Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1422

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
WAHV 200.167.128
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoorplicht. Drie pogingen tot telefonisch horen is onvoldoende.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2017/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.167.128

20 februari 2017

CJIB 171842152

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 23 januari 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,

kantoorhoudende te [kantoorplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

  1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep onder meer aan dat de kantonrechter ten onrechte onbesproken heeft gelaten dat door de gemachtigde is aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden.

  2. Het hof stelt vast dat de gemachtigde bij brief van 26 december 2013 beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, waarin hij onder andere heeft aangevoerd dat de officier van justitie ten onrechte niet is overgegaan tot het horen van de betrokkene (of zijn gemachtigde).

3. Zoals reeds door de gemachtigde is aangevoerd, is de kantonrechter in diens beslissing in het geheel niet ingegaan op hetgeen door de gemachtigde is aangevoerd omtrent schending van de hoorplicht. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter om deze reden niet in stand kan blijven en zal de bestreden beslissing vernietigen. Ter beoordeling van het hof staat thans het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.

4. Op 12 juni 2013 heeft de gemachtigde beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking, waarbij hij niet heeft verzocht om te worden gehoord. De gemachtigde heeft dit verzoek echter wel gedaan in zijn brief van 28 september 2013, alvorens de officier van justitie op het beroep heeft beslist.

5. Ingevolge artikel 7:16 Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 7, tweede lid, WAHV moet de officier van justitie de indiener van het administratief beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Hij kan daar van afzien indien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, de indiener niet gehoord wil worden of de indiener niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord (volgens het destijds geldende artikel 7:17 van de Awb).

6. De officier van justitie geeft in diens beslissing aan dat er drie pogingen zijn gedaan om de betrokkene (of de gemachtigde) te horen, maar dat deze pogingen geen resultaat hebben gehad. Het beroep is vervolgens ongegrond verklaard.

7. De gemachtigde stelt in zijn beroepschrift bij de kantonrechter dat hij niet bekend is met voornoemde pogingen en is van mening dat het op de weg van de officier van justitie had gelegen om tot een schriftelijk afspraak te komen om het horen mogelijk te maken.

8. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie de betrokkene dan wel de gemachtigde onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord in de onderhavige zaak. Dat er meerdere pogingen zouden zijn gedaan om de betrokkene of de gemachtigde te horen, is daartoe onvoldoende. Gelet hierop kan de beslissing van de officier van justitie niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing - met gegrondverklaring van het beroep daartegen - vernietigen. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

9. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 220,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 7 april 2013 om 09.05 uur op de Haagweg te Rijswijk met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

10. Ten aanzien van de gedraging heeft de gemachtigde aangevoerd dat de betrokkene betwist door rood licht te zijn gereden. Op de foto's van de overtreding is het verkeerslicht slechts deels zichtbaar, waardoor niet is te zien dat het verkeerslicht rood licht uitstraalde. Subsidiair heeft de gemachtigde verzocht de sanctie te matigen in overeenstemming met de ernst van de overtreding.

11. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

12. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

"Door middel van twee foto's van roodlichtapparatuur werd de overtreding fotografisch vastgelegd.
Foto 1: het betreffende voertuig activeert de lus achter de stopstreep cq. het rode verkeerslicht. Op het moment van de overtreding brandde het licht reeds 48 seconden.
Foto 2: circa een seconde later, op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder reed.
De geelfase bedroeg 3 seconden."

13. Tot de stukken van het dossier behoren foto's van de gedraging. De geregistreerde gegevens staan vermeld in het inspiegelbeeld boven de foto's. Op de eerste foto is te zien dat het voertuig met kenteken [kenteken] de stopstreep bijna in zijn geheel is gepasseerd, maar zich nog voor het verkeerslicht bevindt, terwijl het verkeerslicht op dat moment 48 seconden rood licht uitstraalde. De geelfase bedroeg 2,9 seconden. Op de tweede foto, die 0,8 seconden later is genomen, is te zien dat het voertuig het verkeerslicht deels is gepasseerd. Verder blijkt dat als snelheid van het voertuig 30 km/h is gemeten bij het passeren van het verkeerslicht.

13. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat het voertuig van de betrokkene het verkeerslicht is gepasseerd terwijl dit rood licht uitstraalde. Dat op de foto's niet is te zien dat de bovenste lamp van het verkeerslicht rood licht uitstraalt, is daartoe onvoldoende. Uit de inspiegelbeeld vermelde gegevens bij de foto's blijkt immers dat het licht al 48 seconden rood was toen de betrokkene de stopstreep passeerde en dit is naar het oordeel van het hof voldoende om te kunnen vaststellen dat de gedraging is verricht.

13. Ten aanzien van het verzoek van de gemachtigde tot matiging van de sanctie, overweegt het hof dat op grond van artikel 2, derde lid, van de WAHV de hoogte van de sanctie voor elke gedraging is vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze in hoge mate tariefmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken.

13. Door de gemachtigde zijn geen bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld aangevoerd, zodat het hof geen aanleiding ziet om tot matiging van de sanctie over te gaan.

13. Gelet op het vorenstaande wordt het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

13. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraag € 490,- (voor beroepschriften ingediend na 1 januari 2015 zoals te dezen het geval). Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 490,- (= 2 x € 490,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 490,-, over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [gemachtigde] te [kantoorplaats] .

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.