Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1388

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
200.178.821/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinder- en partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.178.821/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/160439/FA RK 14-1821)

beschikking van 14 februari 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.C.M. Koerhuis te Zwolle,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H.C.D. Bos te Arnhem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 17 juli 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 15 oktober 2015;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie(s);

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Koerhuis van 11 mei 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bos van 13 mei 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Koerhuis van 17 mei 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Koerhuis van 5 augustus 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bos van 26 augustus 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bos van 29 augustus 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bos van 1 september 2016 met productie(s).

2.2

De minderjarige [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2000, heeft bij brief van 6 september 2016 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 8 september 2016 plaatsgevonden. Verschenen zijn de vrouw, bijgestaan door mr. Koerhuis, en de man, bijgestaan door mr. Bos en mr. Nijboer. Mr. Koerhuis heeft het woord mede gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen.

2.4

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de mondelinge behandeling het hof te berichten of zij tot overeenstemming zijn gekomen over hetgeen hen verdeeld houdt. Bij journaalberichten van 22 september 2016 hebben mr. Koerhuis en mr. Bos ieder laten weten dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn gehuwd [in] 1996. Het huwelijk is ontbonden [in] 2013. Uit het huwelijk van de man en de vrouw zijn geboren:

- [de minderjarige1] ;

- [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2003, en

- [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ), geboren [in] 2003,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2

Bij beschikking van 4 november 2013, aangevuld op 24 januari 2014, heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van - zoals thans bekend - 19 november 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] € 384,- per kind per maand en als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw € 3.072,- per maand zal voldoen. Deze bijdragen bedragen met ingang van 1 januari 2014 en 1 januari 2015 ingevolge de wettelijke indexering € 387,46 en € 390,56 per kind per maand respectievelijk

€ 3.099,65 en € 3.124,45 per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] (hierna ook: kinderalimentatie) en de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie). De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de bijdrage ten behoeve van de kinderen met ingang van 1 augustus 2014 tot 1 januari 2015 op € 389,- per kind per maand vastgesteld en vanaf 1 januari 2015 op € 296,- per kind per maand en de bijdrage ten behoeve van de vrouw met ingang van 1 augustus 2014 tot 1 januari 2015 op € 2.447,- per maand en vanaf 1 januari 2015 op € 2.579,- per maand.

4.2

De vrouw is met zes grieven en één voorwaardelijke grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 juli 2015. Grief I ziet op de behoefte van de kinderen. Grief II ziet op de zorgkorting. De grieven III en V zien op de draagkracht van de man. De voorwaardelijke grief VII ziet op de terugbetalingsverplichting. De vrouw verzoekt de beschikking van 17 juli 2015 te vernietigen (het hof begrijpt: wat betreft de kinderalimentatie per 1 januari 2015 en wat betreft de partneralimentatie per 1 oktober 2014) en opnieuw recht te doen in hoger beroep zoals omschreven in het petitum van haar appelschrift dat hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Zij heeft tevens haar verzoek vermeerderd.

4.3

De man is op zijn beurt met zes grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Grief 1 ziet op de onderhoudsplicht van de man voor zijn stiefkinderen. Grief 2 ziet op de behoefte van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Grief 3 ziet op de draagkracht van de vrouw. Grief 5 ziet op de behoefte en behoeftigheid van de vrouw. De man verzoekt de beschikking van 17 juli 2015 te vernietigen per 1 augustus 2014 en opnieuw recht te doen, indien nodig onder aanvulling van gronden, zoals omschreven in het petitum van zijn verweer- tevens incidenteel appelschrift. Hij heeft tevens zijn verzoek vermeerderd.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. De grieven IV en VI in het principale appel van de vrouw en de grieven 4 en 6 in het incidentele appel van de man missen zelfstandige betekenis en zullen daarom niet afzonderlijk besproken worden.

5 De motivering van de beslissing

KINDERALIMENTATIE

De behoefte

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van de ouders in de behoefte van de kinderen (in afwijking van wat inmiddels te doen gebruikelijk is) na aftrek van het kindgebonden budget (hierna: KGB) in 2014 € 467,- per kind per maand bedroeg en dat in de periode van 1 augustus 2014 tot 1 januari 2015 van dit bedrag kan worden uitgegaan.

