Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11486

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-12-2017
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
200.229.511/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gijzeling in faillissement. Misbruik bevoegdheid r-c?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/178
RI 2018/28
JOR 2018/106 met annotatie van mr. W.J.B. van Nielen
NJF 2018/197
INS-Updates.nl 2018-0013
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer 200.229.511/01

(zaaknummer rechtbank 16/232)

beschikking van 28 december 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. T.R. Westra, kantoorhoudende te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

20 december 2016 is het faillissement uitgesproken van de besloten vennootschap Horeca Exploitatiemaatschappij Sneek B.V. gevestigd te Zutphen met nevenvestiging te Sneek.

Tot curator is aangesteld mr. P. van der Sluis.

1.2

De rechter-commissaris heeft op 19 oktober 2017 een voordracht tot gijzeling van [appellant] gedaan op grond dat [appellant] , als feitelijk leidinggevende van gefailleerde weigert conform artikel 105 Fw inlichtingen te verstrekken aan de curator.

1.3

Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

30 november 2017 is bevolen dat [appellant] in verzekerde bewaring zal worden gesteld voor een periode van dertig dagen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [appellant] gehouden was de curator conform artikel 105 Fw inlichtingen te verschaffen en dat hij deze verplichting heeft geschonden door te (blijven) weigeren die inlichtingen te geven.

1.4

[appellant] is op 13 december 2017 in verzekerde bewaring gesteld en voorgeleid aan de meervoudige kamer van de rechtbank. In haar beschikking van 14 december 2017 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank het bevel tot verzekerde bewaringstelling gehandhaafd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 13 december 2017, heeft [appellant] verzocht voornoemde beschikking van 30 november 2017 te vernietigen.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift met drie producties (de voordracht van de rechter-commissaris, het oproepingsexploot en de bestreden beschikking).

2.3

Op 20 december 2017, voor aanvang van de mondelinge behandeling, is ook de genoemde beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 14 december 2017 overgelegd.

2.4

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 december 2017, waarbij [appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. T.R. Westra. Mr. I.J. Woltman is namens de curator verschenen. Door mr. Westra zijn pleitnotities overgelegd waarin is verzocht ook de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 14 december 2017 te vernietigen.

3 De beoordeling

Beoordeling van het hoger beroep

3.1

Volgens de curator heeft de boedel een vordering op [appellant] als (feitelijk) bestuurder van de gefailleerde. Tot zekerheid van betaling van die vordering heeft de curator conservatoir beslag doen leggen onder [appellant] op een sloep met een waarde van circa € 15.000,-. (Mede) door toedoen van [appellant] is die sloep aan het beslag onttrokken. De curator heeft daarop op grond van artikel 105 Fw in samenhang met artikel 106 Fw verlangd dat [appellant] inlichtingen zou verschaffen om de plaats te achterhalen waar de sloep zich thans bevindt. [appellant] weigert deze informatie te verstrekken omdat de sloep volgens hem tot zijn privévermogen behoort en hij daarover geen verantwoording aan de curator is verschuldigd, alsmede dat hij door het verstrekken van inlichtingen derden in problemen zou brengen.

3.2

[appellant] verzet zich tegen de beschikkingen van de rechtbank waarin op voordracht van de rechter-commissaris zijn in bewaring stelling is bevolen. Hij betoogt dat de rechter-commissaris van 'zijn bevoegdheid' misbruik maakt door deze te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven (artikel 3:13 BW). Volgens [appellant] dienen de bestreden beschikkingen te worden vernietigd en dient de gijzeling alsnog te worden afgewezen.

3.3

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. In artikel 87 lid 1 Fw is bepaald dat de rechtbank bij het vonnis van faillietverklaring of te allen tijde daarna kan bevelen dat de gefailleerde wegens het niet nakomen van de verplichtingen welke de wet hem in verband met zijn faillissement oplegt (in dit geval de verplichting van artikel 105 Fw) in verzekerde bewaring wordt gesteld. Op grond van artikel 106 Fw gelden deze bepalingen ook voor de bestuurder van een gefailleerde rechtspersoon. In artikel 87 lid 1 Fw is, voor zover hier van belang, voorts bepaald dat de rechtbank nadat het faillissement is uitgesproken het bevel tot gijzeling slechts kan geven op voordracht van de rechter-commissaris.

