Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1451

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2017
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
21-007316-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt het door veroordeelde en haar mede-veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 102.304,-. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep past het hof een korting van € 5.000,- toe op de betalingsverplichting. Aan veroordeelde wordt aldus hoofdelijk de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 97.304,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007316-14

Uitspraak d.d.: 20 februari 2017

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 2 december 2014 met parketnummer 18-950033-14 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van de beslissing waarvan beroep.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en haar raadsvrouw, mr. J.A.M. Kwakman, naar voren is gebracht.

De beslissing waarvan beroep

Uitspraak rechtbank

De rechtbank heeft het door veroordeelde (samen met mede-veroordeelde Withagen) wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 102.304,76 en de hoofdelijke verplichting tot betaling aan de Staat op datzelfde bedrag vastgesteld.

Vernietiging van de beslissing waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat deze wordt vernietigd. Het hof zal opnieuw rechtdoen.

De beslissing van het hof op de vordering

Vordering openbaar ministerie

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 125.898,50. Daarnaast vorderde de officier de oplegging van een betalingsverplichting ter hoogte van dat bedrag.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 102.304,76. Zij heeft daarnaast de oplegging van een betalingsverplichting ter hoogte van dat bedrag gevorderd.

Veroordeling in de hoofdzaak in hoger beroep

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 20 februari 2017 (parketnummer 21-007317-14) ter zake van de feiten 1 primair onder A, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair onder A, 6 primair en 7 veroordeeld tot straf.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel in hoger beroep

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezen verklaarde handelen en uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan, financieel voordeel heeft genoten.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 102.304,-. Het hof komt als volgt tot deze schatting:

Wederrechtelijk verkregen voordeel uit bewezenverklaarde en andere feiten:

  • -

    Door [slachtoffer 1] betaald geldbedrag € 950,00

  • -

    Door [slachtoffer 2] betaald geldbedrag € 2.000,00

  • -

    Door [slachtoffer 3] betaald geldbedrag € 300,00

  • -

    Door [slachtoffer 4] betaald geldbedrag € 1.000,00

  • -

    Door [slachtoffer 5] betaald geldbedrag € 2.000,00

  • -

    Door [slachtoffer 6] betaald geldbedrag € 500,00

  • -

    Door [slachtoffer 7] betaald geldbedrag € 200,00

  • -

    Door [slachtoffer 8] betaald geldbedrag (totaal) € 104.000,00

  • -

    Door [slachtoffer 9] betaald geldbedrag € 150,00

  • -

    Door [slachtoffer 10] betaalde geldbedrag (totaal) € 9.500,00

  • -

    Door [slachtoffer 11] betaalde geldbedrag (totaal) € 2.000,00

  • -

    Door [slachtoffer 12] betaald geldbedrag € 10.000,00

  • -

    Door [slachtoffer 13] betaald geldbedrag € 500,00

  • -

    Door [slachtoffer 14] betaald geldbedrag € 200,00

  • -

    Door [slachtoffer 15] betaald geldbedrag (totaal) € 11.000,00

  • -

    Door [slachtoffer 16] betaald geldbedrag € 500,00

Totaal: € 144.800,00

Niet aan veroordeelde/mede-veroordeelde ten goede gekomen wederrechtelijk voordeel:

  • -

    [slachtoffer 17] € 1.000,00

  • -

    [slachtoffer 18] en zijn vrouw € 4.000,00

  • -

    [slachtoffer 19] € 12.025,00

  • -

    [slachtoffer 20] € 1.646,50

  • -

    [slachtoffer 21] € 230,00

Totaalbedrag: € 18.901,50

In rechte toegekende en betaalde vorderingen benadeelde partij:

  • -

    [slachtoffer 10] € 9.557,89

  • -

    [slachtoffer 12] € 10.000,00

  • -

    [slachtoffer 5] € 2.000,00

  • -

    [slachtoffer 22] € 571,76

  • -

    [slachtoffer 1] € 964,09

  • -

    [slachtoffer 13] € 500,00

Totaalbedrag: € 23.593,74

Het door veroordeelde en mede veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt:

€ 144.800,00 - € 18.901,50 - € 23.593,74 = € 102.304,76, afgerond op € 102.304,-.

Verzoek tot matiging van de betalingsverplichting aan de Staat

De raadsvrouw verzoekt het hof gebruik te maken van de matigingsbevoegdheid. Deze bevoegdheid beperkt zich niet alleen tot draagkrachtkwesties. Ten eerste heeft veroordeelde nooit de beschikking gehad over het geld en daarnaast is het geld vergokt en uitgegeven door de mede-veroordeelde. Ten tweede kan er, ingeval van een door twee of meer personen gepleegd feit, niet automatisch van worden uitgegaan dat het voordeel gemeenschappelijk is geweest.

Oordeel van het hof

Het hof ziet geen aanleiding het geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel te matigen. Het hof stelt de betalingsverplichting vast op het hierboven genoemde bedrag. Niet aannemelijk is dat veroordeelde dit bedrag nu en in de toekomst niet zal kunnen betalen. Daarnaast heeft het hof in de strafzaak bewezen verklaard dat zij in nauwe en bewuste samenwerking met haar mede-veroordeelde de feiten heeft gepleegd. Op grond van artikel 36e, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht is zij samen met haar mede-veroordeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de betalingsverplichting.

Redelijke termijn

De redelijke termijn waarbinnen de zaak in hoger beroep in beginsel dient te zijn afgedaan, is met een duur van ruim twee maanden overschreden. Gelet op deze overschrijding zal het hof conform het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, NJ 2008, 358 een korting op het te ontnemen bedrag toepassen van € 5.000,-.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 102.304,00 (honderdtweeduizend en driehonderdvier euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 97.304,00 (zevenennegentigduizend en driehonderdvier euro).

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt te vervallen indien en voor zover de mededader(s) van veroordeelde hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. L.G. Wijma en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse, griffier,

en op 20 februari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. P.L.M van Gorkom is buiten staat dit arrest te ondertekenen.