5.2

Tussen partijen is evenmin in geschil dat de behoefte van de kinderen los van het KGB per 1 januari 2015 € 503,46 per kind per maand bedraagt. Met de vrouw is het hof van oordeel dat die behoefte reeds vanaf 1 januari 2015 op dat bedrag moet worden gesteld. Bij prejudiciële beslissing van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het KGB niet in aanmerking dient te worden genomen bij de behoefte van het kind, maar bij de draagkracht van de verzorgende ouder. In tegenstelling tot de man ziet het hof in de omstandigheid dat de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen in de periode van 1 januari 2015 tot 9 oktober 2015 anders luidden, geen reden om het KGB eerst per 9 oktober 2015 buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen. Gelet op de op 9 oktober 2015 gegeven uitleg van de Hoge Raad van artikel 1:392 BW juncto artikel 1:404 lid 1 BW, blijken de per 1 januari 2013 geformuleerde aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen over de wijze waarop de behoefte van een kind aan een bijdrage ten laste van de ouders dient te worden berekend immers achteraf van meet af aan onjuist te zijn geweest.

De draagkracht van de man

* de kosten van de stiefkinderen

5.3

Voor zover de man ook heeft bedoeld de kosten van zijn stiefkinderen ten laste van zijn draagkracht voor een bijdrage aan kinderalimentatie te brengen, overweegt het hof als volgt.

5.4

De man heeft op 7 maart 2014 een geregistreerd partnerschap gesloten met Ineke [C] (hierna: [C] ). Twee van haar minderjarige kinderen staan ingeschreven op het adres van de man en [C] en één op het adres van hun vader.

5.5

De man stelt dat de kosten van zijn drie stiefkinderen ad € 1.500,- per maand en dat het redelijk is deze kosten gelijk toe te rekenen aan de drie onderhoudsplichtigen, zodat daarvan een deel van € 500,- per maand voor zijn rekening komt.

5.6

Indien een persoon verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen en zijn draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, hebben zijn kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden.

5.7

Met de vrouw is het hof echter van oordeel dat [C] en haar ex-partner volledig in de behoefte van de stiefkinderen van de man kunnen voorzien. Op basis van de door de man gestelde bruto jaarinkomens van [C] en haar ex-partner bedraagt hun NBI € 6.446,- respectievelijk € 3.234,- per maand. Ingevolge de tabel van 2015 bedraagt hun draagkracht ten behoeve van kinderalimentatie € 2.546,- respectievelijk € 972,- per maand. Niet ter discussie staat dat de behoefte van de stiefkinderen van de man gezamenlijk € 1.500,- per maand bedraagt. Aldus overstijgt de draagkracht van [C] en haar ex-partner de behoefte van de stiefkinderen van de man met ruimschoots € 2.000,- per maand. Tegen die achtergrond acht het hof het niet redelijk een deel van de kosten van de stiefkinderen van de man ten laste van zijn draagkracht ten behoeve van kinderalimentatie te brengen. Van het surplus kunnen [C] en haar ex-partner ruimschoots de door de man gestelde extra lasten voor zijn stiefkinderen voldoen.

* inkomen

5.8

Het hof zal uitgaan van een draagkracht van de man in 2014 van - overeenkomstig de rechtbank - € 2.816,- per maand, nu de vrouw hiertegen onvoldoende heeft ingebracht, mede in het licht van haar standpunt dat zij de door de rechtbank over de periode van 1 augustus 2014 tot 1 januari 2015 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen laat voor wat het is.

5.9

Nu in de bijgestelde arbeidsovereenkomst van de man en de jaarrekening van het ziekenhuis is uitgegaan van een inkomen over 2015 van de man van € 177.474,- bruto, zal het hof - evenals de vrouw - dit inkomen in aanmerking nemen voor de periode vanaf 1 januari 2015 tot 1 januari 2016. Het hof berekent het NBI van de man over die periode op
€ 7.797,- per maand. Daarbij zijn geen pensioen- en VUT/FPU-premies in aanmerking genomen, nu onduidelijk is of hiermee is rekening gehouden in het bedrag van € 177.474,- bruto. Het hof verwijst naar de aangehechte draagkrachtberekening. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat bij gebreke aan een aangifte inkomstenbelasting 2015 zij niet weet of de man mogelijk betaalde nevenfuncties heeft vervuld, nu zij dit na de betwisting van de man niet nader heeft onderbouwd, ook niet met het inkomen dat in dat geval verdiend zou zijn. De draagkracht van de man berekent het hof over de periode van 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 op 70 % x [7.797,- (0,3 x 7.797,-+ 875)] is afgerond € 3.208,- per maand.

5.10

Partijen zijn het erover eens dat over de periode vanaf 1 januari 2016 dient te worden uitgegaan van een regulier bruto inkomen van de man van € 176.714,-. Derhalve zal het hof dit bedrag in aanmerking nemen voor die periode.

5.11

Anders dan de vrouw ter zitting heeft gesteld, zal het hof het bruto jaarloon van de man niet verhogen met de vaste onkostenvergoeding die de man ontvangt. Op basis van de geldende fiscale regelgeving kan een onkostenvergoeding door de werkgever belastingvrij worden verstrekt voor zover deze geacht wordt te strekken ter bestrijding van kosten die de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking moet maken. Nu de werkgever van de man de onkostenvergoeding onbelast aan de man heeft verstrekt, moet er naar het oordeel van het hof van worden uitgegaan dat hier reële kosten tegenover staan.

