Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1450

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2017
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
21-007317-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het medeplegen van afdreiging, meermalen gepleegd, en het medeplegen van gewoontewitwassen tot een gevangenisstraf voor de duur van 313 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts beslist het hof op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Het hof verwerpt de door de verdediging gevoerde verweren met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging nu niet is voldaan aan de eisen die zijn gesteld aan de klacht in de zin van artikelen 64 e.v. Wetboek van Strafrecht en 164 e.v. Wetboek van Strafvordering. Er zou volgens de verdediging onder meer onrechtmatig opsporingsonderzoek zijn verricht en tevens is de klachttermijn van drie maanden als bedoeld in artikel 66 Wetboek van Strafrecht overschreden. Ook acht het hof - in tegenstelling tot de verdediging – medeplegen wel bewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007317-14

Uitspraak d.d.: 20 februari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 2 december 2014 met parketnummer 18-950033-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 januari 2017 en 6 februari 2017, en overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

- vernietiging van het vonnis waarvan beroep;

- bewezenverklaring van het onder 1 primair A en B, 2 primair, 3 primair, 5 primair A en B, 6 primair en 7 ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht;

- hoofdelijke toewijzing van de vorderingen benadeelde partijen.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw,

mr. J.A.M. Kwakman, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof vat - in lijn met het daaromtrent door de verdediging ingenomen standpunt - de tenlastelegging aldus op dat de feiten genoemd onder 1 primair onder B en 5 primair onder B zijn aan te merken als afzonderlijk ten laste gelegde strafbare feiten. Voor deze feiten is verdachte door de rechtbank vrijgesproken. Voor zover het hoger beroep is gericht tegen deze vrijspraken, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 3 primair en 6 primair ten laste gelegde. Verdachte is vrijgesproken van de feiten 1 primair onder B en 5 primair onder B en de rechtbank heeft de feiten 1 primair onder A, 2 primair, 3 subsidiair, 4 primair, 5 primair onder A, 6 subsidiair en 7 bewezen verklaard. Ter zake van die bewezen verklaarde feiten is aan verdachte opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en deelname aan een COVA training. Tevens heeft de rechtbank beslist op de vorderingen benadeelde partij.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep - voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen - vernietigen. Het hof komt tot andere beslissingen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, de bewezenverklaring en de strafoplegging. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, en voor zover in hoger beroep aan de orde, ten laste gelegd dat:

1. primair
A

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 11 februari 2013 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s), welke bedreiging hierin bestond dat zij en/of een van haar mededader(s) in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 1] heeft gedreigd aan de politie en of de pers en/of de familie en/of het personeel van die [benadeelde 1] afbeeldingen, waarop te zien is dat [benadeelde 1] zich heeft afgetrokken voor een webcam en/of zijn geslachtsdeel heeft getoond bekend te maken, althans openbaar te maken en/of dat verdachte en/of een van zijn mededader(s) bij die [benadeelde 1] de indruk heeft doen ontstaan dat verdachte en/of een van haar mededader(s) een meisje van 12 jaar oud was;

en/of

B

zij in of omstreeks de periode van 13 mei 2013 tot en met 22 maart 2014, op verschillende tijdstippen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaarmaking van een geheim, [benadeelde 1] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s), welke bedreiging hierin bestond dat zij en/of een van haar mededader(s) in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 1] zich voordeed als een zusje van degene die in 2013 chatcontact met die [benadeelde 1] heeft gehad en/of geld voor schoonmaakwerkzaamheden moest ontvangen en/of zich voordeed als ene [naam 1] en/of dat hij geld moest overboeken naar een bankrekening van ene [naam 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1.
subsidiair
A

dat [medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 11 februari 2013 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in Nederland, (meermalen) (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan die [medeverdachte] , welke bedreiging hierin bestond dat die [medeverdachte] in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 1] heeft gedreigd aan de politie en/of de pers en/of de familie en/of het personeel van die [benadeelde 1] afbeeldingen, waarop te zien is dat [benadeelde 1] zich heeft afgetrokken voor een webcam en/of zijn geslachtsdeel heeft getoond bekend te maken, althans openbaar te maken en/of dat verdachte en/of een van zijn mededader(s) bij die [benadeelde 1] de indruk heeft doen ontstaan dat de verdachte een meisje van 12 jaar oud was;

en/of

B

dat [medeverdachte] in of omstreeks de periode van 13 mei 2013 tot en met 22 maart 2014, op verschillende tijdstippen, ter uitvoering van het door die [medeverdachte] voorgenomen misdrijf om, (meermalen) (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [benadeelde 1] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan [medeverdachte] , welke bedreiging hierin bestond dat die [medeverdachte] in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 1] zich voordeed als een zusje van degene die in 2013 chatcontact met die [benadeelde 1] heeft gehad en/of geld voor schoonmaakwerkzaamheden moest ontvangen en/of zich voordeed als ene [naam 1] en/of dat hij geld moest overboeken naar een bankrekening van ene [naam 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

tot en/of bij het plegen van welke poging tot misdrij(f)(v)en verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 22 maart 2014 te [plaats 1] , althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- achter de webcam plaats te nemen en zodoende die [benadeelde 1] het idee te geven dat hij met een minderjarig meisje chatte/sprak en/of

- met die [benadeelde 1] te chatten/spreken en/of

- met die [benadeelde 1] te bellen en/of

- informatie over die [benadeelde 1] op te zoeken op internet;

1.
meer subsidiair.
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 11 februari 2014 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) (telkens) [benadeelde 1] door een of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met een of meer feitelijkhe(i)d(en) wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, immers heeft/hebben verdachte en/of een van haar mededader(s) die [benadeelde 1] gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s) en/of dat zij en/of een van zijn mededader(s) in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 1] heeft gedreigd aan de politie en of de pers en/of de familie en/of het personeel van die [benadeelde 1] , afbeeldingen, waarop te zien is dat [benadeelde 1] zich heeft afgetrokken voor een webcam en/of zijn geslachtsdeel heeft getoond bekend te maken, althans openbaar te maken, en/of dat verdachte en/of een van haar mededader(s) bij die [benadeelde 1] de indruk heeft doen ontstaan dat verdachte en/of een van haar mededader(s) een meisje van 12 jaar oud was;

