Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1472

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
200.140.3874
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot beëindiging partneralimentatie. Samenleven met gehuwde partner; restrictieve uitleg. Lotsverbondenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.140.384

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 339126)

beschikking van de familiekamer van 21 februari 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende in [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man,

advocaat: mr. E.H. Schijven-Bours te Arnhem,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.J. Hoff te Haarlem.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 17 maart 2015 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Blijkens voormelde tussenbeschikking zouden partijen zich tot een mediator wenden om in onderling overleg tot een oplossing te komen.

1.3

Het verdere verloop blijkt uit:

- een journaalbericht namens mr. Schijven-Bours van 1 juli 2015;

- een journaalbericht van mr. Hoff van 2 juli 2015;

- een journaalbericht van mr. Schijven-Bours van 27 oktober 2015;

- een journaalbericht van mr. Hoff van 27 oktober 2015;

- een journaalbericht van mr. Hoff van 28 juni 2016, waarin wordt verzocht in verband met

het beëindigen van de mediation een beschikking te geven;

- een journaalbericht van mr. Schijven-Bours van 1 juli 2016 met bijlage, in welke bijlage wordt verzocht om voortzetting van de mondelinge behandeling.

1.4

Op 16 december 2016 is de mondelinge behandeling voortgezet. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het huwelijk van partijen is op 24 oktober 2008 ontbonden door echtscheiding.

2.2

Partijen zijn de ouders van:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum ] 1999, en

- [kind 2], geboren op [geboortedatum ] 2001,

over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

2.3

Bij echtscheidingsbeschikking van 2 juli 2008 heeft de rechtbank Amsterdam, kort gezegd, bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2008 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 590,- per kind per maand en met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw € 225,- per maand zal voldoen.

2.4

De man en de vrouw hebben hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking van 2 juli 2008. Bij beschikking van 14 mei 2013 heeft het gerechtshof Amsterdam, voor zover van belang, de behoefte van de vrouw vastgesteld op € 3.576,- netto per maand, de beschikking van 2 juli 2008 vernietigd voor zover het de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw betreft en die door de man te betalen uitkering met ingang van 24 oktober 2008 op € 3.317,- per maand bepaald.

2.5

De man heeft bij verzoekschrift, ingekomen op 28 februari 2013 bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, verzocht:
- primair voor recht te verklaren dat de verplichting van de man tot betaling van

partneralimentatie vanaf de echtscheiding van rechtswege is geëindigd op grond van artikel

1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW);
- subsidiair de partneralimentatie op nihil te stellen of tot een zodanig bedrag te verlagen als

de rechtbank redelijk acht op grond van a. grievend gedrag en b. verminderde behoefte van

de vrouw in verband met het feit dat [A.], de vriend van de vrouw, in een groot deel

van de relevante kosten van de vrouw deelt of geacht kan worden te delen;
- de vrouw te veroordelen de reeds ontvangen alimentatie terug te betalen, de kosten van een

door de man ingeschakeld recherchebureau te betalen, alsmede de vrouw te veroordelen in

de kosten van de procedure, waaronder de buitengerechtelijke kosten.

2.6

Bij brief van 16 augustus 2013 heeft de man, naar aanleiding van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2013 en onder aanvulling van rechtsgronden, verzocht om de behoefte van de vrouw vast te stellen op € 2.750,- bruto per maand dan wel op een in redelijkheid vast te stellen bedrag en om de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te wijzigen en op nihil vast te stellen vanaf de datum van echtscheiding dan wel op een bedrag en vanaf een datum als de rechtbank juist acht.

2.7

Bij beschikking van 24 december 2014 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, het aanvullende verzoek van de man, waarvan de beslissing in de bestreden beschikking van 16 oktober 2013 was aangehouden, afgewezen.

3 De omvang van het geschil

3.1

In geschil is de (hoogte van de) bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 16 oktober 2013:
- het verzoek van de man voor recht te verklaren dan wel vast te stellen dat de verplichting

van de man tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van

rechtswege is geëindigd, afgewezen;

- de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek de beschikking van de rechtbank

Amsterdam van 2 juli 2008 te wijzigen in die zin dat de bijdrage van de man in de kosten

van levensonderhoud van de vrouw op nihil dient te worden gesteld;

- het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen aan de man de kosten van het

onderzoeksbureau te vergoeden, afgewezen;

- het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure

afgewezen,
alsmede de behandeling van de door de man bij brief van 16 augustus 2013 ingediende

overige verzoeken aangehouden.

