Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1283

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
200.184.006/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onteigening. Bijzondere geschiktheid. Vervolg op HR 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2805. Devolutieve werking. Onderwerp van debat vormen de met de bijzondere geschiktheid verband houdende kosten. Deskundigenonderzoek noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.184.006/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/07/203948 / HZ ZA 12-268)

arrest van 14 februari 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant na verwijzing,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. D.M.H.M. van Dijk, kantoorhoudend te Arnhem,

tegen

Staat der Nederlanden,

gevestigd te 's-Gravenhage,

geïntimeerde na verwijzing,

hierna: de Staat,

advocaat: mr. B.S. ten Kate, kantoorhoudend te Arnhem.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van 8 oktober 2012 en de vonnissen van 19 december 2012 en 19 februari 2014 die de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft gewezen.

1.2

Zowel de Staat als [appellant] hebben tegen het vonnis van de rechtbank van 19 februari 2014 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 25 september 2015 arrest gewezen en het beroep van de Staat verworpen. Naar aanleiding van het beroep van [appellant] heeft de Hoge Raad het vonnis van de rechtbank Overijssel van 19 februari 2014 vernietigd en het geding verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.

1.3

[appellant] heeft op 1 mei 2016 een memorie na verwijzing, met bijlagen, genomen en de Staat op 24 mei 2016 een antwoordmemorie na verwijzing, met bijlage.

1.4

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De beoordeling van het geschil

2.1

Bij vonnis van 19 december 2012 heeft de rechtbank ten name van de Staat de vervroegde onteigening uitgesproken van twee perceelsgedeelten en vier percelen, alle in eigendom toebehorend aan [appellant] . Het voorschot op de schadeloosstelling is daarbij bepaald op € 334.000,-. Het vonnis van vervroegde onteigening is op 4 februari 2013 ingeschreven in de openbare registers.

2.2

Bij vonnis van 19 februari 2014 heeft de rechtbank de schadeloosstelling voor [appellant] overeenkomstig het advies van de door de rechtbank bij beschikking van 8 oktober 2012 benoemde deskundigen vastgesteld op € 732.500,-, bestaande uit € 455.000,- als vergoeding voor de werkelijke waarde van het onteigende, € 250.000,- als opslag voor bijzondere geschiktheid, en € 27.500,- als vergoeding van bijkomende schade.

2.3

De Hoge Raad heeft bij arrest van 25 september 2015 het vonnis van 19 februari 2014 vernietigd. De vernietiging betreft de vaststelling van de waardevermindering van het overblijvende en de vaststelling van de vergoeding vanwege de bijzondere geschiktheid van het onteigende perceel voor het doel waarvoor is onteigend.

2.4

Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad hebben partijen een regeling getroffen ter zake van de waardevermindering van het overblijvende. De Staat heeft met betrekking tot dit onderdeel een vergoeding van € 145.000,- aan [appellant] betaald.

2.5

Dat betekent dat tussen partijen thans nog uitsluitend in geschil is de omvang van de vergoeding ter zake van de bijzondere geschiktheid van het onteigende perceel.

2.6

Na het arrest van de Hoge Raad gelden ten aanzien van dit onderdeel de volgende uitgangspunten.

2.7

De op de onteigende percelen aanwezige waterplas, een voormalige zandwinpunt, is van een bijzondere geschiktheid voor het doel van de onteigening (rechtsoverweging 4.12 van het vonnis van 19 februari 2014 en rechtsoverweging 4.2 van het arrest van 25 september 2015).

2.8

Voor het realiseren van de noodzakelijke verondieping van de waterplas in het kader van de uitvoering van de planologische kernbeslissing (PKB) "Ruimte voor ruimte" is circa 1.000.000 m3 gebiedseigen grond benodigd.

2.9

De aanwezigheid van de waterplas op het onteigende betekent voor de Staat een voordeel in die zin dat de circa 500.000 m3 vrijkomende grond waarvoor geen geschikte bestemming aanwezig wordt geacht, niet hoeft te worden afgevoerd naar een gronddepot elders (deskundigenrapport blz. 32, rechtsoverweging 4.12 van het vonnis van 19 februari 2014 en de rechtsoverwegingen 4.1.3 en 4.2 van het arrest van 15 september 2015).