2
primair.
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 20 februari 2014 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [benadeelde 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s), welke bedreiging hierin bestond dat zij en/of een van zijn mededader(s) in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 2] heeft gedreigd aan Pownews afbeeldingen, waarop te zien is dat die [benadeelde 2] zich heeft afgetrokken voor een webcam en/of zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam en/of (in combinatie met) privé- en/of werkgegevens van die [benadeelde 2] , bekend te maken en/of bij Jeugdzorg zijn kinderen aan te melden en/of dat verdachte en/of een van haar mededader(s) bij die [benadeelde 2] de indruk heeft doen ontstaan dat verdachte en/of een van haar mededader(s) een meisje van (ongeveer) 12 jaar oud, althans minderjarig was;

2 subsidiair.

dat [medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 20 februari 2014 te [plaats 1] , althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [benadeelde 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan die [medeverdachte] , welke bedreiging hierin bestond dat die [medeverdachte] in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 2] heeft gedreigd aan Pownews afbeeldingen, waarop te zien is dat [benadeelde 2] zich heeft afgetrokken voor een webcam en/of zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam en/of zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam en/of (in combinatie met) privé- en/of werkgegevens van die [benadeelde 2] bekend te maken, en/of bij jeugdzorg zijn kinderen aan te melden en/of dat die [medeverdachte] bij die [benadeelde 2] de indruk heeft doen ontstaan dat die [medeverdachte] een meisje van (ongeveer) 12 jaar oud, althans minderjarig was;

tot en/of bij het plegen van welke poging tot misdrijf verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 20 februari 2014 te [plaats 1] , althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- achter de webcam plaats te nemen en zodoende die [benadeelde 1] het idee te geven dat hij met een minderjarig meisje chatte/sprak en/of

- met die [benadeelde 2] te chatten/spreken en/of

- met die [benadeelde 2] te bellen en/of

- informatie over die [benadeelde 2] op te zoeken op internet;

2 meer subsidiair.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 20 februari 2014 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[benadeelde 2] door een of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met een of meer feitelijkhe(i)d(en) wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft/hebben verdachte en/of een van haar mededader(s) die [benadeelde 2] gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s) en/of dat hij en/of een van haar mededader(s) in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die bedreiging hierin bestond dat zij en/of een van haar mededader(s) in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 2] heeft gedreigd aan Pownews afbeeldingen, waarop te zien is dat die [benadeelde 2] zich heeft afgetrokken voor een webcam en/of zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam en/of (in combinatie met) privé- en/of werkgegevens van die [benadeelde 2] , bekend te maken en/of bij Jeugdzorg zijn kinderen aan te melden en/of dat verdachte en/of een van haar mededader(s) bij die [benadeelde 2] de indruk heeft doen ontstaan dat verdachte en/of een van haar mededader(s) een meisje van (ongeveer) 12 jaar oud, althans minderjarig was;

3 primair.
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 27 januari 2014 te [plaats 1] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en / of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [benadeelde 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s), welke bedreiging hierin bestond dat zij en/of een van zijn mededader(s) in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 3] heeft gedreigd aan de werkgever en/of collega's van die [benadeelde 3] afbeeldingen, waarop te zien is dat die [benadeelde 2] zich heeft afgetrokken voor een webcam en/of chatgesprekken met een compromitterende inhoud en/of dat [benadeelde 3] een ontmoeting heeft gehad met verdachte en/of haar mededader bekend te maken, althans openbaar te maken en/of dat verdachte en/of een van haar mededader(s) bij die [benadeelde 3] de indruk heeft doen ontstaan dat verdachte en/of een van haar mededader(s) een meisje van (ongeveer) 12 jaar oud, althans minderjarig was;

3 subsidiair.

dat [medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 27 januari 2014 te [plaats 1] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] , althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [benadeelde 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan die [medeverdachte] , welke bedreiging hierin bestond dat die [medeverdachte] in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 3] heeft gedreigd aan de werkgever en/of collega's van die [benadeelde 3] afbeeldingen, waarop te zien is dat [benadeelde 3] zich heeft afgetrokken of zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam en/of chatgesprekken met seksueel compromitterende inhoud en/of dat [benadeelde 3] een ontmoeting heeft gehad met die [medeverdachte] bekend te maken, althans openbaar te maken en/of dat die [medeverdachte] bij die [benadeelde 3] de indruk heeft doen ontstaan dat die [medeverdachte] een meisje van (ongeveer) 12 jaar oud, althans minderjarig, was;

tot en/of bij het plegen van welke poging tot misdrijf verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 27 januari 2014 te [plaats 1] , althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- achter de webcam plaats te nemen en zodoende die [benadeelde 3] het idee te geven dat hij met een minderjarig meisje chatte/sprak en/of

- met die [benadeelde 3] te chatten/spreken en/of

- met die [benadeelde 3] te bellen en/of

- informatie over die [benadeelde 3] op te zoeken op internet;

3 meer subsidiair.
zij in of omstreeks de periode van 18 mei 2014 tot en met 19 mei 2014 te [plaats 1] en/of [plaats 5] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde 4] door een of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met een of meer feitelijkhe(i)d(en) wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft/hebben verdachte en/of een van zijn mededader(s) voornoemde [benadeelde 4] gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s) en/of dat zij en/of een van zijn mededader(s) in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 4] heeft gedreigd aan de familie en/of werkgever van die [benadeelde 4] afbeeldingen, waarop te zien is dat die [benadeelde 4] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam door te geven/bekend te maken, althans openbaar te maken en/of dat verdachte en/of een van haar mededader(s) bij die [benadeelde 4] de indruk heeft doen ontstaan dat verdachte en/of een van haar mededader(s) een meisje van 12 jaar oud, althans minderjarig was.

