Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11551

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
22-10-2020
Zaaknummer
21-003599-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal sieraden d.m.v. valse sleutel (art. 311.1.5 Sr) door insluiping in woning en 2. rijden zonder rijbewijs (art. 107.1 WVW 1994).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003599-16

Uitspraak d.d.: 13 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 13 juni 2016 met parketnummer 16-707149-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Italië) in het jaar 1968,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsman, mr. V.C. van der Velde, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:
Zij op 9 augustus 2015 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (groot) aantal sieraden (slavenarmbanden, (antieke gouden) horloges, (gouden) ringen, kettingen, armbanden en oorbellen), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, in elk geval door middel van een sleutel tot het gebruik waarvan zij, verdachte, niet is/was gerechtigd, terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan; art 43a Wetboek van Strafrecht;

1. subsidiair:
Zij op of omstreeks 09 augustus 2015 te Hilversum en/of te Beverwijk en/of te Almere, in elk geval in Nederland, een (groot) aantal sieraden (slavenarmbanden, (antieke gouden) horloges, (gouden) ringen, kettingen, armbanden en oorbellen) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die sieraden wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof, terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, in kracht van gewijsde is gegaan;

2:
Zij op 9 augustus 2015, te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, met kenteken [kenteken] ) heeft gereden op de Rijksweg A6, zonder dat aan haar door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Salduz verweer

De raadsman heeft betoogd dat verdachte is aangehouden op grond van artikel 107 Wegenverkeerswet 1994 en in verzekering is gesteld op verdenking van artikel 310/416 van het Wetboek van Strafrecht. Vervolgens is verdachte gehoord ten aanzien van de nieuwe verdenking zonder dat zij vooraf is geïnformeerd over haar recht daarover een advocaat te consulteren. De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van verdachte, afgelegd bij de politie, daarom dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Oordeel van het hof

Verdachte heeft een raadsman geconsulteerd op het moment dat zij verdacht werd van het ten laste gelegde onder 2, te weten het rijden zonder rijbewijs. Na de insluiting werd zij tevens verdacht van het ten laste gelegde onder 1, te weten diefstal dan wel heling. Verdachte heeft daarover haar raadsman niet kunnen consulteren, waardoor naar het oordeel van het hof de verklaringen, afgelegd bij de politie in het kader van haar verhoren, voor zover die betrekking hebben op de verdenking van de diefstal dan wel heling, dienen te worden uitgesloten.

Het hof is echter van oordeel dat de verklaring van verdachte, afgelegd op 9 augustus 2015 tijdens de insluitingsfouillering, niet dient te worden uitgesloten van het bewijs. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de insluitingsfouillering, opgemaakt op 9 augustus 2015, blijkt dat de verbalisant bij de insluitingsfouillering een sok met sieraden in het hemdje van verdachte heeft gevonden. Verdachte heeft vervolgens – spontaan en uit eigen beweging – verklaard dat zij van Beverwijk kwam en dat zij daar de sieraden wilde verkopen. Naar het oordeel van het hof ziet deze verklaring op een ander feit dan waarvoor zij als verdachte was aangehouden. Naar het oordeel van het hof kan derhalve niet worden gezegd dat er op dat moment al sprake was van een geconstateerd feit ten aanzien waarvan verdachte als ‘verdachte’ was aangemerkt. Haar zijn geen vragen gesteld in dat verband. Van een verhoorsituatie was dus (nog) evenmin sprake, zodat in deze situatie geen sprake is van schending van het recht op consultatiebijstand.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij ten aanzien van feit 2 in het bijzonder:

Uit een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 december 2015, blijkt dat tijdens het onderzoek naar verdachte het rijbewijsregister is gecontroleerd, omdat verdachte zelf aangaf geen rijbewijs te hebben. De verbalisant heeft gerelateerd dat bij controle van het rijbewijsregister inderdaad is gebleken dat de verdachte niet in het bezit was van een rijbewijs. Uit het gebruik van de verleden tijd in dit proces-verbaal leidt het hof af dat de verbalisant heeft gecontroleerd of verdachte op 9 augustus 2015 al dan niet over een rijbewijs beschikte, hetgeen ook voor de hand ligt. Naar het oordeel van het hof kan derhalve bewezen worden verklaard dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 primair:
Zij op 9 augustus 2015 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (groot) aantal sieraden (slavenarmbanden, (antieke gouden) horloges, (gouden) ringen, kettingen, armbanden en oorbellen), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, in elk geval door middel van een sleutel tot het gebruik waarvan zij, verdachte, niet is/was gerechtigd, terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

2:
Zij op 9 augustus 2015, te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, met kenteken [kenteken] ) heeft gereden op de Rijksweg A6, zonder dat aan haar door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de hierna aan te geven duur leiden – dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal uit de woning van een (hoog) bejaarde vrouw. Een dergelijk feit brengt, naast gevoelens van onveiligheid, financiële en emotionele schade met zich mee. Het hof neemt voorts in de straftoemeting in aanmerking dat blijkens het dossier en het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 mei 2017 zij eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld. Uit het dossier blijkt tevens dat verdachte zich bij soortgelijke feiten (bewust) lijkt te richten op oudere personen, zijnde zeer weerloze slachtoffers. Daarbij heeft verdachte een grote mate van gewetenloosheid ten toon gespreid en haar eigen behoefte aan geld dan wel goederen laten prevaleren. Bovendien heeft verdachte de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer aangetast door zich de toegang te verschaffen tot de woning van het slachtoffer.

Alles overwegende acht het hof een hogere gevangenisstraf dan door de rechtbank is opgelegd aangewezen. Het hof is van oordeel dat de door de eerste rechter opgelegde straf onvoldoende recht doet aan de hiervoor overwogen aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, zodat het hof na te melden hogere straf aan verdachte zal opleggen. Bijzondere omstandigheden, die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden, acht het hof niet aanwezig, ook niet in hetgeen daarover de door de raadsman aangevoerd. Uit een oogpunt van genoegdoening aan de maatschappij kan niet worden volstaan met een andere dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor langere duur.

Voorts heeft verdachte zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs een auto bestuurd. Door aldus te handelen heeft verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Blijkens een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 mei 2017 is zij eerder veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft haar er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen. Gezien de ernst en de mate van gevaarzetting die is veroorzaakt door de overtreding acht het hof een onvoorwaardelijke hechtenis van na te melden duur op zijn plaats.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 62, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder in de zaak met parketnummer 16-707149-15 onder 1 primair bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde hechtenis in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. C.M.E. Lagarde, voorzitter,

mr. J.P. Bordes en mr. R. Krijger, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.A.C. Peters, griffier,

en op 13 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. R. Krijger is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.