2.10

De deskundigen hebben de besparing op de kosten van transport geschat op € 1.200.000,- (deskundigenrapport, blz. 32). Ter zitting van de rechtbank van 5 december 2013 hebben de deskundigen aangegeven dat de Staat door gebruikmaking van de waterplas voor het storten van 500.000 m3 vrijkomende grond waarvoor geen geschikte bestemming aanwezig wordt geacht daarnaast een voordeel geniet van € 500.000,- doordat die grond niet in een eigen depot van de Staat elders behoeft te worden gestort. Daardoor blijft in dat depot stortcapaciteit over (zie proces-verbaal van de zitting blzz. 7 en 9 en rechtsoverweging 4.12 van het vonnis van 19 februari 2014). Het totale door de deskundigen vastgestelde voordeel bedraagt daarmee € 1.700.000,-.

2.11

De deskundigen hebben geschat dat indien van de noodzaak tot de verondieping geen sprake zou zijn, ongeveer de helft van de hoeveelheid grond die wordt aangewend voor de verondieping van de plas, derhalve (afgerond) 500.000 m3, zou kunnen worden aangewend voor andere projecten of afgezet op de markt (deskundigenrapport van 10 oktober 2013, blz. 31).

2.12

Bij de berekening van het voordeel wegens bijzondere geschiktheid dient het gegeven dat bij de verondieping van de waterplas 500.000 m3 in het werk vrijkomende grond gebruikt moet worden die ook had kunnen worden ingezet voor andere projecten of afgezet had kunnen worden op de markt, buiten beschouwing te blijven (rechtsoverweging 5.1.2 van het arrest van 25 september 2015).

2.13

De regel dat bij de bepaling van het aan de onteigende toe te leggen bedrag voor de bijzondere geschiktheid die het onteigende heeft voor het doel van de onteigening, een "plafond" moet worden gehanteerd, die is ontwikkeld voor gevallen waarin de

bijzondere geschiktheid bestaat in de aanwezigheid van winbare bodembestanddelen in het onteigende die kunnen worden verkocht of kunnen worden benut voor het werk

waarvoor wordt onteigend, is niet van toepassing in een geval als het onderhavige, waarin geen sprake is van de aanwezigheid in het onteigende van zaken met een marktwaarde (rechtsoverweging 4.3.2 van het arrest van 25 september 2015).

2.14

Slechts de met de bijzondere geschiktheid verband houdende kosten, zoals bijvoorbeeld de kosten voor het vervoer van deze vrijkomende grond naar de plas, kunnen in aanmerking worden genomen bij de begroting van het aan de bijzondere geschiktheid verbonden voordeel (rechtsoverweging 5.1.2 van het arrest van 25 september 2015).

2.15

Het voordeel voor de Staat dient bij helfte aan [appellant] te worden vergoed (deskundigenrapport, blz. 33 en rechtsoverweging 4.15 van het vonnis van 19 februari 2014).

2.16

Het hof zal thans ingaan op de standpunten die partijen hebben ingenomen in hun memorie na verwijzing, respectievelijk antwoordmemorie na verwijzing.

2.17

[appellant] heeft bij memorie na verwijzing onder andere een memo van [B] van 26 februari 2016 overgelegd en op basis van dat memo geconcludeerd dat hem een aanvullende schadeloosstelling toekomt van € 3.220.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2013 tot aan de dag der voldoening. [B] heeft zich op zijn beurt gebaseerd op een rapport van [C] van 26 februari 2016.

In de opvatting van [appellant] moet bij de berekening van de vergoeding vanwege bijzondere geschiktheid worden uitgegaan van een hoeveelheid te transporteren niet vermarktbare grond van 832.072 m3. Vervolgens heeft hij de besparing voor het ontgraven en verwerken van deze hoeveelheid grond, de besparing op de transportkosten en de besparing op de acceptatiekosten becijferd op totaal € 6.439.504,-. Van dit voordeel voor de Staat moet hem de helft worden toegedeeld, aldus [appellant] .

2.18

Naar het oordeel van het hof dient aan de stellingen van [appellant] te worden voorbij gegaan. Met de verwerping van onderdeel 2.11 van het cassatieberoep van [appellant] staat vast dat waar het betreft de voor de verondieping aan te wenden grond moet worden uitgegaan van een verhouding 50/50 tussen enerzijds de niet voor gebruik elders geschikte grond en de vermarktbare grond. Om dezelfde reden staat vast dat voor de berekening van de transport- en opslagkosten en de depotkosten bij opslag in de eigen depots van de Staat moet worden uitgegaan van deze verhouding (zie in onderlinge samenhang de rechtsoverwegingen 4.12, laatste alinea en 4.13 van het vonnis van 19 februari 2014, onderdeel 2.11 van het cassatieberoep van [appellant] en rechtsoverweging 5.3. van het arrest van 25 september 2015).