4 primair.
zij in of omstreeks de periode van 18 mei 2014 tot en met 19 mei 2014 te [plaats 1] en/of [plaats 5] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [benadeelde 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s), welke bedreiging hierin bestond dat zij en/of een van haar mededader(s) in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericbt(en) met/aan die [benadeelde 4] heeft gedreigd aan de familie en/of werkgever van die [benadeelde 4] afbeeldingen, waarop te zien is dat die [benadeelde 4] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam bekend te maken, althans openbaar te maken en/of dat verdachte en/of een van haar mededader(s) bij die [benadeelde 4] de indruk heeft doen ontstaan dat verdachte en/of een van haar mededader(s) een meisje van 12 jaar oud, althans minderjarig was;

4 subsidiair.
dat [medeverdachte] in of omstreeks de periode van 18 mei 2014 tot en met 19 mei 2014 te [plaats 1] en/of [plaats 5] , althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [benadeelde 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan die [medeverdachte] , welke bedreiging hierin bestond dat die [medeverdachte] in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 3] heeft gedreigd aan de familie en/of werkgever van die [benadeelde 4] afbeeldingen, waarop te zien is dat [benadeelde 4] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam bekend te maken, althans openbaar te maken en/of dat die [medeverdachte] bij die [benadeelde 4] de indruk heeft doen ontstaan dat die [medeverdachte] een meisje van (ongeveer) 12 jaar oud, althans minderjarig, was;

tot en/of bij het plegen van welke poging tot misdrijf verdachte, in of omstreeks de periode van 18 mei 2014 tot en met 19 mei 2014 te [plaats 1] , althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- achter de webcam plaats te nemen en zodoende die [benadeelde 4] het idee te geven dat hij met een minderjarig meisje chatte/sprak en/of

- met die [benadeelde 4] te chatten/spreken en/of

- informatie over die [benadeelde 4] op te zoeken op internet;

4
meer subsidiair.

zij in of omstreeks de periode van 18 mei 2014 tot en met 19 mei 2014 te [plaats 1] en/of [plaats 5] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde 4] door een of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met een of meer feitelijkhe(i)d(en) wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft/hebben verdachte en/of een van haar mededader(s) voornoemde [benadeelde 4] gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s) en/of dat zij en/of een van haar mededader(s) in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 4] heeft gedreigd aan de familie en/of werkgever van die [benadeelde 4] afbeeldingen, waarop te zien is dat die [benadeelde 4] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam door te geven/bekend te maken, althans openbaar te maken en/of dat verdachte en/of een van haar mededader(s) bij die [benadeelde 4] de indruk heeft doen ontstaan dat verdachte en/of een van haar mededader(s) een meisje van 12 jaar oud, althans minderjarig was;

5 primair.
A

zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 31 mei 2013 te [plaats 1] en/of [plaats 6] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [benadeelde 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s), welke bedreiging hierin bestond dat hij en/of een van haar mededader(s) in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 5] heeft gedreigd aan zakelijke contactpersonen van die [benadeelde 5] afbeeldingen, waarop te zien is dat die [benadeelde 5] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam bekend te maken, althans openbaar te maken en/of dat verdachte en/of een van haar mededader(s) bij die [benadeelde 5] de indruk heeft doen ontstaan dat verdachte en/of een van haar mededader(s) een meisje van 13 jaar oud, althans minderjarig was;

en/of

B

zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot en met 31 mei 2014 te [plaats 1] en/of [plaats 6] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [benadeelde 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s), welke bedreiging hierin bestond dat zij en/of een van haar mededader(s) in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailberichten(en) met/aan die [benadeelde 5] zich voordeed als iemand van een stichting die een naheffing deed over de betaling die in 2013 had plaatsgevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5 subsidiair.

A

dat [medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 31 mei 2013 te [plaats 1] en/of [plaats 6] , althans in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [benadeelde 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan die [medeverdachte] , welke bedreiging hierin bestond dat die [medeverdachte] in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 5] heeft gedreigd aan zakelijke contactpersonen van die [benadeelde 5] , afbeeldingen, waarop te zien is dat [benadeelde 5] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam bekend te maken, althans openbaar te maken en/of dat [medeverdachte] bij die [benadeelde 5] de indruk heeft doen ontstaan dat die [medeverdachte] een meisje van 13 jaar oud was, althans minderjarig was,

en/of

B

dat [medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 31 mei 2014, te [plaats 1] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door die [medeverdachte] voorgenomen misdrijf om, (meermalen) (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [benadeelde 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan [medeverdachte] , welke bedreiging hierin bestond dat die [medeverdachte] in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 5] zich voordeed als iemand van een stichting die een naheffing deed over de betaling die in 2013 had plaatsgevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

tot en/of bij het plegen van welke poging tot misdrijf verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 31 mei 2014 te [plaats 1] , althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- achter de webcam plaats te nemen en zodoende die [benadeelde 5] het idee te geven dat hij met een minderjarig meisje chatte/sprak en/of

- met die [benadeelde 5] te chatten/spreken en/of

- informatie over die [benadeelde 5] op te zoeken op internet;

5 meer subsidiair.

zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 31 mei 2013 te [plaats 1] en/of [plaats 6] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde 5] door een of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met een of meer feitelijkhe(i)d(en) wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft/hebben verdachte en/of een van haar mededader(s) die [benadeelde 5] gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s) en/of dat zij en/of een van zijn mededader(s) in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 5] heeft gedreigd aan zakelijke contactpersonen van die [benadeelde 5] afbeeldingen, waarop te zien is dat die [benadeelde 5] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam bekend te maken, althans openbaar te maken en/of dat verdachte en/of een van haar mededader(s) bij die [benadeelde 5] de indruk heeft doen ontstaan dat verdachte en/of een van haar mededader(s) een meisje van 13 jaar oud, althans minderjarig was;

6 primair.

zij in of omstreeks de periode van 1 december 2013 tot en met 15 februari 2014 te [plaats 1] en/of [plaats 7] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim,

[benadeelde 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s), welke bedreiging hierin bestond dat zij en/of een van zijn mededader(s) in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 6] heeft gedreigd aan de familie en vrienden van die [benadeelde 6] afbeeldingen, waarop te zien is dat die [benadeelde 6] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam bekend te maken, althans openbaar te maken en/of dat verdachte en/of een van haar mededader(s) bij die [benadeelde 6] de indruk heeft doen ontstaan dat verdachte en/of een van haar mededader(s) een meisje van 12 jaar oud, althans minderjarig was;

