Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11545

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2017
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
21-001560-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdachte heeft ondanks dat zij geen legale inkomsten heeft gedurende een periode van 2½ jaren sieraden ter waarde van ongeveer 100.000,- aangeboden bij opkopers. Nu niet voldoende aannemelijk is geworden en ook niet voldoende concreet en verifieerbaar over de herkomst van de sieraden is verklaard acht het hof deze afkomstig van misdrijf en wordt verdachte veroordeeld voor witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001560-16

Uitspraak d.d.: 14 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 8 maart 2016 met parketnummer 08-900026-12 in de strafzaak tegen

[naam verdachte 1] ,

geboren te [geboorteplaats] in het [geboortejaar] ,

wonende te [woonplaats]

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (voor de inhoud van de vordering zie bijlage I). Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsman, mr. M.H.H. Meulemeesters, naar voren is gebracht.

De raadsman heeft bij brief van 26 juli 2017 gepersisteerd bij door de verdediging bij appelschriftuur opgegeven getuigen te weten: [getuige 1] , [getuige 2] en
[getuige 3] .

Voorts heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting in voorwaardelijke zin het verzoek tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2] gedaan.

Het hof overweegt dat van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuigen van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing.

Het hof wijst af het verzoek van de verdediging tot het horen van de heren [getuige 1] en [getuige 2] , nu het verzoek tot het horen van deze getuige te summier is onderbouwd waarom het horen van deze getuigen van belang is voor enige in deze zaak uit hoofde van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing, zodat de verdediging redelijkerwijs niet in zijn belangen is geschaad bij de afwijzing van deze getuigen. Bovendien is het aantal sieraden dat door verdachte is ingeleverd irrelevant voor de bewijsvraag.

Ten aanzien van het voorwaardelijke verzoek van de advocaat-generaal ziet het hof, gelet op bovenstaande afwijzing, de noodzaak tot het horen van de gevraagde getuigen niet in.

Het hof wijst het verzoek van de verdediging tot het horen van [getuige 3] af, nu door de verdediging zowel bij appelschriftuur als bij brief van 26 juli 2017 geen verblijfsgegevens van de gevraagde getuige zijn opgegeven, zodat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep van het onder 3 ten laste gelegde vrijgesproken. Hoger beroep tegen deze vrijspraak staat niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaren.

De advocaat-generaal heeft ogenblikkelijk na het voordragen van de zaak aangegeven dat het hoger beroep van het openbaar ministerie zich niet richt tegen het onder 3 ten laste gelegde feit. Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het openbaar ministerie geen belang meer heeft bij het hoger beroep tegen het onder 3 ten laste gelegde en daarom in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover thans nog aan de orde en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

1 primair:
zij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van

1 januari 2011 tot en met 17 juni 2013

in de gemeente Enschede, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of een van haar mededaders,

- één of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 104.705,37 euro, althans enig geldbedrag), en/of

-een of meer sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten, gebruik gemaakt,

terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

1 subsidiair:
zij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van

1 januari 2011 tot en met 17 juni 2013,

in de gemeente Enschede, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

(telkens), -één of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 104.705,37, althans enig geldbedrag), en/of

- een of meer sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten, heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten, gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2 primair:
zij op of omstreeks 15 maart 2013 in de gemeente Almelo

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

2 subsidiair:
zij op of omstreeks 15 maart 2013 in de gemeente Almelo, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een of meer sieraden heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die sieraden wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dat misschien wel kan worden vastgesteld dat verdachte bij het onder 2 ten laste gelegde feit betrokken was, maar dat die betrokkenheid van verdachte onvoldoende is om medeplegen en/of medeplichtigheid vast te kunnen stellen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, witwassen niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie om bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn.

Het hof gaat uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.


In het proces-verbaal is, aan de hand van de verklaringen van de [benadeelde] , een

analyse in- en verkoop goud met betrekking tot [naam verdachte 1] gevoegd (o.a. blz. 14110-

14111). Daaruit blijkt als eerste datum van inkoop 5 januari 2011 en als laatste datum van

inkoop 3 maart 2013. Het betreft in totaal 79 transacties. Bovendien zijn voor de zitting in eerste aanleg stukken overgelegd, te weten ruim 80 “inkoopverklaringen”.

De eerste’ inkoopverklaring dateert van 5 januari 2011 en de laatste datum is 28 mei 2013.

Als artikel omschrijving is vrijwel steeds vermeld “sloopgoud”.

