Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11345

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
28-12-2017
Zaaknummer
200.217.029/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curatele. Benoeming moeder in strijd met zwaarwegende belangen van de dochter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.217.029/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 5503545 CU VERZ 16-109)

beschikking van 19 december 2017

inzake


[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder van betrokkene,

advocaat: mr. L.C. Faber te Heerde,

en

[de curator] h.o.d.n. [B],
kantoorhoudend te [C] ,
verder te noemen: de curator,

alsmede:

[betrokkene] ,
verblijvende in [D] te [E] ,
verder te noemen: betrokkene dan wel [betrokkene] ,
de Advocaat-Generaal in het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden,

gevestigd te Arnhem,
verder te noemen: de AG,


[vader betrokkene] ,
wonende te [A] ,
verder te noemen: de vader van betrokkene.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 6 maart 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 2 juni 2017;

- een faxbericht van mr. Faber van 22 juni 2017;
- het verweerschrift van de curator met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Faber van 15 augustus 2017 met productie(s);
- een brief van de curator van 17 november 2017.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het schrijven van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI) van 27 juli 2017 √met productie(s). De GI is door het hof als informant aangemerkt in deze procedure, bedoeld in artikel 800 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Bij brief van 10 juli 2017 heeft het bewindsbureau van de rechtbank Overijssel het hof nog enige ontbrekende stukken uit de procedure in eerste aanleg doen toekomen.

2.3

De mondelinge behandeling van de zaak heeft op 22 november 2017 plaatsgevonden, waarbij de moeder en haar advocaat zijn verschenen en namens de curator mw. [F] .
Mr. Faber heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

[betrokkene] , geboren [in] 1999, heeft een lichte verstandelijke beperking en is gediagnosticeerd met schizofrenie zich uitende onder meer in (langdurige) psychotische episodes.

3.2

[betrokkene] heeft vanaf 4 februari 2015 tot haar meerderjarigheid onder toezicht gestaan van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering.

3.3

Op 12 februari 2015 is zij op basis van een inbewaringstelling opgenomen bij [G] . [betrokkene] zit dan in een (vermoedelijk al sinds juni 2014 bestaande) psychose. Na een langdurige opname (op basis van een rechterlijke machtiging) is zij met ontslag gegaan maar op 24 augustus 2016 is zij opnieuw met een inbewaringstelling opgenomen bij [G] . Sinds 8 november 2017 verblijft [betrokkene] in een voorziening van [D] .

3.4

Bij verzoekschrift van 12 december 2016 heeft het OM - op verzoek van de GI - de kantonrechter verzocht [betrokkene] onder curatele te stellen met ingang van de dag dat zij meerderjarig wordt.

3.5

In de bestreden beschikking is dat verzoek toegewezen met benoeming van voornoemde (professionele) curator en met beslissingen omtrent diens beloning en publicatie van de maatregel.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen en verzoekt het hof de bestreden beschikking (naar het hof begrijpt: voor wat betreft de benoeming van de curator) te vernietigen en de curator te ontslaan met benoeming van de moeder tot curator met inachtneming van artikel 1:383 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.2

De curator heeft het verzoek van de moeder in hoger beroep bestreden.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Aan de orde is wie tot curator van [betrokkene] dient te worden benoemd. Niet in geschil is dat de maatregel van curatele als zodanig noodzakelijk en gerechtvaardigd is nu daarvoor in het geval van betrokkene voldoende grond bestaat.

5.2

Op grond van 1:383 lid 2 BW volgt de rechter bij de benoeming van de curator de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

In het onderhavige geval heeft [betrokkene] geen voorkeur kenbaar gemaakt. Zij is niet gehoord en is niet door de kantonrechter en niet door het hof gevraagd naar haar voorkeur. Uit hetgeen de moeder en de curator ter zitting naar voren hebben gebracht, hetgeen wordt gesteund door informatie in het dossier, is gebleken dat [betrokkene] niet begrijpt wat curatele is en kan zij haar voorkeur niet aangeven.

5.3

Ingevolge het derde lid van voornoemd artikel wordt, tenzij lid 2 is toegepast, indien de betrokkene is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levenspartner heeft, bij voorkeur de echtgenoot, geregistreerd partner, dan wel een andere levensgezel tot curator benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot curator benoemd.

5.4

Het hof is van oordeel dat zwaarwegende belangen van [betrokkene] zich verzetten tegen benoeming van de moeder tot curator over haar. In het bijzonder is het hof ervan overtuigd dat de continuïteit van de hulpverlening, zorg en veiligheid van [betrokkene] niet zijn gewaarborgd indien de moeder tot curator zou worden benoemd. De moeder heeft daarvoor onvoldoende probleeminzicht, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit het feit dat zij adviezen van behandelend psychiaters van [betrokkene] naast zich neerlegt en moeite heeft de contacten tussen haar en [betrokkene] op een voor [betrokkene] niet belastende wijze te laten plaatsvinden. Zo heeft zij na [betrokkene] haar eerste opname de medicatie van [betrokkene] stopgezet waarna een 'recidief psychose' bij [betrokkene] optrad. Verder heeft de moeder ter zitting verklaard dat zij het huidige verblijf van [betrokkene] bij [D] onmiddellijk zal stopzetten zodra zij daartoe de kans heeft, geheel in strijd met de adviezen van de behandelaars en overigens ook met het indicatiebesluit van het CIZ (24-uurs; onbepaalde tijd). De moeder erkent en herkent kennelijk niet de ernst van het ziektebeeld van [betrokkene] en ziet niet in dat [betrokkene] een gestructureerde omgeving nodig heeft met professionele zorg en hulp. Het hof neemt daarbij in overweging dat om diezelfde reden in februari 2015 een ondertoezichtstelling over [betrokkene] is uitgesproken, waarna zij kort daarna met een inbewaringstelling is opgenomen. In de thuissituatie bij de moeder kreeg [betrokkene] niet de zorg die zij in verband met haar psychiatrisch ziektebeeld nodig had.

5.5

Daarnaast herkent de moeder de grenzen van [betrokkene] in het contact met haar onvoldoende. Vanwege de problematiek van [betrokkene] dient dat onbelast en gestructureerd plaats te vinden maar de moeder kan zich daarin niet vinden. Zij straalt veel boosheid uit en dat heeft blijkens de stukken een negatieve weerslag op [betrokkene] . Ook ter zitting van het hof had de moeder merkbaar moeite haar boosheid te controleren en anderen uit te laten spreken.

5.6

Een en ander rechtvaardigt de conclusie dat zwaarwegende belangen van [betrokkene] zich verzetten tegen benoeming van de moeder tot curator over haar. Daaruit volgt dat het hoger beroep van de moeder faalt.

6
6. De slotsom

Het hof zal de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:


bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 6 maart 2017 waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.


Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, I.A. Vermeulen en M.A.F. Holtvluwer-Veenstra, bijgestaan door mr. A.T. Harkema als griffier en op 19 december 2017 in het openbaar uitgesproken.