3.2

De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

16 oktober 2013.
In grief 1 betoogt de man dat het feit dat [A.] nog gehuwd is geen beletsel kan en mag zijn om ter zake van de samenwoning van de vrouw en [A.] artikel 1:160 BW toe te passen.

Grief 2 ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van de man door de rechtbank in zijn in eerste aanleg gedane subsidiaire verzoeken.

Grief 3 ziet op de afwijzing van de rechtbank om de vrouw te veroordelen in de kosten van het rechercherapport.

Grief 4 is een zogenoemde ‘veeggrief’ en ziet op de beslissing van de rechtbank onder verwijzing naar de grieven 1 tot en met 3.

De man verzoekt het hof de beschikking van 16 oktober 2013 te vernietigen en, opnieuw beschikkende, alsnog:

primair, voor recht te verklaren dan wel vast te stellen dat het feit dat de nieuwe partner van de vrouw gehuwd is valt onder de reikwijdte van artikel 1:160 BW en te verklaren voor recht dan wel vast te stellen dat de verplichting van de man tot betaling van een uitkering van levensonderhoud aan de vrouw met ingang van 24 oktober 2008, althans vanaf een datum die het hof redelijk acht, van rechtswege is geëindigd;

subsidiair, de man ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot nihilstelling van zijn bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw althans deze bijdrage te matigen tot € 1.000,- bruto per maand, althans tot een bedrag dat het hof redelijk en rechtvaardig acht, met ingang van

24 oktober 2008, althans vanaf een zodanig moment als het hof redelijk acht;

meer subsidiair: de man ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek inhoudende dat de netto huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw verminderd dient te worden met € 830,- per maand uitgaande van het referentiejaar 2008 althans met een bedrag dat het hof redelijk acht, alsmede (naar het hof begrijpt, primair, subsidiair en meer subsidiair) de vrouw voorts te veroordelen om de door haar in de periode van 24 oktober 2008 tot de datum van de te geven beschikking ontvangen alimentatie aan de man terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de respectieve data waarop deze bijdragen door de man zijn voldaan, dan wel vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank Midden-Nederland (28 februari 2013), tot de datum der algehele voldoening en met veroordeling van de vrouw om binnen zeven dagen na dagtekening van deze beschikking de kosten van het onderzoeksbureau aan de man te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente tot de datum der algehele voldoening, kosten rechtens.

Ter mondelinge behandeling heeft de man zijn verzoek verbeterd en heeft hij verzocht om hem ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot beëindiging van zijn bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en dit verzoek toe te wijzen, althans deze bijdrage te matigen tot € 1.000,- per maand, althans tot een zodanig bedrag als het hof redelijk en rechtvaardig acht, met ingang van 24 oktober 2008, althans vanaf een zodanig moment als het hof redelijk en rechtvaardig acht, alsmede de partneralimentatie vast te stellen op

€ 1.961,- bruto per maand over de periode van 24 oktober 2008 tot 1 juli 2013, een en ander zoals omschreven in de pleitnota.

3.3

De vrouw heeft de grieven van de man bestreden. Zij verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn hoger beroep te verwerpen met veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties.

3.4

Het hof zal de grieven in hoger beroep per onderwerp bespreken.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief dient te worden uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de partneralimentatie. Het gevolg is immers dat de betrokkene, die met een ander is gaan samenleven als waren zij gehuwd, definitief een aanspraak op levensonderhoud verliest (HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:724).

4.2

De man voert in zijn eerste grief aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de situatie van de vrouw, te weten samenwoning met een gehuwde man, niet onder de reikwijdte van artikel 1:160 BW valt. De man is van oordeel dat hij voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat de vrouw en [A.] samenleven als waren zij gehuwd. Ter onderbouwing daarvan heeft de man onder meer een recherche-rapport van Recherchebureau Van Esdonk Beveiliging & Recherche van 11 april 2012 overgelegd. Volgens de man is het geen beletsel voor toepassing van artikel 1:160 BW dat [A.] nog gehuwd is. De vrouw betwist dit en verwijst naar de bestaande leer inhoudende dat een concubinaat met een gehuwde partner niet valt binnen de reikwijdte van 1:160 BW.

