Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1269

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
WAHV 200.167.654
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verschoonbare termijnoverschrijding. Telefonische mededeling. Brief verzonden na niet-verschoonbare termijnoverschrijding kan niet leiden tot verschoonbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.167.654

15 februari 2017

CJIB 166394615

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland

van 16 december 2014

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig is ingesteld.

2. Ingevolge het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de beslissing van de officier van justitie aan de betrokkene is toegezonden.

3. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt voorts dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB is de beslissing van de officier van justitie op 5 maart 2013 aan de betrokkene toegezonden. Uitgaande van die verzenddatum eindigde de beroepstermijn op 16 april 2013. Het tegen de beslissing van de officier van justitie gerichte beroepschrift is gedateerd 18 augustus 2013 en is, blijkens het op de envelop waarin het is verzonden geplaatste stempel, op 20 augustus 2013 bij de CVOM ontvangen.

5. De betrokkene voert aan dat hij, naar aanleiding van zijn administratief beroepschrift, geruime tijd niets heeft gehoord van de officier van justitie. In juni 2013 heeft hij telefonisch contact opgenomen, waarbij hem is medegedeeld dat zijn administratief beroep was afgewezen en dat hij daarvan niet in kennis was gesteld. Vervolgens heeft het CJIB hem per brief van 22 juli 2013 alsnog in kennis gesteld van de beslissing van de officier van justitie. In die brief is vermeld dat de beroepstermijn eindigt op 2 september 2013. De betrokkene meent derhalve tijdig beroep te hebben ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Een afschrift van deze brief is bijgevoegd door de betrokkene.

6. Ten eerste betwist de betrokkene de door het CJIB aan hem verzonden beslissing van de officier van justitie d.d. 5 maart 2013 te hebben ontvangen.

7. Volgens vaste administratiefrechtelijke jurisprudentie dient het bestuursorgaan, in geval van verzending van besluiten of rechtens van belang zijnde documenten, aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het desbetreffende stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde om de ontvangst ervan op een niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Eerst dan is het aan het bestuursorgaan dat het stuk heeft verzonden om de ontvangst daarvan aannemelijk te maken.

8. In het onderhavige geval draagt het CJIB zorg voor de verzending van de beslissing van de officier van justitie d.d. 5 maart 2013 aan de betrokkene. Het hof heeft in het arrest van 23 december 2009 (WAHV 200.026.479, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020) overwogen dat, gelet op de in dat arrest beschreven vaste werkwijze van het CJIB bij de verzending van stukken, de kans op fouten daarbij nagenoeg is uitgesloten. Op grond daarvan mag worden aangenomen dat verzending van die beslissing daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en dat de beroepstermijn eindigde op 16 april 2013.

9. De betrokkene heeft in dit verband gesteld dat hem in juni 2013 telefonisch is medegedeeld dat de beslissing van de officier van justitie nog niet aan hem was verzonden. Echter, door welke instantie deze mededeling zou zijn gedaan blijkt niet, terwijl de betrokkene zijn stelling ook op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd. Of inderdaad een dergelijke mededeling aan de betrokkene zou zijn gedaan valt derhalve niet te verifiëren, laat staan wat de exacte inhoud daarvan is geweest. Reeds daarom geeft deze stelling geen aanleiding te oordelen dat de verzending van deze beslissing toch niet heeft plaatsgevonden.

10. Het ligt - gegeven het hierboven vermelde uitgangspunt - vervolgens op de weg van de betrokkene om de ontvangst van de op 5 maart 2013 verzonden beslissing van de officier van justitie op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. De betrokkene is daar niet in geslaagd. De enkele ontkenning van de ontvangst van die beslissing is daartoe onvoldoende. Gelet daarop, en in aanmerking genomen dat niet blijkt dat deze beslissing van de officier van justitie als onbestelbaar retour is gekomen en de stukken ook overigens niets behelzen waaruit kan blijken dat de beslissing van de officier van justitie de betrokkene niet heeft bereikt, moet het ervoor worden gehouden dat de betrokkene deze heeft ontvangen.

11. Het voorgaande brengt mee dat het beroep van de betrokkene, gericht tegen de beslissing van de officier van justitie, niet tijdig is ingesteld.

12. De door de betrokkene overgelegde brief van het CJIB van 22 juli 2013 maakt het voorgaande niet anders. Onduidelijk is op grond waarvan deze brief door het CJIB aan de betrokkene is verzonden. Wat daar verder van zij, voorop staat dat met de verzending van die brief niet een nieuwe beroepstermijn is gaan lopen. De termijn om in beroep te gaan tegen de beslissing van de officier van justitie was reeds op 16 april 2013 verstreken.

13. Voor zover bij de betrokkene door deze brief van het CJIB het vertrouwen is gewekt dat hij alsnog tijdig beroep kon instellen tegen de beslissing van de officier van justitie, is die omstandigheid niet van dien aard dat niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege dient te blijven. Het is vaste jurisprudentie dat vertrouwen, ontleend aan informatie waarvan eerst kennis is genomen na de beroepstermijn, niet kan bewerkstelligen dat een inmiddels plaats gehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt (vgl. arrest Hoge Raad 22 november 2000, zaaknr. 35601, ECLI:NL:HR:2000:AA8419, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Die situatie doet zich in deze zaak voor. Daar komt nog bij dat de kantonrechter de bevoegde instantie is om te oordelen over de ontvankelijkheid van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, en niet het CJIB. Aan een dergelijke mededeling van een ter zake niet-bevoegde instantie, komt niet het door de betrokkene gewenste gevolg toe.

14. Gelet op het voorgaande is het hof niet gebleken van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De kantonrechter heeft derhalve terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal die beslissing bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.