Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1497

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
WAHV 200.168.750
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding. Werkzaamheden gemachtigde kunnen niet redelijkerwijs geacht worden in het belang van de betrokkene te zijn verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.168.750

21 februari 2017

CJIB 170571436

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 22 januari 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
kantoorhoudende te [kantoorplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat kantonrechter heeft miskend dat de officier van justitie een termijn voor het indienen van gronden had moeten geven en dat de kantonrechter heeft miskend dat de officier niet van de hoorplicht af kon zien.

2. Uit het dossier blijkt het volgende. De gemachtigde heeft op 25 april 2013 beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking, waarbij hij de CVOM verzoekt om hem enkele documenten te openbaren. Vooruitlopend op de gronden die de gemachtigde na het bestuderen van de opgevraagde stukken zal aanvullen, waarvoor hij de CVOM verzoekt een termijn te stellen, geeft de gemachtigde aan dat de betrokkene zich niet in de beslissing kan vinden, maakt hij bezwaar tegen de in rekening gebrachte administratiekosten en verzoekt hij te worden gehoord. Bij beslissing van 23 juli 2013 heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard.

3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde, hoewel hij daarom heeft verzocht, geen termijn is gegeven voor het aanvullen van de gronden. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen het hof in zijn arrest van 22 december 2016 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:10365) heeft overwogen, is het hof van oordeel dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen. De overige bezwaren van de gemachtigde tegen deze beslissingen behoeven geen bespreking meer.

4. Vervolgens dient het hof het beroep tegen de inleidende beschikking te beoordelen.

5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 110,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 15 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op
23 maart 2013 om 12.28 uur op de trajectcontrole A4 rechts te Leidschendam met het voertuig met het kenteken [kenteken].

6. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de betrokkene regelmatig op zijn snelheidsmeter heeft gekeken en op de teller niet harder dan 110 km/h reed, dat op de teller een afwijking zit en dat de betrokkene daarom niet harder kan hebben gereden dan 105 km/h.

7. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van de factoren tijd en afstand.

Gemeten (afgelezen) snelheid : 119 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid : 115 km per uur.

Toegestane snelheid : 100 km per uur.

Overschrijding met : 15 km per uur.”

8. Voorts bevinden zich in het dossier foto's van de gedraging. Uit de gegevens die bij de foto's staan vermeld blijkt dat de foto's zijn gemaakt op de in de inleidende beschikking genoemde datum, tijd en plaats en dat het voertuig voorzien van kenteken [kenteken] met een (ongecorrigeerde) snelheid van 119 km/h heeft gereden.

9. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De enkele stelling dat de betrokkene regelmatig op zijn snelheidsmeter heeft gekeken en op de teller niet harder dan 110 km/h reed, dat op de teller een afwijking zit en dat de betrokkene daarom niet harder kan hebben gereden dan 105 km/h, is daartoe onvoldoende. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond.

10. Voorts maakt de gemachtigde bezwaar tegen de opgelegde administratiekosten. Hierbij merkt de gemachtigde op dat hij niet de legitimiteit van de administratiekosten bestrijdt, maar stelt dat de bevoegdheid tot het opleggen van de administratiekosten nimmer is toebedeeld aan enig bevoegd gezag.

11. Ingevolge artikel 22, tweede lid, van de WAHV worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften gegeven met betrekking tot de inning van de administratieve sancties, die in ieder geval betrekking hebben op de administratiekosten. Ingevolge artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 is degene aan wie een administratieve sanctie wordt opgelegd administratiekosten verschuldigd. De omvang van deze kosten wordt bepaald bij ministeriële regeling. Op de betaling van de administratiekosten zijn de artikelen van dit besluit betreffende de betaling van de administratieve sanctie, het toezicht en de verantwoording van de gelden van overeenkomstige toepassing. De administratiekosten worden samen met de administratieve sanctie in rekening gebracht.

12. Anders dan de betrokkene kennelijk meent, zijn de administratiekosten van rechtswege verschuldigd en is geen sprake van het delegeren van een bevoegdheid tot het opleggen hiervan.

13. Omdat de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie worden vernietigd, is vervolgens de vraag aan de orde of termen aanwezig zijn voor toewijzing van het verzoek om de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden. Het hof kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het hoger beroep, het beroep bij de kantonrechter en het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het hof stelt in dit verband het volgende vast. De gemachtigde klaagt erover dat de officier van justitie geen gelegenheid heeft geboden tot het indienen, dan wel aanvullen van beroepsgronden. In het administratief beroepschrift heeft de gemachtigde verzocht hem in de gelegenheid te stellen om, na het opvragen en bestuderen van stukken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), de gronden aan te vullen. Het administratief beroepschrift bevat geen enkele inhoudelijke grond tegen het opleggen van de administratieve sanctie. In zijn beroepschrift bij de kantonrechter heeft de gemachtigde gesteld: "Nu de gronden die reeds in het administratief beroep naar voren zijn gebracht, niet volledig inhoudelijk zijn beoordeeld, worden deze gronden in dit beroepschrift herhaald en dienen deze als hier integraal ingevoegd te worden beschouwd". De gemachtigde heeft in het beroepschrift bij de kantonrechter wederom geen enkele inhoudelijke grond tegen het opleggen van de administratieve sanctie naar voren gebracht. Niet valt in te zien dat de gemachtigde het pas in hoger beroep aangevoerde argument, dat de betrokkene regelmatig op zijn snelheidsmeter heeft gekeken en op de teller niet harder dan 110 km/h reed, dat op de teller een afwijking zit en dat de betrokkene daarom niet harder kan hebben gereden dan 105 km/h, niet reeds in zijn beroepschrift bij de officier van justitie had kunnen aanvoeren. Daarvoor waren de Wob-stukken in ieder geval niet nodig. Evenmin valt in te zien waarom hij dit argument niet in de procedure bij de kantonrechter naar voren heeft gebracht. Naar het oordeel van het hof kan de wijze waarop de gemachtigde in dit geval heeft geprocedeerd niet redelijkerwijs geacht worden het belang van de betrokkene te dienen. Dit belang is gelegen in de vernietiging van de bij de inleidende beschikking opgelegde administratieve sanctie. Ook bij een uiterst terughoudende toetsing, kunnen de door de gemachtigde verrichte werkzaamheden niet redelijkerwijs geacht worden hierop gericht te zijn geweest. Aldus is niet gebleken van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die de betrokkene redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarom zal het hof het verzoek tot vergoeding van proceskosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 12 februari 2013 gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek tot het vergoeden van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Vlieger-Dijkstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.