5.12

Uit de stukken komt naar voren dat de man vanaf 1 juni 2016 een betaalde nevenactiviteit heeft en dat hij in verband hiermee een bedrag van € 50.000,- bruto per jaar ontvangt, ofwel € 4.166,66 bruto per maand. Voor zover de man heeft gesteld dat zijn

inkomen uit zijn nevenactiviteit een onzekere inkomstenbron is, die buiten beschouwing dient te worden gelaten, volgt het hof hem daarin niet. Het moment van beëindiging van de nevenactiviteit betreft een toekomstige onzekere omstandigheid, waarmee thans geen rekening kan worden gehouden. Derhalve zal het hof vanaf 1 juni 2016 rekening houden met een bedrag van € 4.166,66 bruto per maand aan inkomsten uit de nevenactiviteit van de man.

5.13

Het hof berekent het NBI van de man over de periode van 1 januari 2016 tot 1 juni 2016 op € 7.340,- per maand. Daarbij is uitgegaan van een bedrag van afgerond € 880,- per maand aan pensioenpremie en een VUT/FPU-premie van € 26,- per maand. Het hof verwijst naar de aangehechte berekening. De draagkracht van de man berekent het hof over die periode op 70 % x [7.340,- (0,3 x 7.340,-+ 890)] is afgerond € 2.974,- per maand.

5.14

Het hof berekent het NBI van de man over de periode vanaf 1 juni 2016 op € 9.340,- per maand. Daarbij is uitgegaan van een bedrag van € 880,- per maand aan pensioenpremie en een VUT/FPU-premie van € 26,- per maand. Het hof verwijst naar de aangehechte berekening. De draagkracht van de man berekent het hof over die periode op 70 % x [9.340,- - (0,3 x 9.340,-+ 890)] is afgerond € 3.954,- per maand.

De draagkracht van de vrouw

5.15

Uit de door de vrouw overgelegde aangifte IB 2014 blijkt dat zij in dat jaar afgezien van de partneralimentatie geen inkomen had. Uit de door de vrouw overgelegde aangifte IB 2015 en de aangifte omzetbelasting over januari 2016 blijkt genoegzaam dat de vrouw uit haar eenmanszaak nog geen inkomsten genereert. Ook indien rekening wordt gehouden met het KGB overstijgt het inkomen van de vrouw zowel in 2014, 2015 als in 2016 de laagste categorie van de toepasselijke draagkrachttabel niet. Het hof gaat net als de rechtbank uit van een draagkracht van € 50,- per maand voor drie kinderen. Niet te verwachten is namelijk dat de vrouw binnen afzienbare tijd in staat is een inkomen te verwerven dat boven bijstandsniveau ligt. Het hof neemt daarbij in aanmerking de leeftijd van de vrouw (op dit moment 47 jaar), de situatie op de arbeidsmarkt en de omstandigheid dat de vrouw al geruime tijd, sinds juli 2008, niet meer aan het arbeidsproces heeft deelgenomen. Dat de vrouw een hbo-opleiding heeft afgerond, van 1992 tot medio 2008 32 uur per week bij [D] heeft gewerkt en diverse interne opleidingen heeft gevolgd, maakt het oordeel van het hof in deze niet anders. Het hof acht voorts nog van belang dat de vrouw eveneens nog de zorg heeft over de drie kinderen van partijen (die nu 16 en 13 jaar oud zijn). De omstandigheid dat de kinderen schoolgaand zijn, doet daaraan niet af.

5.16

Anders dan de man heeft gesteld, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof met de overgelegde sollicitaties onderbouwd dat zij zich tot op heden voldoende heeft ingespannen om zelf haar draagkracht te verhogen. Hetgeen de man hierover heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Dat uit de overgelegde sollicitaties blijkt dat de vrouw veelvuldig sollicitatiebrieven naar bedrijven heeft verzonden, die niet of onvoldoende zijn toegespitst op de betreffende functie, maakt het oordeel van het hof op dit moment niet anders. Het hof is evenwel van oordeel dat het op de weg van de vrouw ligt om zich voortaan ook anderszins in te spannen om inkomsten te verwerven. In die zin heeft de man terecht naar voren gebracht dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij zich maximaal inspant om haar verdiencapaciteit te benutten. De vrouw is op 13 augustus 2015 een eenmanszaak gestart genaamd " [E] " (hierna: [E] ). Echter indien haar [E] onvoldoende rendabel is, dient zij ook uit te zien naar betaalde functies elders en mag verwacht worden dat zij onder andere een sollicitatietraining volgt en uitzendbureaus actief benadert om haar kans op een betaalde dienstbetrekking te vergroten. Ook mag van haar verwacht worden dat zij sollicitatiebrieven stuurt die toegespitst zijn op de betreffende functies.