4.3

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat artikel 1:160 BW restrictief moet worden uitgelegd en dat samenleving met een gehuwde partner niet onder 1:160 BW valt zolang diens huwelijk voortduurt.

De man heeft weliswaar ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een uitspraak van het gerechtshof ’s Hertogenbosch van 8 maart 2012 (ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9239), maar deze uitspraak is vernietigd bij uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:2058). Uit laatstgenoemde uitspraak, die van redelijk recente datum is en waarin de recente maatschappelijke ontwikkelingen zijn verdisconteerd, volgt dat zelfs indien het huwelijk van de nieuwe partner van de alimentatiegerechtigde in stand zou worden gehouden om de alimentatieverplichting te laten voorduren, er geen sprake is van een situatie die valt binnen de reikwijdte van artikel 1:160 BW. In zo’n situatie geeft volgens de Hoge Raad nog steeds de doorslag dat toepasselijkheid van artikel 1:160 BW zou leiden tot het ingrijpende gevolg dat de alimentatieplicht definitief komt te vervallen, hoewel de positie van de alimentatiegerechtigde ten opzichte van de nieuwe partner wezenlijk verschilt van die in een huwelijk. Een relatie van de alimentatiegerechtigde met een derde kan wel een rol spelen bij de bepaling van de behoeftigheid. Gelet op het vorenstaande faalt grief 1.

4.4

In grief 2 voert de man aan dat hij zijn verzoeken en rechtsgronden in eerste aanleg bij brief van 16 augustus 2013 heeft aangevuld. Deze wijziging kwam niet in de plaats van het in het verzoekschrift geformuleerde subsidiaire verzoek, maar was een aanvulling op hetgeen hij reeds primair en subsidiair in zijn verzoekschrift had verzocht. De rechtbank heeft hem ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn subsidiaire verzoek tot wijziging van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2008.

4.5

Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of de rechtbank hem terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn oorspronkelijke subsidiaire verzoek. Het staat de man immers vrij om in hoger beroep zijn in eerste aanleg gedane verzoek, al dan niet gewijzigd, wederom te doen.

Nu de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2008 is vernietigd bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2013, zodat bij wijziging van eerstgenoemde beschikking geen belang meer bestaat, moet worden aangenomen dat de man thans wijziging beoogt van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2013.

4.6

Ten aanzien van hetgeen de man in hoger beroep subsidiair en meer subsidiair heeft verzocht (zie 3.2) overweegt het hof als volgt. Aan het subsidiair verzochte heeft de man ten grondslag gelegd dat er sprake is van grievend gedrag van de zijde van de vrouw en aan het meer subsidiair verzochte dat de (aanvullende) behoefte van de vrouw op een lager bedrag moet worden vastgesteld omdat de vrouw de kosten van levensonderhoud deelt met [A.]. De rechtbank heeft zich in de bestreden beschikking niet over deze punten uitgelaten, omdat deze verzoeken onderdeel waren van het oorspronkelijke subsidiaire verzoek waarin de rechtbank de man niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.7

Ten aanzien van het beroep van de man op beëindiging dan wel verlaging van de onderhoudsverplichting op grond van grievend gedrag van de vrouw oordeelt het hof als volgt.

Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of van een gewezen echtgenoot een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de andere echtgenoot kan worden gevergd en, zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet-financiële factoren, zoals gedragingen van de onderhoud verzoekende echtgenoot. De vraag die daarbij speelt, is of van de alimentatieplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij of zij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde, met andere woorden, of de lotsverbondenheid die uit het ontbonden huwelijk voortvloeit als gevolg van gedragingen van de onderhoudsgerechtigde als verbroken kan worden beschouwd. In uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten, welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 1:157 BW, een einde is gekomen op de grond dat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door die ander niet langer kan worden gevergd. Daarbij geldt als criterium of voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die maken dat van de alimentatieplichtige in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd in het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde te voorzien. Lotsverbondenheid is een van de voornaamste gronden voor de alimentatieplicht. Niet het mogelijke wangedrag op zichzelf, maar het bij dergelijk gedrag vorderen van steun kan in dat geval een zo kwetsende bejegening van de aangesprokene opleveren, dat van deze laatste betaling van onderhoud moreel niet of niet ten volle kan worden gevergd.