6 subsidiair.

dat [medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 december 2013 tot en met 15 februari 2014 te [plaats 1] en/of [plaats 7] , althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [benadeelde 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan die [medeverdachte] , welke bedreiging hierin bestond dat die [medeverdachte] in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 6] heeft gedreigd aan de familie en vrienden van die [benadeelde 6] afbeeldingen, waarop te zien is dat [benadeelde 6] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam bekend te maken, althans openbaar te maken en/of dat die [medeverdachte] bij die [benadeelde 6] de indruk heeft doen ontstaan dat die [medeverdachte] een meisje van 12 jaar oud, althans minderjarig, was;

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte, in of omstreeks de periode van

1 december 2013 tot en met 15 februari 2014 te [plaats 1] , althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- achter de webcam plaats te nemen en zodoende die [benadeelde 6] het idee te geven dat hij met een minderjarig meisje chatte/sprak en/of

- met die [benadeelde 6] te chatten/spreken en/of

- informatie over die [benadeelde 6] op te zoeken op internet;

6 meer subsidiair.

zij in of omstreeks de periode van 1 december 2013 tot en met 15 februari 2014 te [plaats 1] en/of [plaats 7] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde 6] door een of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met een of meer feitelijkhe(i)d(en) wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft/hebben verdachte en/of een of van haar mededader(s) die [benadeelde 6] gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s) en/of dat zij en/of een van haar mededader(s) in een of meer msn- en/of chat- en/of telefoongesprek(ken) en/of e-mailbericht(en) met/aan die [benadeelde 6] heeft gedreigd aan de familie en/of werkgever van die [benadeelde 6] afbeeldingen, waarop te zien is dat die [benadeelde 6] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam bekend te maken, althans openbaar te maken en/of dat verdachte en/of een van haar mededader(s) bij die [benadeelde 6] de indruk heeft doen ontstaan dat verdachte en/of een van haar mededader(s) een meisje van 12 jaar oud, althans minderjarig was;

7.
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 20 mei 2014, te [plaats 1] en/of elders in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en haar mededader(s) stelselmatig en/of op meerdere tijdstippen in voornoemde periode (telkens): - van een of meer voorwerp(en), te weten geldbedrag(en) tot een bedrag van 144.800,00 euro, de werkelijke aard, de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) is/zijn op dat/die geldbedrag(en) en/of wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden heeft/had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wisten dat genoemde voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf; en/of -een of meerdere voorwerp(en), te weten eerder genoemde geldbedrag(en) tot een bedrag van 144.800,00 euro heeft overgedragen, omgezet en/of van die geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of haar mededader(s) wisten dat genoemde voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

en/of

een of meerdere voorwerpen, te weten een auto, merk Audi, type A6,

en/of

een gouden ketting,

heeft verworven, voorhanden gehad en/of van die voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wisten dat genoemde voorwerp(en) middellijk afkomstig waren/was uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vervolging

De verdediging heeft ten aanzien van het gros van de ten laste gelegde feiten de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn recht tot vervolging bepleit.

Kort samengevat richt deze grief zich op de omstandigheid dat:

  • -

    de aangevers niet uit eigen beweging door de politie benaderd hadden mogen worden en het onderzoek niet zo uitvoerig had mogen plaatsvinden zonder dat de politie zich verzekerd wist van een wens tot vervolging,

  • -

    klachten buiten de klachttermijn en dus te laat zijn ingediend,

  • -

    de wel tijdige aangifte in het onder 2 ten laste gelegde feit niet als een klacht kan worden beschouwd,

  • -

    uit de in de overige zaken buiten de klachttermijn gedane aangiftes noch uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de aangevers binnen de termijn van drie maanden na bekendwording met het misdrijf strafvervolging wensten,

  • -

    de drie maanden-termijn een dwingende termijn is waarvan niet afgeweken mag worden en

  • -

    met het in subsidiaire vorm ten laste leggen van dreiging met feitelijkheden het klachtvereiste op ongeoorloofde wijze is omzeild.

Bovenstaande grieven leiden - aldus de verdediging - ertoe dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn recht tot vervolging van verdachte ter zake van de feiten 2 tot en met 6 omdat er onrechtmatig uitvoerig en stelselmatig opsporingsonderzoek heeft plaatsgevonden. Dit onderzoek heeft tot aangiftes geleid, terwijl politie en justitie er bewust van waren dat het klachtdelicten betroffen. Daardoor hebben zij bewust de wettelijke regels voor opsporing overtreden.

Ditzelfde geldt ook voor het onder feit 7 ten laste gelegde witwassen, voor zover de bewijsmiddelen voor een eventuele bewezenverklaring voortvloeien uit voornoemd onrechtmatig opsporingsonderzoek.

Eveneens is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de ten laste gelegde feiten 1A, 2, 3, 5A en 6 wegens het niet tijdig indienen van klachten door de aangevers.

Ook de in subsidiaire vorm ten laste gelegde dreiging met feitelijkheden lijdt onder het gemis van een tijdige klacht zodat ook ten aanzien van deze onderdelen van de beschuldiging het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

Het hof overweegt met betrekking tot de ter discussie gestelde ontvankelijkheidsvraag het volgende:

In de ten laste gelegde feiten 1 tot en met 6 is telkens primair ten laste gelegd de in artikel 318 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde afdreiging. Uit het derde lid van dit artikel blijkt dat dit misdrijf niet wordt vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het gepleegd is. In de literatuur wordt deze strafbaarstelling aangeduid als een absoluut klachtdelict. De regeling van de formele vereisten waaraan een dergelijke klacht moet voldaan wordt aangetroffen in de artikelen 64 tot en met 67 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 164 tot en met 166 van het Wetboek van Strafvordering. In de onderhavige casus is met name het gestelde in artikel 66 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht van belang: ‘De klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.’

