Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11340

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
17/00322
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:1495, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Persoonsgebonden aftrek. Uitgaven levensonderhoud. Zoon met studiefinanciering. Giften. Specifieke zorgkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/76
V-N 2018/15.18.6
Viditax (FutD), 08-01-2018
FutD 2018-0179
NTFR 2018/69
NLF 2018/0164 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/00322

uitspraakdatum: 19 december 2017

Uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 februari 2017, nummer AWB 16/3586, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Den Haag (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.6.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is nog een stuk van belanghebbende bij het Hof ingekomen. Het Hof heeft, gezien de inhoud daarvan, geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. Een afschrift van dit stuk is aan deze uitspraak gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft over het jaar 2013 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 47.915. In de aangifte heeft zij een bedrag van € 8.291 aan persoonsgebonden aftrek op haar inkomen in mindering gebracht, bestaande uit € 1.420 wegens uitgaven voor levensonderhoud van kinderen (4 kwartalen x € 355) en € 6.871 voor giften (na toepassing van de drempel en het maximum en na verhoging voor giften aan culturele instellingen).

2.2.

De uitgaven voor levensonderhoud van kinderen hebben betrekking op de zoon van belanghebbende [A] met geboortedatum 29 maart 1993 (hierna: de zoon). De zoon ontving in het onderhavige jaar studiefinanciering van 1 januari 2013 tot en met 31 mei 2013.

2.3.

De moeder van belanghebbende [B] stond het gehele jaar 2013 in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres van belanghebbende en is daar in dat jaar ook feitelijk woonachtig. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar haar moeder verzorgd en heeft daarvoor loon ontvangen uit het aan haar moeder toegekende persoonsgebonden budget.

2.4.

Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen over het eerste en tweede kwartaal gecorrigeerd, alsmede de gehele giftenaftrek. Hij heeft de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van 55.496.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de hoogte van de persoonsgebonden aftrek.

3.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur ten onrechte de aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud van kinderen over het eerste en tweede kwartaal en de giften heeft gecorrigeerd. Belanghebbende stelt voorts dat zij recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten. Belanghebbende concludeert – naar het Hof begrijpt – tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag.

3.3.

De Inspecteur is van mening dat de aanslag juist is vastgesteld en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen

4.1.

Ingevolge artikel 6.13, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2013; hierna: Wet IB 2001) komen voor aftrek in aanmerking de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Volgens artikel 6.14, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 worden uitgaven voor levensonderhoud van een kind niet in aanmerking genomen indien het kind recht heeft op een gift, een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs volgens de Wet studiefinanciering 2000 die, voor zover hier van belang, niet uitsluitend bestaat uit een reisvoorziening in de zin van die wet. Voor de beoordeling van de vraag of aan de onderhoudsvereisten van artikel 6.13 van de Wet IB 2001 wordt voldaan, is de toestand bij het begin van het kalenderkwartaal beslissend (vgl. HR 29 augustus 1997, nr. 32.630, ECLI:NL:HR:1997:AA2105).

4.2.

Niet in geschil is dat de zoon van 1 januari 2013 tot en met 31 mei 2013 studiefinanciering heeft ontvangen. Belanghebbende stelt dat de zoon de studiefinanciering vanwege het beëindigen van zijn opleiding heeft terugbetaald, hetgeen betekent dat hij geen recht had op studiefinanciering.

4.3.

Het Hof is van oordeel dat artikel 6.14, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud van de zoon over het eerste en tweede kwartaal van 2013 verhindert. Uit een in het dossier aanwezige computeruitdraai blijkt dat de zoon van belanghebbende van 1 januari 2013 tot en met 31 mei 2013 recht had op studiefinanciering en aan hem een bedrag van € 335,75 is toegekend voor deze periode. Dat de zoon van belanghebbende geen recht had op studiefinanciering en hij de studiefinanciering, zoals belanghebbende stelt, op een later moment heeft terugbetaald, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt slechts dat door Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) geld is afgeschreven in verband met de inning van lesgeld.

Giften

4.4.

Ingevolge artikel 6.32 van de Wet IB 2001 in samenhang met artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet IB 2001 worden – voor zover hier van belang – als aftrekbare giften aangemerkt periodieke giften en andere giften aan algemeen nut beogende instellingen. Een algemeen nut beogende instelling (hierna: ANBI) dient op grond van artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als zodanig door de Inspecteur te zijn aangemerkt.

4.5.

Belanghebbende stelt dat zij tot een bedrag van € 9.131 betalingen heeft verricht aan [C] , gevestigd in Senegal. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat deze instelling niet door hem is aangemerkt als een ANBI, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor aftrek.

4.6.