De enkele constatering van grievend gedrag jegens de onderhoudsplichtige van degene die alimentatie verzoekt, leidt niet zonder meer er toe dat de lotsverbondenheid niet langer aanwezig is. Voorts dient in het algemeen terughoudendheid te worden betracht bij de beoordeling of zich in een concreet geval een zodanige situatie voordoet, mede gelet op het onherroepelijke karakter van een beëindiging of matiging van de onderhoudsverplichting. Ook dient te worden bedacht dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel een echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Niet iedere vorm van wangedrag dan wel grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen.

4.8

In het onderhavige geval heeft de man in eerste aanleg en in hoger beroep betoogd, de vrouw heeft dit bestreden, dat de vrouw zich zodanig jegens hem heeft gedragen dat er een einde is gekomen aan de hiervoor bedoelde lotsverbondenheid. De man heeft in dit verband een uiteenzetting gegeven van hetgeen er in zijn beleving is voorgevallen. Volgens de man heeft de vrouw jarenlang de relatie tussen haar en [A.] verzwegen/betwist om haar aanspraak op alimentatie te behouden. Ook heeft zij de kinderen betrokken in de onderlinge strijd. De vrouw heeft de contactregeling tussen de man en de kinderen jarenlang gefrustreerd en de man op diverse manieren in een kwaad daglicht gezet. Voorts heeft de vrouw het de man financieel en emotioneel moeilijk gemaakt door beslagen te laten leggen en incassomaatregelen te laten treffen .

Anders dan de man is het hof, nog daargelaten of het geschetste gedrag voldoende is komen vast te staan, van oordeel dat dit gedrag van de vrouw niet zodanig grievend is dat in redelijkheid niet meer van de man kan worden gevergd om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De genoemde feiten zijn in het licht van de strijd die een echtscheiding helaas soms oplevert niet zo uitzonderlijk dat deze dienen te leiden tot de conclusie dat de lotsverbondenheid is komen te ontbreken. Daarbij komt dat vast staat dat de vrouw de bevoegdheid had om tot incasso en beslaglegging over te gaan in verband met achterstallige alimentatie. Onvoldoende is onderbouwd dat de vrouw zich bij de wijze waarop zij van haar bevoegdheid gebruik heeft gemaakt heeft misdragen.

4.9

Volgens de man dient de (aanvullende) behoefte van de vrouw met een bedrag van

€ 830,- per maand naar beneden te worden bijgesteld, omdat zij de kosten van huishouding kan delen met [A.]. Hij heeft betoogd dat de uitgaven van de vrouw veel hoger waren dan haar inkomsten uit arbeid en alimentatie en dat het redelijk en rechtvaardig is ervan uit te gaan dat [A.] voor 4/7-deel bijdroeg in de kosten van de vrouw. Naar het oordeel van het hof heeft de man in het licht van de betwisting van de vrouw onvoldoende onderbouwd dat [A.] (die met zijn echtgenote een gezin te onderhouden had) substantieel bijdroeg in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, in welke periode(s) dat gebeurde en dat daarmee de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie in die periode(s) aanzienlijk is verminderd. De berekening van de man is (voornamelijk) gebaseerd op aannames. Bovendien sluit het feit dat [A.] bepaalde (extra) kosten voor de vrouw voldoet geenszins uit dat zij de kosten van haar eigen normale levensonderhoud zelf voldoet.

4.10

De man heeft in zijn inleidend verzoekschrift (subsidiair) onder II verzocht om terugbetaling door de vrouw van te veel betaalde partneralimentatie, onder III om veroordeling van de vrouw tot betaling van de kosten van het door hem ingeschakelde recherchebureau en onder IV om veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

Nu de grieven 1 en 2 van de man falen en het hof in deze procedure dus niet tot de slotsom komt dat de man te veel partneralimentatie aan de vrouw heeft betaald, dient het verzoek tot terugbetaling van de man te worden afgewezen. Ook grief 3 met betrekking tot de kosten van het recherchebureau slaagt niet, omdat de verzoeken ter ondersteuning waarvan de man het rapport door het recherchebureau heeft laten vervaardigen worden afgewezen.

5 De slotsom

5.1

De grieven zijn tevergeefs voorgesteld. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en beslissen als hierna zal worden vermeld.

5.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

16 oktober 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.J. Haarhuis, A. Smeeïng-van Hees en R. Feunekes, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. A. Smeeïng-van Hees en is op 21 februari 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.