Aandeel van partijen in de kosten van de kinderen

5.17

Op grond van het vorenstaande blijft de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie, zijnde een bedrag van € 389,- per kind per maand, alsmede de door de rechtbank berekende zorgkorting, over de periode van 1 augustus 2014 tot 1 januari 2015 in stand.

5.18

Het hof zal het aandeel van de man in de behoefte van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] over de periode van 1 januari 2015 tot 1 juni 2016 en over de periode vanaf 1 juni 2016 bepalen aan de hand van een draagkrachtvergelijking. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

5.19

In de periode vanaf 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 bedraagt de totale draagkracht van de man en de vrouw € 3.258,- per maand (€ 3.208,- + € 50,-). De totale behoefte van de kinderen bedraagt per 1 januari 2015 afgerond (3 x € 503,46 =) € 1.510,- per maand. Het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen over die periode bedraagt aldus afgerond € 1.487,- per maand (€ 3.208,- / € 3.258,- x € 1.510,-) en het aandeel van de vrouw afgerond € 23,- per maand (€ 50,- / € 3.258,- x € 1.510,-).

5.20

In de periode vanaf 1 januari 2016 tot 1 juni 2016 bedraagt de totale draagkracht van de man en de vrouw € 3.024,- per maand (€ 2.974,- + € 50,-). Geïndexeerd naar 2016 bedraagt de totale behoefte van de kinderen (3 x € 510,- =) € 1.530,- per maand. Het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen over die periode bedraagt aldus afgerond
€ 1.505,- per maand (€ 2.974,- / € 3.024,- x € 1.530,-) en het aandeel van de vrouw afgerond € 25,- per maand (€ 50,- / € 3.024,- x € 1.530,-).

5.21

In de periode vanaf 1 juni 2016 bedraagt de totale draagkracht van de man en de vrouw € 4.004,- per maand (€ 3.954,- + € 50,-). De totale behoefte van de kinderen bedraagt per 1 januari 2016 (3 x € 510,- =) € 1.530,- per maand. Het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen over die periode bedraagt aldus afgerond € 1.511,- per maand
(€ 3.954,- / € 4.004,- x € 1.530,-) en het aandeel van de vrouw afgerond € 19,- per maand
(€ 50,- / € 4.004,- x € 1.530,-).

5.22

Evenals de man en de rechtbank gaat het hof uit van de minimale zorgkorting van 15% van de behoefte. Naar het oordeel van het hof zijn geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geen zorgkorting van 15% dient te worden toegepast. Dat er thans geen omgang tussen de man en de kinderen plaatsvindt, is daartoe onvoldoende. De ouders hebben immers onderling en jegens de kinderen het recht en de verplichting tot omgang. De ouders zijn het er ook over eens dat de kinderen contact met de man behoren te hebben. Derhalve gaat het hof bij de berekening van de zorgkorting uit van de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 4 november 2013. De zorgkorting bedraagt daarom per 1 januari 2015 (€ 503,46 x 15% =) € 75,50 per kind per maand. Over de periode vanaf 1 januari 2016 gaat het hof uit van een zorgkorting van (€ 510,- x 15% =) € 76,50 per kind per maand.

5.23

Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding, omdat de onderhoudsplichtigen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien.

5.24

Gelet op het voorgaande resteert over de periode van 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 een bijdrage van € 1.487,- minus (3 x € 75,50) = € 1.260,50 per maand, ofwel afgerond
€ 420,- per kind per maand, en over de periode van 1 januari 2016 tot 1 juni 2016 een bijdrage van € 1.505,- minus (3 x € 76,50) = afgerond € 1.276,- per maand, ofwel € 425,- per kind per maand. Over de periode vanaf 1 juni 2016 resteert een bijdrage van € 1.511,- minus (3 x € 76,50) is afgerond € 1.282,- per maand, ofwel afgerond € 427,- per kind per maand. Het hof zal derhalve de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige3] en [de minderjarige2] over de periode van 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 bepalen op € 420,- per kind per maand, over de periode van 1 januari 2016 tot 1 juni 2016 op € 425,- per kind per maand en over de periode vanaf 1 juni 2016 op € 427,- per kind per maand.

De ingangsdatum

5.25

Het hof ziet geen aanleiding de ingangsdatum op een andere datum te bepalen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof zal derhalve eveneens uitgaan van 1 augustus 2014 als ingangsdatum.

