitie is als volgt gemotiveerd:

"U hebt beroep ingesteld tegen de opgelegde sanctie. U stelt dat u niet op de hoogte was van de aldaar geldende maximum snelheid. Op basis van de bebording wordt u geacht op de hoogte te zijn van de geldende maximum snelheid. Tevens is het de officier van justitie bekend dat de politie voor aanvang van elke snelheidscontrole de bebording controleert."

5. In artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Dat brengt echter niet mee dat in het geval niet uitgebreid en expliciet op de argumenten van de betrokkene wordt ingegaan, er sprake is van schending van het motiveringsbeginsel. Bij een beoordeling of sprake is van een dergelijke schending, dient te worden gekeken naar de omstandigheden van het betreffende geval.

6. In het licht van hetgeen de betrokkene in zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking heeft aangevoerd is het hof met de betrokkene van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie in het onderhavige geval niet deugdelijk is gemotiveerd. Uit de motivering van de beslissing van de officier van justitie blijkt in geen enkel opzicht dat door de betrokkene aangevoerde argumenten in de beslissing zijn betrokken. De kantonrechter, die in het geheel niet is ingegaan op de klacht van de betrokkene hieromtrent, had de beslissing van de officier van justitie dan ook niet in stand mogen laten.

7. Het voorgaande brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter, alsmede de beslissing van de officier van justitie zal vernietigen. Om die reden behoeven de overige klachten van de betrokkenen tegen die beslissingen geen bespreking meer.

8. Vervolgens zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep van de betrokkene tegen de inleidende beschikking.

9. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 143,- opgelegd ter zake van “Overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 17km/h” (feitcode VA017), welke gedraging zou zijn verricht op 1 april 2013 om 16:34 uur op de Prov weg Z'dam-Castricum te Krommenie met het voertuig met het kenteken [kenteken].

10. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), waarin is bepaald dat de maximumsnelheid voor motorvoertuigen binnen de bebouwde kom 50 kilometer per uur bedraagt.

11. De betrokkene heeft aangevoerd dat het genoemde overtreden artikel onjuist is. Langs de weg waar de gedraging heeft plaatsgevonden stonden geen borden H1 (aanduiding bebouwde kom). De snelheidsbeperking werd in het onderhavige geval aangegeven door middel van een bord A1. De gedraging betreft volgens de betrokkene dus niet een overtreding van artikel 20 of 22 van het RVV 1990, maar een overtreding van artikel 62 van het RVV 1990, inhoudende de verplichting gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. Voorts heeft de betrokkene aangevoerd dat de afstand tussen de plaats van inwerkingtreding van de maximumsnelheid en de meetlocatie wel erg klein is. De maximumsnelheid werd op de betreffende weg afgebouwd van 80 km/h naar 70 km/h en vervolgens naar 50 km/h. Het eerste bord A1 met daarop "50" stond bij hectometerpaal 50.2 en de snelheidsmeting vond plaats ter hoogte van hectometerpaal 50.5. Bij een snelheid die afloopt van 80 km/h naar 50 km/h is een afstand van 300 meter klein.

12. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

13. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.

Gemeten (afgelezen) snelheid : 70 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid : 67 km per uur.

Toegestane snelheid : 50 km per uur.

Overschrijding met : 17 km per uur.

De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de geldende Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het college van Procureurs-generaal, uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid.

(…)

Overtreden artikel: 20 sub a RVV 1990 (cat 1/2), 20 sub b en c RVV 1990 (cat 3), 22 sub d en e RVV 1990 (cat 3), 22 sub c RVV 1990 (cat 4)

(…)

Rijrichting van: Wormerveer

Rijrichting naar: Uitgeest

Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 50.5R

De gedraging vond plaats binnen de bebouwde kom.”

14. Voorts bevindt zich in het dossier een afdruk van de foto van de gedraging. Daarop is het voertuig met voormeld kenteken te zien. Blijkens de gegevens die boven deze foto staan vermeld betrof de gemeten snelheid van het betreffende voertuig op voornoemde datum, tijd en plaats 70 km/h.

15. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat gedraging heeft plaatsgevonden binnen de bebouwde kom. De enkele stelling van de betrokkene dat er op de betreffende weg geen bord H1 staat, is daartoe onvoldoende. Binnen de bebouwde kom bedraagt de maximumsnelheid voor motorvoertuigen standaard 50 km/h, tenzij anders aangegeven. Op de betreffende weg werd in eerste instantie afgeweken van deze standaard maximumsnelheid door plaatsing van een bord A1 met daarop "70". Vervolgens werd deze maximumsnelheid weer afgebouwd naar 50 km/h, hetgeen werd aangegeven door middel van een bord A1 met daarop "50". De plaatsing van dit laatste bord heeft er dus toe geleid dat de binnen de bebouwde kom geldende standaard maximumsnelheid van 50 km/h weer van kracht werd. Aldus is de sanctie terecht opgelegd voor overtreding van artikel 20, aanhef en onder a, van het RVV 1990. De omstandigheid dat er in dit geval ook een sanctie opgelegd had kunnen worden voor overtreding van artikel 62 van het RVV 1990 in samenhang met bord A1, maakt dit niet anders. Het hof heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat het sanctiebedrag voor beide gedragingen hetzelfde is.

16. Met betrekking tot het verweer van de betrokkene dat de afstand tussen de plaats van inwerkingtreding van de maximumsnelheid en de meetlocatie wel erg klein is, overweegt het hof dat in artikel 2.2 van de Aanwijzing - voor zover relevant - is bepaald dat bij een snelheid van 50 km/h de minimale afstand tussen de plaats waarop de lagere maximumsnelheid ingaat en de meetlocatie 140 meter moet zijn. In het onderhavige geval was het bord A1 met daarop "50", op grond waarvan de lagere maximumsnelheid was gaan gelden, geplaatst bij hectometerpaal 50.2. De snelheidsmeting vond plaats ter hoogte van hectometerpaal 50.5. Het hof stelt vast dat de snelheidsmeting daarmee voldoet aan de in de Aanwijzing genoemde minimumafstand. Het verweer van de betrokkene wordt derhalve verworpen.

17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Nu het hof ook overigens geen reden ziet de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen, zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.

18. Niet gebleken is van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.