Op die verklaring staat telkens als inkoper vermeld [bedrijf van getuige 1 en 2] ; naam verkoper:

[naam verdachte 1] . [naam verdachte 1] of [naam verdachte 1] ; legitimatie: vrijwel steeds het nummer (NLD)

76978486 of 769784861; omschrijving artikelen: vrijwel steeds sloopgoud en (een enkele

keer): zilver en/of munten. Bij de handtekening van de verkoper staat telkens als

ondertekening: [handtekening verdachte] .

Uit de inkoopverklaringen blijkt dat verdachte over de periode van 5januari 2011 tot en met

28 mei 2013 voor het ingeleverde “sloopgoud” (inclusief enig zilver en wat munten) in

totaal ruim € 100.000,-- heeft ontvangen.

Verdachte heeft, kort en zakelijk weergegeven, tegenover de politie het volgende verklaard.

(1e verhoor), afgelegd op 17juni 2013:

Ik heb geen werk op papier. Mijn netto inkomen is € 450,-- per week. Daar betaal ik alles

van. Vraag: hoeveel geld hou jij per maand over?

Antwoord: het meeste voor de boodschappen. Alles gaat verder op aan gas, licht enzovoorts.

(2e verhoor), afgelegd op 18 juni 2013:

Vraag: heb jij erfenissen gehad?

Antwoord: ja, ik heb wat sieraden van mijn familie gehad. Ik heb alles verkocht sinds de

goudprijs omhoog is gegaan. Dit was een jaar of twee geleden. We, [man van verdachte] en ik, kwamen aan

1,5 kilo goud. Dit goud had ik gekregen tijdens mijn trouwen en dat heb ik toen allemaal

verkocht. Ik heb daarvoor ongeveer € 15.000,-- gekregen. Ik verkocht het steeds bij kleine

beetjes. Ik verkocht het bij een juwelier in Enschede. Als ik het had verkocht dan werd het

vastgelegd. Het geld is op.

Vraag: heb je nog goud overgehouden?

Antwoord: nee.

(3e verhoor), afgelegd op 25 juni 2013:

Vraag: wat is er gebeurd met die bruidsschat?

Antwoord: toen [dochter van verdachte] werd geboren heeft mijn schoonmoeder het goud ingeleverd bij mij.

Vraag: heb je nog sieraden van deze bruidsschat?

Antwoord: nee, alles op.

Vraag: hoe lang is het op?

Antwoord: vijf of zes maanden.

Vraag: hoeveel heb je er voor gekregen?

Antwoord: zestigduizend kan nooit.

Vraag: dus je hebt over een periode van twee jaren voor meerdere duizenden euro’s aan goud ingeleverd?

Antwoord: tweeëntwintig duizend euro. Maar geen zestigduizend euro. Dat kan nooit.

Vraag: wij hebben het op papier met daarbij het nummer van jouw identiteitsbewijs. Van

Cash Converters en van [bedrijf van getuige 1 en 2] , hebben wij de inkooplijsten.

Opmerking: de lijsten worden bekeken door verdachte.

Vraag: we hebben het dan over een bedrag van zestigduizend euro.

Antwoord: wat ik heb ingeleverd is allemaal bruidsschat. Ik weet wel dat ik daar verkocht

heb. Ik schat twee kilo. Het kan wel kloppen wat jij zegt. Je laat mij kijken en het kan

kloppen.

(9e verhoor), afgelegd op 6 september 2013:

Vraag: uit onderzoek is gebleken dat er door jou in de periode van 2011, 2012 tot en met mei 2013 voor meer dan honderdduizend euro voor sloopprijs aan sieraden is ingeleverd hij

[bedrijf van getuige 1 en 2] Wat vind jij daarvan?

Antwoord: dat kan niet.

Vraag: wij hebben met [getuige 1] gesproken en hij herkende jou op de foto als zijnde [naam verdachte 1]

. Hij verklaarde dat jij gemiddeld twee keer per week bij hem kwam. Kan dat

kloppen?

Antwoord: oké, dat kan kloppen. Ik had dan geld nodig voor de kinderen. Dat was de

oplossing om aan geld te komen.

Vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het hof het vermoeden van witwassen. Derhalve mag van verdachte worden verlangd dat zij door het verschaffen van verifieerbare gegevens op punten die eenvoudig te achterhalen zijn een aannemelijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld.

Het hof stelt vast dat verdachte tijdens de verhoren verschillende bedragen heeft genoemd, variërend van twintigduizend euro tot zestigduizend euro. In ieder geval was het.

volgens verdachte zelf, zeker geen honderdduizend euro. Ook heeft zij verklaard dat het

ingeleverde goud haar eigen bruidsschat betreft. Later heeft zij verklaard dat zij ook (een

deel van) de bruidsschat van haar dochter heeft ingeleverd, terwijl zij ook heeft verklaard

(19 augustus 2008) dat zij al haar sieraden voor een bedrag van € 3.300,-- heeft beleend in

Amsterdam.