5.26

Nu op grond van het voorstaande geen terugbetalingsverplichting voor de vrouw zal ontstaan, zal het hof de behandeling van grief VII van de vrouw achterwege laten.

PARTNERALIMENTATIE

De behoefte

5.27

De man stelt de hoogte van de behoefte van de vrouw ter discussie. Hij stelt dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw als gevolg van tijdsverloop is afgenomen. De behoefte van de vrouw dient volgens de man niet langer te worden bepaald aan de hand van de welstand gedurende de laatste jaren van de huwelijkse samenleving, maar op basis van de huidige welstand van de vrouw. De man is van mening dat de vrouw haar behoefte middels een behoeftelijst dient te onderbouwen, mede gelet op de omstandigheid dat de vrouw geen tot nauwelijks woonlasten heeft doordat zij samen met haar vader in de woning woont, waarvan de vader van de vrouw de hypotheek op de woning volledig heeft afgelost. De vrouw betwist de stelling van de man en stelt zich op het standpunt dat haar behoefte niet is verbleekt.

5.28

Bij beschikking van 4 november 2013 is de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw via de zogeheten hofnorm gesteld op € 3.449,- netto per maand. De man stelt niet dat die huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw onjuist is. Derhalve houdt het hof het ervoor dat de behoefte van de vrouw ten tijde van de ontbinding van het huwelijk € 3.449,- netto per maand bedroeg. Met de vrouw is het hof van oordeel dat omstreeks drie jaar nadien, mede gelet op de duur van het huwelijk van partijen (17 jaar), redelijkerwijs (nog) niet gesproken kan worden van verbleking van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. Aldus bedraagt de geïndexeerde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw per 1 januari 2014 € 3.480,04, per 1 januari 2015 € 3.507,88 netto per maand en per 1 januari 2016
€ 3.553,48 netto per maand.

5.29

Het hof ziet evenmin in hetgeen de man heeft gesteld over de woonlasten van de vrouw aanleiding om haar behoefte op een ander bedrag te bepalen. Het hof neemt daartoe mede in aanmerking dat de vrouw een verklaring heeft overgelegd van haar vader waarin is aangegeven dat de vrouw met ingang van 1 januari 2013 een vergoeding van € 900,- voldoet voor het gebruik van de woning door haar en de kinderen, alsmede uitdraaien van transacties over verschillende periodes waaruit blijkt dat zij een bedrag van € 900,- heeft voldaan aan haar vader als gebruiksvergoeding. Tevens heeft de vrouw uitdraaien van transacties verstrekt over verschillende periodes waaruit naar voren komt dat zij € 500,- aan haar vader voldoet. Voor zover de man heeft gesteld dat de vrouw de bedragen van € 900,- en € 500,- weer teruggestort krijgt van haar vader en er sprake is van een kasrondje, heeft hij dat in het licht van de betwisting van de vrouw onvoldoende onderbouwd. Het hof betrekt voorts bij zijn oordeel dat de vrouw haar behoefte blijkens haar overgelegde behoeftelijst becijfert op
€ 4.093,13, hetgeen in lijn ligt met de bij beschikking van 4 november 2013 vastgestelde (en geïndexeerde) behoefte.

Behoeftigheid

5.30

De vrouw stelt dat zij niet in die behoefte kan voorzien. Zij stelt dat haar eerst recentelijk gestarte [E] nog geen winst maakt en dat zij vele malen zonder resultaat heeft gesolliciteerd. De man betwist dat en voert aan dat de vrouw (in ieder geval 32 uur) kan gaan werken en primair vanaf 1 augustus 2014, subsidiair 1 januari 2016 en meer subsidiair 18 januari 2016 met de inkomsten uit de [E] of inkomen uit arbeid anderszins geheel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Hij verzoekt de partneralimentatie in ieder geval met een afbouwregeling over een periode van zeven jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te limiteren tot 19 november 2020.

5.31

Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft tot haar levensonderhoud, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.

5.32

Zoals hiervoor overwogen blijkt uit de aangifte IB 2014 van de vrouw dat de door de man aan haar betaalde partneralimentatie in dat jaar haar enige bron van inkomsten was. Nu overeenkomstig het eensluidende standpunt van partijen het KGB in 2014 reeds als behoefteverlagende component in aanmerking is genomen zal het hof deze bij de draagkracht van de vrouw buiten beschouwing laten. De vrouw is per 13 augustus 2015 gestart met de [E] . Uit de aangifte IB 2015 van de vrouw blijkt dat het resultaat van die trimsalon in dat jaar negatief was en dat de door de man aan haar betaalde partneralimentatie in 2015 haar enige bron van inkomsten was. Uit een voorschotbeschikking toeslagen blijkt dat het KGB van de vrouw in 2015 € 5.312,-, zijnde afgerond € 443,- per maand bedroeg. Blijkens de aangifte inkomstenbelasting 2015 bedraagt het vermoedelijke recht op KGB daarentegen € 5.634,-, zijnde afgerond € 470,- per maand. Bij gebreke aan verdere gegevens gaat het hof uit van een bedrag aan KGB conform de aangifte IB van de vrouw, zijnde een bedrag van € 470,- per maand.

