Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11544

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
21-000345-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een ernstige misdraging naar aanleiding van een verkeerssituatie leidt tot het misdrijf: zware mishandeling. Het gevoerde beroep op noodweer en noodweerexces is door het hof verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000345-16

Uitspraak d.d.: 28 maart 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 19 januari 2016 met parketnummer 16-652760-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [1977] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. M.G. Vos, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 16 november 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een of meer gebroken en/of scheve (voor)tande(n)), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] (telkens) opzettelijk een of meermalen (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of te schoppen;

subsidiair:
hij op of omstreeks 16 november 2015 te Utrecht, althans in Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, (Westplein), in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] welk geweld bestond uit het één of meermalen (telkens) opzettelijk (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen, welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (gebroken en/of scheve (voor)tanden), althans enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair:
hij op of omstreeks 16 november 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door deze [slachtoffer] (telkens) opzettelijk een of meermalen (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

meest subsidiair:
hij op of omstreeks 16 november 2015 te Utrecht, althans in arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een anderen of ander, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer] ) een of meermalen tegen/op het hoofd en/of tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Door de verdediging is voorts aangevoerd dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte met grote kracht met zijn gebalde vuisten tegen het gezicht van [slachtoffer] heeft geslagen, waardoor een of meer tanden zijn afgebroken en/of scheef zijn gaan staan.

In de geneeskundige verklaring welke op 1 december 2015 is opgesteld door tandarts [naam tandarts] en het met schriftelijke stukken onderbouwde schadeonderbouwingsformulier van 26 december 2015 staat onder meer dat de gekneusde kaak pijnlijk was en dat [slachtoffer] de eerste vijf weken alleen maar vloeibaar voedsel kon eten. Daarna kon hij weliswaar wel weer vast voedsel eten, maar kon hij nog nergens iets van afhappen, vanwege de afgebroken tanden. De tanden zitten nog los en zijn gevoelig. De tandarts verwacht dat er inwendig letsel zit aan de wortels. De tanden zullen nog moeten worden voorzien van kronen. De prognose voor de lange termijn is nog onzeker. Wellicht zal er een wortelkanaalbehandeling nodig zijn, maar het is ook mogelijk dat er in de toekomst implantaten geplaatst moeten worden. [slachtoffer] heeft verder veel last van de bijholte aan de rechterkant van zijn gezicht. Snuiten en gapen waren zeer pijnlijk. [slachtoffer] heeft nog last van constante pijn en pijnscheuten aan zijn gezicht.

[slachtoffer] heeft een zwelling gehad aan zijn rechterschouder. De eerste week kon hij zijn arm niet bewegen. [slachtoffer] is begonnen met fysiotherapie en heeft 11 behandelingen gehad. Hij heeft nog steeds last van een zeurende pijn. Hij slikt dagelijks ibuprofen. Hij heeft nog geen kracht in zijn arm.

Alles bij elkaar geteld kan het hiervoor omschreven letsel, gelet op de aard ervan en de omvang van het medisch ingrijpen, naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij op of omstreeks 16 november 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (waaronder een of meer gebroken en/of scheve (voor)tande(n)), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] (telkens) opzettelijk een of meermalen (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of te schoppen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en verdachte

Het primair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

De verdediging heeft betoogd dat verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde een beroep op noodweer dan wel een beroep op noodweerexces toekomt. Daartoe is aangevoerd dat er onenigheid is ontstaan tussen [slachtoffer] en een vriend van verdachte, genaamd [vriend verdachte] . Toen verdachte zag dat zijn vriend [vriend verdachte] door [slachtoffer] werd geschopt, is hij zijn vriend te hulp geschoten. [slachtoffer] heeft hierop verdachte bij zijn keel gegrepen. Dit veroorzaakte paniek bij verdachte omdat hij kort geleden een zware neusoperatie heeft ondergaan. Verdachte heeft getracht zich te ontworstelen aan de nekgreep van [slachtoffer] en hij heeft daarbij [slachtoffer] geraakt. Hij kon echter niet anders omdat hij zichzelf moest beschermen. [vriend verdachte] heeft later bevestigd dat verdachte stond te trillen van angst. Er was sprake van een noodweersituatie. De verdediging verzoekt verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat verdachte ten gevolgde van de gedragingen van [slachtoffer] in een hevige gemoedsbeweging verkeerde, waarbij hij de grenzen van wat nog proportioneel is, heeft overschreden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Feitelijke gang van zaken

Het hof gaat voor de feitelijke gang van zaken uit van:

1. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven: (p 9)

Op 16 november 2015, omstreeks 13:50 uur, reed ik in mijn Mercedes bestelbus op het Westplein te Utrecht in de richting van de Croeselaan. Naast mij zat collega [getuige 1] .