2.19

De Staat heeft in zijn antwoordmemorie na verwijzing onder meer het standpunt ingenomen dat ook de kosten verbonden aan het storten van 500.000 m³ vermarktbare grond verband houden met de bijzondere geschiktheid als door de Hoge Raad bedoeld. Uit de "Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen" en de "Circulaire herinrichting van diepe plassen" volgt in de visie van de Staat dat de keuze om de waterplas in het werk als depot aan te merken direct tot gevolg had dat de plas met 1.000.000 m3 gebiedseigen grond diende te worden gevuld. Storting van slechts 500.000 m3 was op grond van genoemde regelingen niet toegestaan. Een en ander betekent volgens de Staat, die zich daarbij heeft gebaseerd op het bij zijn antwoordmemorie na verwijzing in het geding gebrachte advies van [D] (Cubic Square B.V.) van 20 mei 2016, dat vanuit deze optiek van een meerwaarde van de plas geen sprake is, nu de bijzondere geschiktheid van het onteigende per saldo niet leidt tot een kostenbesparing voor het werk.

2.20

Het hof onderschrijft deze opvatting van de Staat niet. De verplichting om in de waterplas 1.000.000 m3 gebiedseigen grond te storten vloeit rechtstreeks voort uit de PKB "Ruimte voor ruimte" en houdt geen verband met de bijzondere geschiktheid van de waterplas voor het bergen van 500.000 m3 niet vermarktbare grond. Uitgaande van die bijzondere geschiktheid dient slechts rekening worden gehouden met de voordelen en de kosten die rechtstreeks uit die geschiktheid voortvloeien. De kosten die verband houden met het storten van 500.000 m3 vermarktbare grond vloeien daar niet uit voort.

2.21

Daarnaast heeft de Staat aangevoerd dat de deskundigen bij de bepaling van de kosten van verwerking van de niet vermarktbare grond in de waterplas ten onrechte zijn uitgegaan van de veronderstelling dat deze kosten gelijk zouden zijn geweest aan de kosten van het storten van die grond in een depot elders. Volgens de Staat zijn aan de ontgraving, het transport naar de waterplas en de lossing in de plas zoveel extra kosten verbonden, dat het gebruik van de plas als depot voor niet vermarktbare grond geen voordeel oplevert.

2.22

Het hof stelt vast dat de Staat tegen de vaststelling van het hiervoor (zie rechtsoverweging 2.10) bedoelde voordeel op een bedrag van € 1.200.000 en de wijze waarop dat bedrag is berekend geen cassatieberoep heeft ingesteld. Dat was echter ook niet noodzakelijk, omdat dit voordeel naar het oordeel van de rechtbank was weggevallen tegen het nadeel voortvloeiend uit het in de waterplas moeten storten van 500.000 m3 vermarktbare grond (de rechtsoverwegingen 4.11 en 4:12 laatste alinea van het vonnis van 19 februari 2014). Derhalve dient thans alsnog te worden ingegaan op het tijdens de zitting van de rechtbank van 5 december 2013 (zie proces-verbaal blz. 10/11) al naar voren gebrachte en thans in de antwoordmemorie na verwijzing nader uitgewerkte punt dat de kosten van het ontgraven, transporteren en storten van de niet vermarktbare grond in de waterplas niet te vergelijken vallen met de kosten van het ontgraven, transporteren en storten van die grond in een regulier depot elders.

2.23

De deskundigen zijn bij de berekening van het voordeel voor de Staat dat voortvloeit uit de besparing op transportkosten uitgegaan van het vervoer van 500.000 m3 (800.000 ton) grond over een afstand van 60 tot 70 km met schepen met een gemiddelde belading van 2.000 ton tegen een prijs van € 1,50 per ton. De deskundigen hebben daar aan toegevoegd: "Laad- en losbewegingen worden buiten beschouwing gelaten. Die moet de Staat immers ook maken bij de stort van de vrijgekomen grond in de voormalige zandwinplas."

2.24

De Staat heeft zijn standpunt dat aan de ontgraving van de grond, het transport naar de waterplas en de lossing in de waterplas de nodige extra kosten zijn verbonden wederom gebaseerd op het advies van [D] van 20 mei 2016. In dit advies is aangegeven dat de voorwaarden die zijn gesteld met betrekking tot de toe te passen grondsoorten en de oxiditeit als gevolg van het feit dat de waterplas is gelegen in een waterwingebied leiden tot hogere kosten dan storting in een depot elders. Verder is vermeld dat de kosten gemoeid met het varen in de waterplas, waar in verband met de wendbaarheid en diepgang kleine splijtbakken moeten worden ingezet, sterk bepalende factoren zijn. De kosten van het bergen van 500.000 m3 niet vermarktbare grond in de waterplas zijn door [D] begroot op afgerond € 4.230.000,-. Bij storting van de niet vermarktbare grond in een depot elders worden deze kosten door hem geraamd op € 3.620.000,-, derhalve € 610.000,- lager. [D] is bij zijn berekeningen uitgegaan van de volgende posten en prijzen per m3, "cutteren" (€ 5,63), "kraanschip en varen" (€ 8,27), "laadbrug en varen" (€ 9.03) en "van oever af aanbrengen" (€ 4.71).