Blijkens het door de vrouw overgelegde bankafschrift uit 2016 bedraagt het KGB van de vrouw in dat jaar € 468,- per maand. Uit de aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2016 blijkt dat de vrouw € 599,- heeft omgezet, zodat het hof haar inkomen stelt op nihil.

5.33

In het kader van de vaststelling van de behoeftigheid betrekt het hof in de beschouwing dat van de inkomsten voor zover hier van belang in 2015 € 23,- als aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen niet ter beschikking stond van de vrouw, over de periode van 1 januari 2016 tot 1 juni 2016 € 25,- per maand en over de periode vanaf 1 juni 2016 een bedrag van € 19,- per maand.

5.34

Het voorgaande betekent dat de vrouw in 2014 in het geheel niet in haar eigen levensonderhoud kon voorzien en in 2015 voor een deel van afgerond € 470,- - € 23,- is
€ 447,- per maand, zodat een behoefte aan een bijdrage van de man in 2014 bestond van afgerond € 3.480,- netto per maand, zijnde in het geval van de vrouw € 6.317,- bruto per maand. In 2015 bedroeg de behoefte van de vrouw afgerond € 3.508,- - € 447,- is € 3.061,- netto, zijnde in het geval van de vrouw afgerond € 5.393,- bruto per maand. Over de periode van 1 januari 2016 tot 1 juni 2016 kon de vrouw voor een deel van € 468,- - € 25,- is € 443,- per maand in haar levensonderhoud voorzien en over de periode vanaf 1 juni 2016 voor een deel van € 468,- - € 19,- is € 449,- per maand. Derhalve bestond over de periode van 1 januari 2016 tot 1 juni 2016 een behoefte aan een bijdrage van de man van afgerond € 3.553,- - € 443,- is € 3.110,- netto per maand, zijnde in het geval van de vrouw afgerond € 5.516,- bruto per maand. Over de periode vanaf 1 juni 2016 bedraagt de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man afgerond € 3.553,- - € 449,- is € 3.104,- netto per maand, zijnde € 5.505,- bruto per maand.

5.35

De man heeft nog gesteld dat de vrouw met haar vader samenwoont en dat is voldaan aan de uit artikel 1:160 BW voortvloeiende vereisten, met uitzondering van het vereiste van een affectieve relatie. Volgens de man levert de samenwoning met haar vader - die een behoorlijk inkomen uit pensioen heeft - een aanzienlijke kostenbesparing op, waaronder in de woonlasten, en dient hiermee rekening te worden gehouden bij de bepaling van haar behoeftigheid. De man is van mening dat er sprake is van lotsverbondenheid tussen de vrouw en haar vader. De vrouw heeft de stelling van de man op dit punt gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van het hof kan de relatie tussen de vrouw en haar vader nimmer op één lijn gesteld worden met de relatie waarop artikel 1:160 BW ziet, en kan het evenmin de gevolgen hebben waarop artikel 1:160 BW ziet. Voor zover de man uitsluitend bedoeld heeft te stellen dat de vrouw een kostenbesparing heeft, heeft de man dit, mede in het licht van hetgeen in rechtsoverweging 5.29 is overwogen, onvoldoende onderbouwd.

5.36

Zoals het hof hiervoor reeds in rechtsoverwegingen 5.15 en 5.16 heeft overwogen, valt thans niet te verwachten dat de vrouw binnen afzienbare tijd in staat is zich in redelijkheid voldoende inkomsten te verwerven om in haar behoefte te voorzien en heeft de vrouw genoegzaam onderbouwd dat zij zich tot op heden voldoende heeft ingespannen om zelf in haar levensonderhoud te voorzien. Het hof verwijst naar hetgeen op deze punten in het kader van de kinderalimentatie is overwogen.

Draagkracht van de man

* het inkomen

5.37

Voor wat betreft 2014 zal het hof, conform ook het standpunt van de vrouw ter zitting, uitgaan van het inkomen van de man op basis van de jaaropgaven over 2014, zoals blijkt uit de aangifte inkomstenbelasting over 2014, te weten een bedrag van € 145.529,- en
€ 10.959,-, ofwel in totaal van een bruto inkomen van € 156.488,-. Het hof heeft geen rekening gehouden met pensioen- en VUT/FPU-premies, nu deze bedragen niet in jaaropgaven worden verdisconteerd.