Is de stelling van de verdediging juist dat aangevers in zaken waarin een verdenking bestaat van een klachtdelict door de politie niet uit eigen beweging mogen worden benaderd zonder dat er al een klacht voorhanden is? Had het onderzoek zo uitvoerig mogen plaatsvinden zonder klacht?

In het onderhavige opsporingsonderzoek zijn inderdaad vermoedelijke slachtoffers van afdreiging door de politie benaderd. Dit was eerst nadat de aangever in het onder 1 ten laste gelegde feit zichzelf op 18 mei 2013 bij de politie had gemeld en aangifte deed van het feit dat hij naar aanleiding van een seksueel getinte chatsessie en direct daarop volgende webcamcontact op 10 januari 2013 gechanteerd werd met opnamen waarop te zien was dat hij seksuele handelingen bij zichzelf verrichtte. Op 27 maart 2014 doet aangever - nadat hij wederom is benaderd om geld - aanvullend aangifte. Hierop volgt onderzoek door de politie. Rekeningnummers worden onderzocht, telefoonnummers worden achterhaald en een IP-adres van de aan aangever verzonden e-mails wordt bekend. De onderzoeksresultaten leiden naar verdachte en haar partner. Met name door onderzoek van bankafschriften toebehorend aan beide verdachten ontstaat het vermoeden van het bestaan van mogelijke andere slachtoffers.

De verwachting dat bij een aangifte als hierboven genoemd opsporingsambtenaren hun ogen zouden dienen te sluiten voor andere verdenkingen enkel vanwege de omstandigheid dat het vermoeden een strafbaar feit betreft dat aangemerkt moet worden als een (absoluut) klachtdelict, acht het hof een overspanning van het straf- en strafprocesrecht. Net zoals het ridicuul is te veronderstellen dat wanneer dergelijke verdenkingen uit opsporingsonderzoek naar boven komen, van opsporingsambtenaren moet worden verwacht dat zij in lijdzaamheid gaan afwachten totdat een mogelijk afgedreigde zichzelf spontaan bij de politie meldt voor het doen van een aangifte. Er is geen rechtsregel die verbiedt dat in het geval van een klachtdelict de politie mogelijke slachtoffers van strafbare feiten benadert en hen wijst op mogelijkheden die het strafrecht voor hen kan bieden of zelfs uitdrukkelijk tot het doen van een aangifte uitnodigt. Dit zou eerst anders zijn wanneer tegen een door een mogelijke slachtoffer uitdrukkelijk kenbaar gemaakte wens in, (nadere) onderzoekhandelingen zouden worden geïnitieerd dan wel voortgezet. Hieromtrent is door de verdediging niets gesteld. Het strafdossier biedt voor een dergelijke stelling ook geen aanknopingspunt. Sterker, uit het dossier blijkt dat er meerdere slachtoffers zijn die er voor hebben gekozen géén aangifte te doen en dat deze keuze door de politie ook is gerespecteerd. Het hof is voorts van oordeel dat de stelling van de raadsvrouw dat er nimmer onderzoek door de politie mag of opsporingshandelingen mogen worden verricht, voordat er klacht is gedaan, geen steun vindt in het recht. Het hof vindt voor dit oordeel steun in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 1997, NJ 1997, 474. Het door de verdediging gevoerde verweer op dit punt wordt dan ook verworpen.

Ditzelfde gaat op voor de grief dat wat betreft het onder 7 ten laste gelegde witwassen het vervolgingsrecht aan het openbaar ministerie zou ontbreken vanwege een verondersteld bewust overtreden van wettelijke regels voor opsporing in de hierboven omschreven zin: deze grief vindt haar weerlegging in de zojuist gedane vaststelling dat van een dergelijke overtreding niet is gebleken.

Een andere grief van de verdediging luidt dat niet is voldaan aan dwingende wettelijke vereisten die worden gesteld aan de klacht als vervolgingsvoorwaarde. Het hof stelt vast dat in het geval van feit 4 (zaak [benadeelde 4] ) binnen de gestelde termijn van die maanden klacht is gedaan. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten geldt dat buiten de in artikel 66, eerste lid, Sr gestelde termijn aangifte c.q. klacht is gedaan.

Uit de Memorie van Toelichting bij het Wetboek van Strafrecht blijkt dat de ambtshalve vervolging als regel werd gezien. Afhankelijkheid van de vervolging van de wil van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, is gezien als een zeldzame uitzondering. De enige grond die de wetgever daarvoor erkent is dat het bijzonder belang (van een individu) groter nadeel lijdt door het instellen van de vervolging dan het openbaar belang door het niet instellen (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede druk, 1891, eerste deel, p. 493). Dat bijzondere belang is erin gelegen dat ongewenste ruchtbaarheid, die door de door het delict getroffene als pijnlijk wordt ervaren, wordt vermeden. In meer hedendaagse bewoordingen kan worden vooropgesteld dat de regeling van de klacht ten gunste van het slachtoffer dient te gelden. De regeling is niet in het leven geroepen als waarborg voor de belangen van de verdachte. Het voorkomen van de blootstelling van een verdachte aan opsporing of vervolging is immers in dit kader geen rechtens te respecteren belang.

De jurisprudentie van de afgelopen decennia overziend, leert dat het belang van de aan de klacht gestelde formaliteiten sterk zijn gerelativeerd. Zelfs het ontbreken van een klacht hoeft niet zonder meer tot de niet ontvankelijkheid te leiden van het openbaar ministerie. Naar huidig recht kan worden gesteld dat de essentie bij klachtdelicten is dat vaststaat - of vastgesteld wordt - dat vervolging van verdachte de instemming geniet van het slachtoffer/de aangever. Indien een klacht ontbreekt of wanneer sprake is van tekortkomingen bij het in acht nemen van vormvoorschriften, kan dit worden hersteld. Doorslaggevend is of op grond van het strafdossier en/of het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam komt vast te staan dat het ook de uitdrukkelijke wens is van het slachtoffer dat het openbaar ministerie vervolging instelt tegen de verdachte.