3.4

In deze zaak is de enige relevante bevoegdheid waarvan de rechter-commissaris gebruik heeft gemaakt en daarmee de enige bevoegdheid die hij kan hebben misbruikt, zijn bevoegdheid tot het doen van een voordracht tot gijzeling. Volgens [appellant] is deze bevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven. Ook uit het eigen betoog van [appellant] volgt echter dat de rechter-commissaris zijn bevoegdheid tot het doen van een voordracht heeft gebruikt om [appellant] te bewegen zich te houden aan zijn wettelijke verplichting als bedoeld in artikel 105 Fw. Mede met het oog op dat doel is die bevoegdheid echter gegeven. Van gebruik voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, is daarom in beginsel geen sprake. Dit zou, gelet op HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2997, NJ 2017/27, anders kunnen zijn indien door middel van gijzeling wordt getracht het verstrekken van inlichtingen af te dwingen ten behoeve van een civiele procedure door de curator tegen de bestuurder van de gefailleerde zelf. Met andere woorden indien de bestuurder inlichtingen zou moeten verstrekken waarmee hij zijn eigen processuele positie jegens de curator zou ondergraven. Deze omstandigheid doet zich in de onderhavige zaak echter niet voor.

3.5

Voor zover het betoog van [appellant] in die zin moet worden begrepen dat de rechter-commissaris misbruik heeft gemaakt van een hem op grond van artikel 105 Fw toekomende bevoegdheid, faalt dat betoog eveneens. In het licht van de gestelde feiten en omstandigheden is het de curator geweest die een beroep heeft gedaan op de in artikel 105 Fw besloten verplichting van [appellant] tot het verstrekken van inlichtingen. De rechter-commissaris heeft daarop (slechts) de in artikel 87 Fw bedoelde voordracht tot gijzeling gedaan. Artikel 105 Fw zelf verschaft geen bevoegdheid tot gijzeling c.q. tot het doen van een voordracht daartoe, terwijl het in dit hoger beroep nu juist gaat om die laatste bevoegdheid. De argumenten van [appellant] missen daarmee doel voor zover zij zijn gericht op misbruik door de rechter-commissaris van een in artikel 105 Fw besloten bevoegdheid.

3.6

Dat neemt niet weg dat de rechter-commissaris het toepassingsbereik van artikel 105 Fw kan hebben miskend en dat een daarop gebaseerde bevoegdheid tot het doen van een voordracht tot gijzeling niet tot toewijzing zou mogen leiden. Het hof zal daarom en vanwege de verstrekkende consequenties van gijzeling het gedane beroep op misbruik van bevoegdheid ruim opvatten en ook beoordelen of de rechter-commissaris, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot het doen van voordracht (een vlotte en rechtvaardige boedelafwikkeling) en het belang dat daardoor wordt geschaad (het aan [appellant] ontnemen van zijn vrijheid), naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

3.7

Voor de beoordeling daarvan is van belang of [appellant] terecht betoogt dat hij op grond van artikel 105 Fw in samenhang met 106 Fw niet is gehouden tot het geven van inlichtingen aan de curator. De verplichting tot het geven van inlichtingen is in artikel 105 Fw als volgt omschreven:
De gefailleerde is verplicht de curator, de schuldeiserscommissie en de rechter-commissaris alle inlichtingen te verschaffen als dit van hem wordt verlangd, op de wijze als daarbij is bepaald. De gefailleerde licht de curator eigener beweging in over feiten en omstandigheden waarvan hij weet of behoort te weten dat deze voor de omvang, het beheer of de vereffening van de boedel van belang zijn.

3.8

De tekst van de wet duidt op een zeer ruime verplichting van de (bestuurder van de) failliet om inlichtingen te verstrekken. In de parlementaire geschiedenis worden aan de omvang van die inlichtingenplicht geen beperkingen gesteld. Ook de aard van deze inlichtingenverplichting verzet zich tegen een op voorhand te geven begrenzing daarvan nu deze verplichting juist is gegeven ter verkrijging van opheldering. In HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2997, NJ 2017/27 lijkt de Hoge Raad de omvang van de verplichting tot het gevraagd en ongevraagd geven van inlichtingen van de (bestuurder van de) failliet bedoeld in artikel 105 Fw vergaand gelijk te stellen met de in artikel 66 Fw aan de rechter-commissaris gegeven bevoegdheid tot het horen van getuigen. In de MvT op die laatstgenoemde bepaling is de omvang van de verplichting tot antwoorden voor getuigen als volgt verwoord: “De Rechter-Commissaris moet de noodige macht bezitten om, wanneer hem dit wenschelijk voorkomt, een zoo volledig mogelijk onderzoek te kunnen instellen naar alle omstandigheden het faillissement betreffende, naar de oorzaken daarvan, het gedrag des schuldenaars enz.” Het ligt in de rede ook op grond van artikel 105 Rv een verstrekkende informatieplicht te aanvaarden, zij het met de hiervoor onder 3.4. genoemde aan HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2997, NJ 2017/27 ontleende begrenzing.