5.38

Ten aanzien van de periode van 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 gaat het hof uit van een inkomen van de man van € 177.474,- bruto en houdt het hof geen rekening met pensioen- en VUT/FPU-premies. Over de periode van 1 januari 2016 tot 1 juni 2016 neemt het hof een inkomen van € 176.214,- bruto in aanmerking, een bedrag van afgerond € 880,- per maand aan pensioenpremie en een VUT/FPU-premie van € 26,- per maand. Over de periode vanaf 1 juni 2016 houdt het hof rekening met een bedrag van € 50.000,- bruto per jaar in verband met de nevenactiviteit van de man, ofwel € 4.166,66 bruto per maand, en een bedrag van € 176.714,- aan reguliere inkomsten. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen over het inkomen van de man over de betreffende periodes in het kader van de kinderalimentatie.

5.39

Het hof ziet geen aanleiding om rekening te houden met de vaste onkostenvergoeding. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor op dit punt is overwogen ten aanzien van de kinderalimentatie.

* de kosten van de stiefkinderen

5.40

Het hof acht het niet redelijk een deel van de kosten van de stiefkinderen van de man ten laste van zijn draagkracht ten behoeve van partneralimentatie te brengen. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor op dit punt is overwogen in het kader van de kinderalimentatie.

* de woonlasten

5.41

Het hof leest in grief V van de vrouw en de daarop door en namens haar gegeven toelichting geen andere relevante stellingen dan zij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd. Het hof is van oordeel dat de rechtbank deze gemotiveerd en op goede gronden heeft verworpen, onderschrijft het oordeel van de rechtbank op het punt van de woonlasten van de man en neemt de motivering daarvan - na eigen onderzoek - over.

5.42

De vrouw heeft ter zitting nog aangegeven dat zij ervan uitgaat dat de woning van de man en zijn partner is verkocht, nu deze niet meer is vermeld op de huizensite funda.nl. Het hof gaat hieraan voorbij, nu de gevolgen van dat standpunt op geen enkele manier door de vrouw zijn onderbouwd, zodat het hof uitgaat van de bekende bedragen.

* overige kosten

5.43

De man heeft in zijn draagkrachtberekening van 10 oktober 2015 een bedrag van € 265,- opgevoerd in verband met restkosten inzake de gemeenschappelijke woning van partijen. Volgens de man was afgesproken dat partijen ieder de helft van dat bedrag zou voldoen, maar heeft de vrouw sinds augustus 2015 steeds een bedrag van € 32,82 per maand voldaan. De man is bereid om het deel van de vrouw van € 132,82 per maand over te nemen, met dien verstande dat bij de berekening van zijn draagkrachtloos inkomen een bedrag van
€ 265,64 per maand in aanmerking wordt genomen. De vrouw heeft ter zitting betwist dat hiermee rekening dient te worden gehouden, nu zij de betaling van haar aandeel van € 132,50 per maand weer heeft hervat. Nu de man zijn stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet nader heeft onderbouwd, zal het hof geen rekening houden met een bedrag van € 265,64 per maand aan overige kosten.

Conclusie

5.44

Het voorgaande en mede in aanmerking genomen de niet betwiste posten in de draagkrachtberekeningen van de rechtbank in eerste aanleg leidt tot de aan deze beschikking gehechte en door de griffier van het hof gewaarmerkte draagkrachtberekeningen.

5.45

Het hof merkt daarbij nog op dat het hof over de periode vanaf 1 januari 2016 rekening heeft gehouden met een verplicht eigen risico van € 32,- per maand, nu de vrouw dit niet heeft betwist.

5.46

Uit de draagkrachtberekening ten aanzien van de periode tot 1 januari 2015 blijkt dat de man over die periode een bedrag van € 2.787,- bruto per maand beschikbaar heeft voor partneralimentatie. Daarbij is het hof uitgegaan van het bedrag van € 389,- per kind per maand aan kinderalimentatie, alsmede de zorgkorting van € 210,- per maand, ofwel € 70,-
(€ 467,- x 15%) per kind per maand. De bijdrage van € 2.787,- bruto per maand overstijgt de behoefte van de vrouw niet.

5.47

Blijkens de draagkrachtberekening ten aanzien van de periode van 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 heeft de man over die periode een bedrag van € 3.272,- bruto per maand beschikbaar voor partneralimentatie. Deze bijdrage overstijgt de behoefte van de vrouw niet.

5.48

Uit de draagkrachtberekening ten aanzien van de periode van 1 januari 2016 tot 1 juni 2016 volgt dat de man over die periode een bedrag van € 2.647,- bruto per maand beschikbaar heeft voor partneralimentatie. Deze bijdrage overstijgt de behoefte van de vrouw niet.