Voornoemde relativering van de aan de strafklacht gestelde vereisten heeft naar het oordeel van het hof ook gevolgen voor de stelling van de verdediging dat de in artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht genoemde drie maanden-termijn van indienen van zo’n klacht door de klachtgerechtigde van dwingende aard is. Termijnoverschrijding zou – als het aan de verdediging ligt - als rechtsgevolg moeten hebben dat het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie is vervallen. Het hof verwerpt deze stelling.

De eerste reden is dat wanneer bij gemis van een formele klacht desondanks naar geldend recht vervolgbaarheid mogelijk blijft indien de wens tot vervolging op andere feiten en omstandigheden kan worden gebaseerd, de aan de formele klacht gekoppelde termijn van indiening ook aan belang inboet althans van geringere zelfstandige betekenis wordt.

De tweede reden is gelegen in de aard van het aan verdachte verweten feit: kort gezegd het afdreigen van geld onder bedreiging van bekendmaking van compromitterende afbeeldingen. Het zou ongerijmd zijn dat naarmate de ‘afdreiger’ door intimidatie en het zaaien van angst er beter in slaagt de afgedreigde te weerhouden van een stap naar de politie, hij - de verdachte - zijn vervolgbaarheid in voor hem positieve zin zou kunnen beïnvloeden in het geval hij daarmee een periode van drie maanden van inactiviteit van het slachtoffer weet te bewerkstelligen. Een dergelijk standpunt druist in tegen de geest van de wettelijke regeling van de klacht, die juist de belangen van de afgedreigde beoogt te beschermen.

De derde reden is van basale aard: een verdachte behoort geen profijt te hebben van een regeling die niet tot zijn bescherming, maar enkel tot bescherming van slachtoffers in het leven is geroepen.

Doorslaggevend voor de vraag of er sprake is van een rechtsgeldige klacht is als gezegd de wens van de afgedreigde dat er vervolging plaatsvindt. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de zes verschillende aangevers van een uitdrukkelijke vervolgingswens blijkt.

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feitencomplex blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens bij de aangever uit de omstandigheid dat aangever tot twee keer toe aangifte heeft gedaan, nog afzonderlijk stukken heeft overgelegd en een vordering benadeelde partij heeft ingediend die hij ook nog eens in hoger beroep heeft gehandhaafd.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feiten complex blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens bij de aangever uit de omstandigheid dat aangever nadat hij zijn verklaring op 24 april 2014 heeft afgelegd een periode van elf dagen bedenktijd heeft genomen alvorens hij de aangifte ondertekent op 5 mei 2014, hij 2 juni 2014 een klacht heeft ingediend alsmede een vordering benadeelde partij, die hij ook nog eens in hoger beroep heeft gehandhaafd.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feitencomplex blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens bij de aangever uit de omstandigheid dat aangever in zijn aangifte aangeeft geïnformeerd te willen worden over het verloop en de afdoening van de strafzaak, hij zijn schade wenst te verhalen in het strafproces en zich later ook heeft gesteld als benadeelde partij en voorts dat hij ook daadwerkelijk een klacht heeft ingediend. et zou onge

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde feit is hiervoor reeds overwogen dat tijdig aangifte en klacht is gedaan.

Met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde feitencomplex blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens bij de aangever uit de omstandigheid dat aangever in zijn aangifte aangeeft geïnformeerd te willen worden over het verloop en de afdoening van de strafzaak en voeging in het strafproces wil om zijn schade te verhalen, hij bij zijn aangifte ook direct een klacht indient, zich later ook voegt als benadeelde partij en deze vordering ook nog eens in hoger beroep heeft gehandhaafd.et zou onge

Met betrekking tot het onder 6 ten laste gelegde feitencomplex blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens bij de aangever uit de omstandigheid dat aangever in zijn aangifte aangeeft geïnformeerd te willen worden over het verloop en de afdoening van de strafzaak, voeging wenst in het strafproces om zijn schade te verhalen, hij tegelijkertijd bij zijn aangifte een klacht indient, zich later ook voegt als benadeelde partij en deze vordering ook nog eens in hoger beroep heeft gehandhaafd. et zou onge

Tot slot overweegt het hof met betrekking tot de grief dat met het in subsidiaire vorm ten laste leggen van bedreiging met feitelijkheden het klachtvereiste op ongeoorloofde wijze is omzeild, dat dit verweer geen bespreking behoeft. Het hof komt, zoals hierna zal blijken, tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde feiten.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het ten laste gelegde onder 1 t/m 6

Ook ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens verdachte aangevoerd dat zij enkel en alleen op verzoek van de medeverdachte (met wie zij een relatie heeft en met wie zij samenwoont) achter de webcam heeft plaatsgenomen omdat ze pedofielen wilde aanspreken op hun gedrag en dat zij geen enkele notie had van de afdreiging die mogelijk door haar vriend is gepleegd. De raadsvrouw heeft op grond hiervan bepleit dat er geen sprake is van oogmerk/opzet en dat evenmin aangenomen kan worden dat medeplegen aan de orde is.

Van medeplegen is naar geldend slechts sprake indien blijkt van een bewuste en nauwe samenwerking, waarbij de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage die de verdachte aan het delict heeft geleverd, van voldoende gewicht is geweest.

Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. Louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde delict, alsmede het louter instemmen daarmee rechtvaardigt geen bewijs van medeplegen.

De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit.

Het hof volgt de verdediging niet in haar standpunt dat er geen toereikend bewijs is voor het daderschap van verdachte. De rechtbank heeft in haar vonnis een aantal feiten en omstandigheden opgesomd die zij redengevend acht voor het bewijs van het ten laste gelegde. Het hof neemt deze over.

Meerdere aangevers hebben geldbedragen overgemaakt op de bankrekening die op naam van verdachte stond.

De pinpas behorend bij die bankrekening werd (ook) door verdachte gebruikt.

Vanaf die bankrekening zijn substantiële bedragen contant opgenomen door te pinnen en zijn er bedragen overgeboekt naar de bankrekening van de medeverdachte, terwijl verdachte ook op de hoogte was.

In het dossier bevinden zich foto’s waarop verdachte met aanzienlijke hoeveelheden contant geld is te zien.