3.9

Uit het vorenstaande vloeit voort dat [appellant] gehouden is om aan de curator de door deze gewenste informatie te verstrekken aangaande de sloep die mede door toedoen van [appellant] aan een daarop gelegd beslag is onttrokken. Slechts zeer bijzondere door [appellant] aan te voeren omstandigheden kunnen op dit uitgangspunt inbreuk maken. De enkele stelling dat [appellant] door het verstrekken van deze informatie derden zou incrimineren of duperen is daartoe onvoldoende. Gesteld noch gebleken is dat het daarbij gaat om een (vroegere) partner, bloed- of aanverwanten van [appellant] . Evenmin heeft [appellant] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij door het verstrekken van de gevraagde inlichtingen zichzelf zou incrimineren of anderszins in gevaar zou brengen. Ook andere omstandigheden die zouden kunnen rechtvaardigen dat de inlichtingenverplichting van [appellant] moet worden achtergesteld bij het op zich gerechtvaardigde belang van de curator duidelijkheid te krijgen aangaande het verdwijnen van een zekerheidsobject dat in strijd met strafrechtelijke normen (artikel 198 Sr) is onttrokken aan een beslag ten gunste van de boedel, zijn gesteld noch gebleken.

3.10

Ook het betoog van [appellant] dat de sloep behoort tot zijn privévermogen faalt. Zelfs indien die stelling juist is (de curator heeft dat betwist), wordt daarmee miskend dat de sloep een ten gunste van de boedel onder beslag liggend verhaalsobject betrof. Daarmee is een gerechtvaardigd belang van de boedel gegeven bij het verkrijgen van inlichtingen aangaande de plaats waar het verdwenen beslagobject zich thans bevindt.

3.11

Onder deze omstandigheden heeft de rechter-commissaris op goede gronden een voordracht tot gijzeling van [appellant] kunnen doen zonder dat sprake was van een onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van die bevoegdheid en het belang van
informatie te mogen achterhouden zonder dat jegens hem een voordracht tot gijzeling zou worden gedaan.

3.12

Voor zover [appellant] zou hebben bedoeld niet de rechter-commissaris maar de curator te verwijten dat hij misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt, faalt het beroep van [appellant] evenzeer. Gesteld noch gebleken is dat de gijzeling is gegeven ingevolge een daartoe door de curator gedaan verzoek. Zou gedoeld zijn op misbruik van bevoegdheid door de curator doordat deze op grond van artikel 105 Fw inlichtingen heeft gevraagd en daarop antwoord heeft verlangd geldt het volgende. Anders dan [appellant] kennelijk betoogt beperkt artikel 105 Fw niet de bevoegdheid om aan de gefailleerde vragen te stellen. In het artikel wordt de verplichting van de (bestuurder van de) gefailleerde benadrukt om op alle vragen het faillissement betreffende antwoord te geven en/of spontaan de benodigde inlichtingen te verschaffen. Zelfs echter indien in artikel 105 Fw wel een relevante bevoegdheid van curator zou moeten worden gelezen dan heeft de enkele uitoefening daarvan op zich niet geleid tot de gijzeling die inzet is van dit hoger beroep.

Slotsom

3.13

Nu van misbruik van omstandigheden door de rechter-commissaris (of de curator) geen sprake is, terwijl [appellant] ten onrechte blijft weigeren de gevraagde – het faillissement betreffende - inlichtingen aan de curator te verstrekken zal het hof de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland van 30 november 2017 en 14 december 2017 bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 30 november 2017 en 14 december 2017.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Rijssen, mr. A.R. van der Winkel en

mr. E.F. Groot en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 december 2017.