Belanghebbende stelt echter dat zij in het verleden giften aan [C] heeft kunnen aftrekken, hetgeen bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat zij ook voor het onderhavige jaar in aanmerking komt voor aftrek van giften aan deze organisatie. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof verklaard dat bij de aanslagregeling over 2010 een brief aan belanghebbende is gestuurd die bij haar de indruk zou kunnen hebben gewekt dat giften aan [C] aftrekbaar zijn. Hij is evenwel van mening dat belanghebbende de betalingen aan [C] in 2013 niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat op die grond de aftrek wordt geweigerd.

4.7.

Het Hof stelt voorop dat het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat zij tot het door haar gestelde bedrag betalingen heeft verricht aan [C] . Naar het oordeel van het Hof is zij daarin niet geslaagd. Ter onderbouwing van de giften heeft belanghebbende betalingsbewijzen overgelegd van een aantal betalingen die via Western Union zijn uitgevoerd. Deze betalingen hebben als omschrijving ‘other kennis’ en ‘family assistance’ en zijn overgemaakt naar personen in Frankrijk. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze bedragen aan de in Senegal gevestigde [C] ten goede zijn gekomen. Weliswaar heeft zij een verklaring overgelegd waarin [C] verklaart dat belanghebbende donaties heeft gedaan, doch deze verklaring is niet gedateerd en bevat evenmin een bedrag. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur terecht geen giften in aftrek heeft toegelaten.

Specifieke zorgkosten

4.8.

Belanghebbende stelt dat zij ten behoeve van haar inwonende zorgafhankelijke moeder € 3.660 aan kosten voor persoonlijke verzorging en € 2.045 aan vervoerskosten heeft gemaakt, die als specifieke zorgkosten op het inkomen in mindering moeten worden gebracht.

4.9.

In artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 is een limitatieve opsomming van specifieke zorgkosten opgenomen (vgl. HR 13 februari 2015, nr. 14/02082, ECLI:NL:HR:2015:278). Kosten voor persoonlijke verzorging zijn in die opsomming niet genoemd en komen daarom niet voor aftrek in aanmerking.

4.10.

Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001 worden als uitgaven wegens ziekte en invaliditeit aangemerkt de uitgaven voor vervoer. De uitgaven moeten rechtstreeks verband houden met de ziekte of invaliditeit en zien derhalve op bezoeken aan medische hulpverleners. Belanghebbende heeft een specificatie overgelegd van ritten die zij in verband met de zorg voor haar moeder heeft gemaakt. Ter zitting van het Hof heeft zij verklaard dat dit overzicht voornamelijk bestaat uit familiebezoeken om haar moeder in staat te stellen sociale contacten te kunnen onderhouden. Uit het overzicht is niet af te leiden welke ritten rechtstreeks verband houden met de ziekte of invaliditeit van belanghebbendes moeder. De familiebezoeken vallen daar niet onder. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met het overzicht de aanwezigheid en de omvang van de door haar gestelde uitgaven voor vervoer in verband met bezoeken aan medische hulpverleners niet aannemelijk heeft gemaakt.

4.11.

Onder genoemde vervoerskosten dienen behalve uitgaven voor bezoeken aan medische hulpverleners, ook te worden gerekend de overige op belastingplichtige drukkende kosten van vervoer voor zover zij meer bedragen dan de vervoerskosten van andere belastingplichtigen die niet ziek of invalide zijn maar overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft in een gelijke positie verkeren als de belastingplichtige (vgl. HR 15 december 1999, nr. 35.157, ECLI:NL:HR:1999:AA3847). Belanghebbende heeft hiervoor niets aangevoerd, zodat zij dit niet aannemelijk heeft gemaakt.

4.12.

Voor zover belanghebbende stelt dat de kosten aftrekbaar zijn als weekenduitgaven voor gehandicapten als bedoeld in artikel 6.25 van de Wet IB 2001 merkt het Hof op dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden van dit artikel omdat haar moeder niet doorgaans in een inrichting verblijft. Daardoor is aftrek van weekenduitgaven voor gehandicapten niet mogelijk.

4.13.

De kosten die met de verzorging van belanghebbendes moeder samenhangen kunnen niet in mindering worden gebracht op de ontvangen bedragen uit het persoonsgebonden budget. Belanghebbende en haar moeder hebben kennelijk gebruikgemaakt van de zogenoemde opting-in-regeling. Op grond daarvan zijn de inkomsten uit het persoonsgebonden budget voor belanghebbende aangemerkt als loon uit dienstbetrekking, hetgeen de aftrek van kosten verhindert.

4.14.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond

Slotsom


Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 19 december 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige

belastingkamer,

(E.D. Postema) (A.E. Keulemans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 21 december 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.