Op 10 februari 2013 heeft verdachte contact opgenomen met haar bank omdat ze een groot geldbedrag (€7.500,--) verwachtte, terwijl op 10 en 11 februari 2013 een van de aangevers dat bedrag op haar bankrekening stortte.

Verdachte was in [plaats 4] aanwezig tijdens een ontmoeting met één van de aangevers, op het moment dat de medeverdachte deze aangever heeft afgedreigd, terwijl zij samen met de medeverdachte bewust voor deze ontmoeting naar [plaats 4] is gegaan; bij deze afdreiging bevond verdachte zich in de nabijheid van aangever zodat zij hiervan wetenschap heeft.

Verdachte heeft, al dan niet vermomd met een pruik, plaatsgenomen achter de webcam om zich te tonen aan de aangevers en heeft zich met hen onderhouden, terwijl korte tijd daarna vanuit dezelfde woning de afdreiging plaatsvond door een geldbedrag te eisen;

Een aantal aangevers is gebeld door een vrouw om de afdreiging te bewerkstelligen. Verdachte ontkent deze vrouw te zijn geweest en hult zich omtrent de identiteit van deze vrouwen in een stilzwijgen. Het zouden vriendinnen van haar partner kunnen zijn, maar nadere gegevens kunnen niet worden verstrekt.

Uit bovenvermelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat zij vanwege haar wetenschap het oogmerk tot bevoordeling heeft gedeeld met haar medeverdachte en dat zij tezamen en in vereniging met hem door afdreiging grote geldbedragen heeft afgetroggeld van aangevers.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het ten laste gelegde onder 7

Het hof acht eveneens toereikend wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor een bewezenverklaring van het ten laste gewoontewitwassen. Uit wat hierboven is overwogen omtrent het bewijs van de afdreigingen blijkt dat het hof een andere opvatting huldigt over het ook aan verdachte kunnen toerekenen van wetenschap met betrekking tot de criminele herkomst van het afgedreigde geld dan de verdediging voorstaat.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair onder A, 2 primair, 3 primair, 4 primair,

5 primair onder A, 6 primair en 7 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair onder A.

zij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 11 februari 2013 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander meermalen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met openbaring van een geheim,

[benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan die [benadeelde 1] , welke bedreiging hierin bestond dat zij en haar medeverdachte in msn- en chat- en e-mailberichten met/aan die [benadeelde 1] heeft gedreigd aan de politie en/of de pers en/of de familie en/of het personeel van die [benadeelde 1] afbeeldingen, waarop te zien is dat [benadeelde 1] zich heeft afgetrokken voor een webcam en/of zijn geslachtsdeel heeft getoond bekend te maken.

2 primair.
zij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 20 februari 2014 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim,

[benadeelde 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan die [benadeelde 2] , welke bedreiging hierin bestond dat zij en haar medeverdachte in chat- en telefoongesprekken en e-mailberichten met/aan die [benadeelde 2] heeft gedreigd aan Pownews afbeeldingen, waarop te zien is dat die [benadeelde 2] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam en (in combinatie met) privé- en/of werkgegevens van die [benadeelde 2] , bekend te maken en/of bij Jeugdzorg zijn kinderen aan te melden.

3
primair.
zij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 27 januari 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim,

[benadeelde 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan die [benadeelde 3] , welke bedreiging hierin bestond dat zij en/of haar medeverdachte in een telefoongesprek die [benadeelde 3] heeft gedreigd aan de werkgever en/of collega's van die [benadeelde 3] chatgesprekken met een compromitterende inhoud en/of dat [benadeelde 3] een ontmoeting heeft gehad met verdachte en haar medeverdachte, bekend te maken.

4 primair:
zij in de periode van 18 mei 2014 tot en met 19 mei 2014 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met de openbaring van een geheim, [benadeelde 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan die [benadeelde 4] , welke bedreiging hierin bestond dat zij en haar medeverdachte in chat- en telefoongesprekken en e-mailberichten met/aan die [benadeelde 4] heeft gedreigd aan de familie en/of werkgever van die [benadeelde 4] afbeeldingen, waarop te zien is dat die [benadeelde 4] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam bekend te maken.

5
primair onder A.
zij in de periode van 1 mei 2013 tot en met 31 mei 2013 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met de openbaring van een geheim, [benadeelde 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan die [benadeelde 5] , welke bedreiging hierin bestond dat zij en haar medeverdachte in chat- en telefoongesprekken en e-mailberichten met/aan die [benadeelde 5] heeft gedreigd aan zakelijke contactpersonen van die [benadeelde 5] afbeeldingen, waarop te zien is dat die

[benadeelde 5] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam, bekend te maken.

6
primair.
zij in de periode van 1 december 2013 tot en met 15 februari 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met de openbaring van een geheim, [benadeelde 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan die [benadeelde 6] , welke bedreiging hierin bestond dat zij en haar medeverdachte in een telefoongesprek en e-mailbericht met/aan die [benadeelde 6] heeft gedreigd aan de familie en vrienden van die [benadeelde 6] afbeeldingen, waarop te zien is dat die [benadeelde 6] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam, bekend te maken.


7.
zij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 20 mei 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en haar medeverdachte stelselmatig en op meerdere tijdstippen in voornoemde periode:

voorwerpen, te weten geldbedragen, verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden zijn op die geldbedragen, terwijl zij en haar medeverdachte wisten dat genoemde voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf;

en

voorwerpen, te weten eerder genoemde geldbedragen overgedragen, omgezet en/of van die geldbedragen gebruik gemaakt, terwijl zij en haar medeverdachte wisten dat genoemde voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf;

en

voorwerpen, te weten een auto, merk Audi, type A6, en een gouden ketting, verworven, voorhanden gehad en van die voorwerpen gebruik gemaakt, terwijl zij en haar medeverdachte wisten dat genoemde voorwerpen middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair onder A, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair onder A en 6 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van afdreiging, meermalen gepleegd.