2.25

[E] Consultants & Engineers B.V. (verder [E] ) heeft in haar rapport van 26 februari 2016, bijlage bij de memorie na verwijzing van [appellant] , becijferd dat de kosten voor ontgraven, transport en verwerking van 500.000 m3 niet vermarktbare grond € 3,51 per m3 bedragen indien gebruik wordt gemaakt van kranen en dumpers en dat deze kosten dalen tot € 2,69 per m3 bij gebruik van een cutterzuiger en een diffusorponton (blzz. 6, 7 en 8 van het rapport).

2.26

Het hof stelt vast dat [D] de door hem in zijn advies gehanteerde prijzen per m3 niet nader heeft onderbouwd. [E] heeft de door haar toegepaste cijfers evenmin van een nadere onderbouwing voorzien. Bovendien heeft [E] geen inzichtelijke vergelijking gemaakt met de kosten van berging van de niet-vermarktbare grond in een depot elders.

2.27

Gezien enerzijds het verschil van inzicht tussen de deskundigen en [D] over de beantwoording van de vraag of de kosten van ontgraven, laden en lossen buiten beschouwing kunnen worden gelaten en anderzijds de (aanzienlijke) verschillen in de door de adviseurs van partijen gehanteerde tarieven ziet de rechtbank aanleiding één of meer deskundigen te benoemen en hem/haar/hen de volgende vraag voor te leggen:

- welk bedrag aan met de bijzondere geschiktheid van het onteigende perceel verband houdende kosten dient met inachtneming van de hiervoor in de rechtsoverwegingen 2.7 tot en met 2.15 geformuleerde uitgangspunten en de onder de rechtsoverwegingen 2.18, 2.20 en 2.22 gegeven beslissingen in mindering te worden gebracht op het door de deskundigen vastgestelde voordeel van € 1.700.000,-?

U wordt verzocht bij de beantwoording van deze vraag in elk geval in te gaan op de volgende deelvragen:

- wat zijn de kosten van het ontgraven en storten van 500.000 m3 niet vermarktbare grond bij storting in de onderhavige waterplas, met inachtneming van de voorwaarden die gelden ter zake van het storten van grond in die plas;

- wat zijn de kosten van het ontgraven en storten van 500.000 m3 niet vermarktbare grond bij storting in een regulier depot elders in de regio?

- zijn de kosten van het transport van de grond naar de waterplas hoger dan de kosten van transport naar een regulier depot in de regio in verband met specifieke eisen aan het materiaal die mogelijk voortvloeien uit de eigenschappen van de waterplas? Zo ja, hoeveel hoger? Zo nee, hoeveel lager?

2.28

Beide partijen worden in de gelegenheid gesteld om bij gelijktijdig te verzoeken akte zelf vragen te formuleren en om zich uit te laten over de door het hof voorgestelde vragen, alsmede over de personen, hoedanigheden en relevante kwaliteiten van de te benoemen deskundige.

Het hof verzoekt aan partijen tijdig met elkaar in overleg te treden over in ieder geval de personen van de te benoemen deskundige(n) en zo mogelijk gezamenlijk een of meer personen voor te dragen. Indien partijen niet slagen in een gezamenlijke voordracht, verzoekt het hof aan partijen in hun tevoren over en weer aan elkaar toe te zenden akten in te gaan op de door de wederpartij voor te dragen personen en op eventuele bezwaren tegen benoeming van bepaalde personen, dan wel mee te delen dat partijen zich op dit punt refereren aan het oordeel van het hof.

3 De slotsom

3.1

Alvorens over te gaan tot het gelasten van een deskundigenonderoek zal het hof partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over het aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen.

3.2

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat partijen zich op de rol van 14 maart 2017 bij akte kunnen uitlaten over:

- het aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n);

- de aan de deskundige(n) te stellen vragen.

Aldus gewezen door mr. B.J.H. Hofstee, mr. J.H. Kuiper en mr. D.H. de Witte en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 14 februari 2017 in bijzijn van de griffier.