5.49

Voor wat betreft de periode vanaf 1 juni 2016 heeft de man blijkens de draagkrachtberekening een bedrag van € 5.129,- bruto per maand aan partneralimentatie beschikbaar. Ook deze bijdrage overstijgt de behoefte van de vrouw niet. Nu de vrouw voor wat betreft de periode vanaf 1 juni 2016 een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud heeft verzocht van € 3.758,- bruto per maand, zal het hof deze bijdrage ten aanzien van de betreffende periode op dat bedrag bepalen.

Ingangsdatum

5.50

Het hof hanteert als ingangsdatum van de partneralimentatie 1 oktober 2014, nu het hof de vrouw volgt in haar verzoek om de partneralimentatie per die datum te verhogen en zij haar verzoek in eerste aanleg op 25 september 2014 heeft ingediend. Hieruit volgt dat de bestreden beschikking voor de periode tot 1 oktober 2014 in zoverre in stand blijft.

5.51

Nu op grond van het voorstaande geen terugbetalingsverplichting voor de vrouw zal ontstaan, zal het hof grief VII van de vrouw onbesproken laten.

Limitering

5.52

Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW heeft, nu het huwelijk van partijen meer dan vijf jaar heeft geduurd, in beginsel als uitgangspunt te gelden dat de verplichting van de man tot het verstrekken van levensonderhoud aan de vrouw van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

5.53

Het derde lid van artikel 1:157 BW geeft de rechter de bevoegdheid om op verzoek van één van de echtgenoten voorwaarden te verbinden aan de alimentatieverplichting en/of de duur ervan te limiteren. Een zodanige rechterlijke limitering heeft een definitief karakter in die zin dat het de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde – behoudens het in artikel 1:401 lid 2 BW omschreven uitzonderlijke geval – definitief doet eindigen na afloop van de gestelde termijn. Om die reden worden er hoge eisen gesteld aan de motivering van een (verzoek tot) limitering. In het algemeen is vaststelling van de onderhoudsverplichting voor een bepaalde termijn redelijk indien met voldoende zekerheid en op goede gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de alimentatie bepaalde termijn op voor hem passende wijze in zijn eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

5.54

Het hof ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om - zoals door de man is bepleit - de duur van de onderhoudsverplichting te limiteren. Naar het oordeel van het hof heeft de man in het licht van het hiervoor geschetste kader onvoldoende onderbouwd waarom na vijf jaren - in afwijking van de hoofdregel - een definitief einde dient te worden gemaakt aan het recht van de vrouw op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Ook overigens ziet het hof in de feiten en omstandigheden van het geval en het door de man aangevoerde geen grond voor limitering van de onderhoudsverplichting. Voor zover de man heeft verzocht te anticiperen op het wetsvoorstel 34 231 (Wet herziening partneralimentatie), gaat het hof hieraan voorbij, alleen al nu onzeker is of dit voorstel de status van wet verkrijgt.

Proceskosten

5.55

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan de uit dat huwelijk geboren kinderen en de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft. Het hof ziet in het door de man aangevoerde geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover het de kinderalimentatie over de periode tot 1 januari 2015, alsmede de partneralimentatie over de periode tot 1 oktober 2014 betreft en vernietigen voor zover het de kinderalimentatie ten aanzien van de periode vanaf 1 januari 2015 en de partneralimentatie ten aanzien van de periode vanaf 1 oktober 2014 betreft en in zoverre beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 17 juli 2015 voor zover het de kinderalimentatie over de periode tot 1 januari 2015 betreft;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 17 juli 2015 voor zover het de partneralimentatie over de periode tot 1 oktober 2014 betreft;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 17 juli 2015 voor zover het de kinderalimentatie ten aanzien van de periode vanaf 1 januari 2015 alsmede de partneralimentatie vanaf 1 oktober 2014 betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw over de periode van 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , geboren [in] 2000, [de minderjarige2] , geboren [in] 2003, en [de minderjarige3] , geboren [in] 2003, € 420,- per kind per maand dient te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw over de periode van 1 januari 2016 tot 1 juni 2016 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] € 425,- per kind per maand dient te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw over de periode vanaf 1 juni 2016 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] € 427,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw over de periode van 1 oktober 2014 tot 1 januari 2015 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 2.787,- bruto per maand dient te betalen;

bepaalt dat de man aan de vrouw over de periode van 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 3.272,- bruto per maand dient te betalen;

bepaalt dat de man aan de vrouw over de periode van 1 januari 2016 tot 1 juni 2016 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 2.647,- bruto per maand dient te betalen;

bepaalt dat de man aan de vrouw over de periode vanaf 1 juni 2016 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 3.758,- bruto per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, I.A. Vermeulen en E.B.E.M. Rikaart-Gerard en is op 14 februari 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.