Het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van gewoontewitwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Hierbij neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich samen met haar medeverdachte meermalen schuldig gemaakt aan afdreiging, in de volksmond chantage genoemd. Verdachte en haar medeverdachte hebben zich telkens op een chatsite begeven. De mannen waarmee werd gechat, hebben tijdens die chatgesprekken uitlatingen gedaan met compromitterende inhoud en/of hun geslachtsdeel voor de webcam laten zien. Door onder meer het tonen van kopieën van die gesprekken en/of webcam beelden, hebben zij deze mannen gechanteerd en hen gedwongen forse geldbedragen over te maken. Als zij niet zouden betalen, zouden de afbeeldingen bekend worden gemaakt bij familie, kennissen en/of collega's. De vrees dat hun handelen bekend zou worden, heeft voor veel onrust bij de aangevers gezorgd. Verdachte heeft aldus een ernstige inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer. Daarnaast heeft zij zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

Het hof houdt rekening met de rol die verdachte in de bewezen verklaarde feiten heeft gespeeld. Zij was weliswaar onmisbaar, maar heeft - ten opzichte van haar medeverdachte - een minder leidende rol in het geheel gehad. Het initiatief ging uit van de medeverdachte.

Uit een uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 19 december 2016 blijkt dat verdachte eenmaal eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dit betreft echter een delict van andere aard.

Tevens houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het rapport van de reclassering d.d. 6 januari 2017.

Uit dit rapport komt kort samengevat naar voren dat de stoornis PDD-NOS een rol kan hebben gespeeld bij de totstandkoming van de delicten. De relatie met haar partner en de manier waarop zij zich opstelde, kunnen gezien worden als de kern van de problematiek. De laatste twee jaren heeft verdachte zich positief ontwikkeld. De reclassering acht haar in staat om zich assertief op te stellen in haar relatie, waardoor zij niet snel weer terecht zal komen in een soortgelijke situatie. Wel zijn er financiële problemen. Het is positief dat er betalingsregelingen zijn getroffen met de slachtoffers. Gezien de huidige situatie ziet de reclassering geen aanleiding voor het opleggen van reclasseringstoezicht. Het advies is om aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Gelet op het feit dat verdachte een tweede kind verwacht en zorg draagt voor haar tweejarige kind, is detentie niet wenselijk. Indien elektronisch toezicht wordt opgelegd, dan worden de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, een locatiegebod en de verplichting om schadevergoeding aan de slachtoffers te betalen, geadviseerd.

De redelijke termijn waarbinnen de zaak in hoger beroep in beginsel dient te zijn afgedaan, is met een duur van ruim twee maanden overschreden.

Alles afwegende, is het hof van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd. Met de oplegging van een andere strafmodaliteit zou de ernst van de feiten worden miskend. Gelet op de persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof echter geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan de duur van het voorarrest, te weten 133 dagen. Aan het voorwaardelijk deel van 180 dagen zal een proeftijd van drie jaren worden verbonden. Daarmee beoogt het hof verdachte ervan te weerhouden wederom stafbare feiten te plegen. Daarnaast zal aan verdachte een taakstraf voor de maximale duur van 240 uren worden opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.357,89. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 9.557,89 . De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht de vordering af te wijzen, voor zover dit ziet op de materiële schade. Daarnaast heeft zij verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair onder A bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De medeverdachte heeft de ten laste van hem in eerste aanleg hoofdelijk toegewezen vordering van [benadeelde 1] voldaan. Verdachte is daarom niet (meer) tot vergoeding van de materiële schade gehouden, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen.

Het hof verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof overweegt hiertoe dat zij zich kan verenigen met de motivering van de rechtbank op dit punt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.030,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht de vordering af te wijzen, voor zover dit ziet op de materiële schade. Daarnaast heeft zij verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De medeverdachte heeft de ten laste van hem in eerste aanleg hoofdelijk toegewezen vordering van [benadeelde 2] voldaan. Verdachte is daarom niet (meer) tot vergoeding van de materiële schade gehouden, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen.

Het hof verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof overweegt hiertoe dat zij zich kan verenigen met de motivering van de rechtbank op dit punt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht de vordering af te wijzen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 primair onder A bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De medeverdachte heeft de ten laste van hem hoofdelijk toegewezen vordering van [benadeelde 3] voldaan. Verdachte is daarom niet (meer) tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden afgewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.071,76. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,76. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht de vordering af te wijzen voor zover dit ziet op de materiële schade. Daarnaast heeft zij verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De medeverdachte heeft de ten laste van hem in eerste aanleg hoofdelijk toegewezen vordering van [benadeelde 4] voldaan. Verdachte is daarom niet (meer) tot vergoeding van de materiële schade gehouden, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen.

Het hof verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof overweegt hiertoe dat zij zich kan verenigen met de motivering van de rechtbank op dit punt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.994,09. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 964,05. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht de vordering af te wijzen voor zover dit ziet op de materiële schade. Daarnaast heeft zij verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 primair onder A bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De medeverdachte heeft de ten laste van hem in eerste aanleg hoofdelijk toegewezen vordering van [benadeelde 5] voldaan. Verdachte is daarom niet (meer) tot vergoeding van de materiële schade gehouden, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen.

Het hof verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof overweegt hiertoe dat zij zich kan verenigen met de motivering van de rechtbank op dit punt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht de vordering af te wijzen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 6 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De medeverdachte heeft de ten laste van hem hoofdelijk toegewezen vordering van [benadeelde 6] voldaan. Verdachte is daarom niet (meer) tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 318 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep met betrekking tot het onder

1. primair onder B en het onder 5 primair onder B ten laste gelegde.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair onder A, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair onder A, 6 primair en 7 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair onder A, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair onder A,

6 primair en 7 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 313 (driehonderddertien) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 180 (honderdtachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 9.557,89 (negenduizend vijfhonderdzevenenvijftig euro en negenentachtig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 10.000,00 (tienduizend euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] tot schadevergoeding voor een bedrag van € 2000,00 (tweeduizend euro) af.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 571,76 (vijfhonderdeenenzeventig euro en zesenzeventig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 964,09 (negenhonderdvierenzestig euro en negen cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] tot schadevergoeding voor een bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) af.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. L.G. Wijma en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse, griffier,

en op 20 februari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. P.L.M. van Gorkom is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.