[dochter van verdachte] (dochter van [naam verdachte 1] ) heeft op 7 januari 2015 tegenover de

rechter-commissaris verklaard dat zij alleen goud had gekregen als bruidsschat en dat haar

man haar heeft gezegd hoeveel gram het was, namelijk 1900 gram. Vervolgens heeft zij

verklaard: wij hebben het verkocht, volgens mij twee jaar geleden, toen de goudprijs hoog

was. Mijn man en ik hebben ruzie gehad over de verkoop van sieraden.

Verdachte heeft op 25 juni 2015, als getuige in de strafzaak tegen [schoonzoon verdachte] , tegenover de rechter-commissaris verklaard: “Ik heb geen sieraden van [schoonzoon verdachte] en [dochter van verdachte] gehad”.

Het hof concludeert dat verdachte niet consistent heeft verklaard over de herkomst van

de sieraden. Bovendien verklaarteen dochter van verdachte dat haar lezing dat zij,

verdachte, ook (delen van) hun bruidsschat heeft ingeleverd, onjuist is

Verdachte heeft geen uitkering en geen legale bronnen van inkomsten. Ook haar

(ex-)man heeft geen legale inkomsten. Ondanks het feit dat zij, naar eigen zeggen, van haar

uitkering niet rond kan komen, acht het hof aannemelijk dat heeft zij in een periode van ongeveer 2½ jaar substantiële bedragen ontvangen voor door haar ingeleverde sieraden (sloopgoud). Volgens [bedrijf van getuige 1 en 2] gaat het om meer dan € 100.000,-- , terwijl verdachte zelf heeft verklaard dat het wel om € 60.000,- zou kunnen gaan.

Nu op basis van de verklaringen van verdachte, noch op basis van het opsporingsonderzoek een (legale) herkomst voor voornoemde sieraden kan worden gevonden en het hof de verklaringen van verdachte over de herkomst van de sieraden niet aannemelijk en voldoende concreet en verifieerbaar acht, kan het niet anders zijn dan dat de sieraden uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Het bovenstaande brengt met zich mee dat het hof van oordeel is dat er sprake is van witwassen.
Voorts staat vast dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode zeer vaak sieraden (sloopgoud) heeft ingeleverd, zodat bovendien sprake is van een gewoonte maken van witwassen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:
zij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van

1 januari 2011 tot en met 17 juni 2013

in de gemeente Enschede, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of een van haar mededaders,

- één of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 104.705,37 euro, althans enig geldbedrag), en/of

- een of meer sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten, gebruik gemaakt,

terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.


Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich gedurende een periode van bijna 2½ jaar intensief bezig heeft gehouden met het inleveren van uit misdrijf afkomstige goederen waaronder met name sieraden. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en deze vervolgens zonder dat die illegale herkomst daarvan zichtbaar wordt in omloop te brengen, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Het is een feit van algemene bekendheid dat sieraden voor eigenaren niet alleen een economische waarde hebben, maar vaak een grote emotionele waarde. Verdachte is daar volledig aan voorbij gegaan en heeft enkel oog gehad voor haar eigen financieel gewin.

Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke gevallen door het hof worden opgelegd. Het hof verwijst in dit kader ook naar de rechterlijke oriëntatiepunten van straftoemeting, waaruit blijkt dat bij een fraudebedrag tussen de € 70.000,- en €125.000,- in beginsel reeds een gevangenisstraf tussen de vijf (5) en negen (9) maanden het uitgangspunt is.

Als straf vermeerderende factoren dienen te gelden:

- het uittreksel van de justitiële documentatieregister van 4 juli 2017, waaruit blijkt dat

verdachte reeds meerdere keren is veroordeeld ter zake vermogensdelicten;

- de duur van de gedraging, verdachte heeft zich gedurende 2½ jaar op zeer intensieve wijze

bezig gehouden met het inleveren van uit misdrijf afkomstige goederen;

- verdachte is niet uit eigen beweging gestopt met de strafbare handelingen.

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht het tijdsverloop in deze strafzaak in acht te nemen. Het hof is van oordeel dat het geheel aan verdachte is te wijten, dat de zaak zo lang geduurd heeft nu zij ten tijde van de behandeling in eerste aanleg voor een langere periode in de Bondsrepubliek Duitsland gedetineerd heeft gezeten.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.W. Rijkers, voorzitter,

mr. J.P. Bordes en mr. P.R. Wery, raadsheren,

in tegenwoordigheid van B.J. Berendsen, griffier,

en op 14 augustus 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.W. Rijkers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 14 augustus 2017.

Tegenwoordig:

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,

mr. K. van Laarhoven, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.