Ik reed ter hoogte van een oversteekplaats voor voetgangers. Ik zag dat het stoplicht voor automobilisten op groen stond. Ineens zag ik twee mannen toch oversteken. Ik moest remmen en uitwijken om de mannen niet te raken. Ik ben gestopt en deed het portier open en vroeg: ”Wat is er aan de hand?” Ik zag dat zij naar mij toekwamen. Ik stond op dat moment half op de treeplank en mijn gordel zat nog vast. Ik zag dat één van de mannen het portier beetpakte en dit open hield. Ik zag en voelde dat de andere man meteen begon te schoppen en te slaan. Ik voelde dat ik in mijn gezicht werd geslagen. Ik zag dat ik werd geslagen met gebalde vuisten. Ik voelde direct veel pijn in mijn gezicht. Ik voelde ook pijn aan mijn rechterschouder. Ik voelde met mijn tong dat er stukken tand ontbraken. Ik proefde bloed in mijn mond.

2. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 2] , zakelijk weergegeven: (p 104)

Ik liep op 16 november 2015 omstreeks 14:00 uur bij de oversteekplaats op het Westplein in Utrecht. Ik zag dat het verkeerslicht rood was. Aan de overkant zag ik dat twee mannen aanstalten maakten om door het rode voetgangerslicht over te steken. Ik zag dat er een Mercedes bus aan kwam rijden. Ik zag dat de bus na de oversteekplaats stopte en dat de twee mannen naar de bus toe liepen. Ik zag de lange man de bestuurder meerdere keren op zijn hoofd slaan met gebalde vuisten. Ik zag dat de bestuurder zichzelf probeerde af te weren. Ik zag dat de bestuurder zijn armen voor zijn hoofd hield. Ik zag dat de bestuurder probeerde terug de bus in te stappen. Ik zag dat de lange man hem terug trok en op deze manier zorgde dat de bestuurder niet terug in kon stappen.

3. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 1] , zakelijk weergegeven: (p 107-109)

Ik ben de bijrijder van [slachtoffer] , de man die is geslagen op de kruising van het Westplein. We hadden op 16 november 2015, rond 14:00 uur, groen licht en wij reden in een Mercedes bus. Ik zag twee mannen op de weg lopen. Ik zag dat wij de mannen passeerden. Ik zag dat [slachtoffer] uit de auto stapte en aan de mannen vroeg wat er aan de hand was. Ik hoorde dat zij met elkaar spraken. Het ging er over dat de twee mannen het niet leuk vonden dat zij werden gepasseerd. Ik zag dat [slachtoffer] met één been in de deurpost van de bus stond en met een arm vast zat in de gordel op het moment dat hij werd geslagen. De dunnere man ging aan het portier trekken en de andere man sloeg op [slachtoffer] in. Ik zag alleen zijn handen de hele tijd richting het gezicht van [slachtoffer] gaan. Ik zag dat [slachtoffer] met een vuist in zijn gezicht werd geslagen.

Beoordelingskader

Om een geslaagd beroep te kunnen doen op noodweer(exces) in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht, is vereist dat de gedraging van verdachte was geboden ter noodzakelijke verdediging van zijn of iemand anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een (onmiddellijk dreigende) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, door [slachtoffer] .

Blijkens de wettelijke omschrijving van noodweer gaat het bij deze strafuitsluitingsgrond om de "verdediging" van bepaalde rechtsgoederen tegen een (wederrechtelijke) aanranding. Dit betekent dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie. In zo een geval kan ook een beroep op noodweer(exces) niet slagen.

Ten aanzien van het beroep op noodweer

Aan de hand van de hiervoor weergegeven verklaringen is vast komen te staan dat verdachte op 16 november 2015 op het Westplein te Utrecht naar [slachtoffer] is toegelopen en hem heeft aangevallen. Verdachte heeft [slachtoffer] meerdere malen met gebalde vuist in zijn gezicht gestompt en hem geschopt.

Het hof acht op grond van deze vaststelling en het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat er op enig moment sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] jegens verdachte, noch van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Anders dan de verklaring van verdachte is er geen informatie voorhanden dat [slachtoffer] verdachte bij zijn keel heeft gegrepen, terwijl verschillende getuigen het incident hebben gezien. Het hof is, op grond van grond van de bedoeling van verdachte en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen, van oordeel dat het handelen van verdachte niet kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend en gericht op een confrontatie. Het beroep op noodweer faalt derhalve. Om diezelfde reden faalt ook het beroep op noodweerexces.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich ernstig heeft misdragen naar aanleiding van een verkeerssituatie en er voor zijn gedrag geen enkele rechtvaardiging is en hij al eerder ter zake van mishandeling tot straf is veroordeeld.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.715,43. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.715,43 (zesduizend zevenhonderdvijftien euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 5.915,43 (vijfduizend negenhonderdvijftien euro en drieënveertig cent) materiële schade en € 800,00 (achthonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 6.715,43 (zesduizend zevenhonderdvijftien euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 5.915,43 (vijfduizend negenhonderdvijftien euro en drieënveertig cent) materiële schade en € 800,00 (achthonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 68 (achtenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Aldus gewezen door

mr. M. Keppels, voorzitter,

mr. J.D. den Hartog en mr. M.E. van Wees, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.H. Diepeveen, griffier,

en op 28 maart 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 28 maart 2017.

Tegenwoordig:

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. J.J.T.M. Pieters, advocaat-generaal,

mr. D. Mientjes, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.