Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11257

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
WAHV 200.186.840
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gehandicaptenparkeerkaart. Passagierskaart. Rechtstreeks verband met vervoer gehandicapte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.186.840

20 december 2017

CJIB 179664935

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 6 januari 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

advocaat te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Daarbij is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 370,- opgelegd ter zake van “parkeren op gehand. parkeerplaats anders dan dat het parkeren rechtstreeks verband houdt met vervoer gehandicapte”, welke gedraging zou zijn verricht op 18 januari 2014 om 16.14 uur op de Steenvoordelaan te Rijswijk.

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat er wel degelijk een gehandicaptenparkeerkaart aanwezig was in het voertuig en dat het parkeren wel degelijk verband hield met het vervoer van een gehandicapte. De betreffende auto is van de heer

[C] , aan wie een gehandicaptenparkeerkaart is verstrekt en die zich op de pleegdatum liet vervoeren door de betrokkene. De betrokkene had de heer [C] weggebracht en afgesproken dat zij elkaar rond 17.30 weer zouden treffen bij de auto. Dat de betrokkene in de tussentijd met haar dochter heeft gewinkeld, zoals ook uit de verklaring van de verbalisant kan worden afgeleid, kan er niet aan afdoen dat het parkeren verband hield met het vervoer van een gehandicapte. Dat de heer [C] zelf niet aanwezig was toen de verbalisant zijn constatering deed, kan daar evenmin aan afdoen.

De aanvullende verklaring van de verbalisant houdt in dat er in eerste instantie geen gehandicaptenparkeerkaart in het voertuig aanwezig was. Die verklaring is, aldus de gemachtigde, niet juist en dient - mede gelet op de onjuiste vermelding van personalia van de betrokkene - te worden betwijfeld.

De verbalisant heeft de betrokkene in de gelegenheid gesteld om contact te leggen met de heer [C] . De conclusie dat de betrokkene daar niet aan heeft kunnen of willen voldoen is onjuist, volgens de gemachtigde. Uit de door de gemachtigde overgelegde telefoongegevens blijkt dat zij om 17.08 uur contact met de heer [C] heeft gezocht en om 17.12 uur daadwerkelijk contact heeft gekregen; hij vertelde toen dat hij niet eerder dan een kwartier later ter plaatse kon zijn. Toen dat uitliep is er om 17.39 uur nogmaals telefonisch contact geweest. Dat de verbalisant daar niet op wilde of kon wachten, kan deze sanctie niet rechtvaardigen. Ter staving van dit verweer zijn verschillende bewijsstukken overgelegd, waaronder een getuigenverklaring van de heer [C] en een afschrift van zijn gehandicaptenparkeerkaart.

Tenslotte voert de gemachtigde aan dat de opgelegde sanctie onredelijk hoog is, mede gelet op de omstandigheid dat zij niet eerder een dergelijke sanctie heeft gekregen en omdat haar beroep pas is behandeld geruime tijd nadat de sanctie is opgelegd.

3. Artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b., van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), houdt in:

“Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:

(…);

b. een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt, dan wel met het vervoer van een of meerdere personen die in een instelling verblijven, indien de kaart aan het bestuur van die instelling is verstrekt; (…)”

4. In het dossier bevindt zich de het proces-verbaal van de verbalisant van

23 maart 2015, dat - voor zover hier van belang - inhoudt:

“Op zaterdag 18 januari 2014 zag ik tijdens mijn surveillance een voertuig geparkeerd staan op een invalidenparkeerplaats (IVP) gelegen aan de Steenvoordelaan te Rijswijk. Deze IVP is gelegen tegenover de ingang van de Sterpassage (…). Op het moment dat ik langs reed zag ik geen invalidenparkeerkaart (IVP-kaart) in het voertuig liggen en geen personen in de auto aanwezig. Vanuit mijn werk weet ik dat er regelmatig misbruik van de IVP-kaart wordt gemaakt en daarom is er vanuit de politie extra toezicht op. Daar het richting het einde van de winkeldag liep besloot ik in de directe omgeving te blijven rijden om op die manier de verschillende bestuurders van de diverse voertuigen met een IVP-kaart aan te kunnen spreken en zodoende te kunnen controleren of het gebruik van de IVP-kaart correct was. Omstreeks 16.14 uur zag ik dat (…) verweerster bij haar auto aangelopen kwam, ik zag dat verweerster diverse plastic tasjes bij zich droeg.(…) Ik zag dat ze met nog een persoon liep die ook diverse plastic tasje bij zich had. Beide personen stapten vervolgens in de Fiat 500 met het kenteken [00-YYY-0] , alwaar ik een IVP-kaart in had zien liggen. (…) Hierop heb ik de verweerster aangesproken en gevraagd of ik de IVP-kaart ter inzage mocht zien. Hieraan voldeed zij. Ik zag dat de foto en de naam niet overeenkwamen en vroeg waar de houder van de kaart was. Gezien de tijd die tussen de aankondiging van beschikking en dit

proces-verbaal heeft gezeten, weet ik het exacte gesprek niet meer welke ik met verweerster heb gevoerd. Ik weet echter wel welke werkwijze ik in zulke gevallen toepas. Als iemand aangeeft zojuist de kaarthouder te hebben afgezet in/bij b.v. het winkelcentrum verzoek ik deze persoon de kaarthouder te contacten. Dit om alle mogelijk verwarring weg te halen en het eventueel uitschrijven van de bekeuring te voorkomen. Ook ben ik bereid zelf naar de pashouder toe te gaan om zodoende snel alles te kunnen kortsluiten. Kennelijk heeft verweerster hier niet aan kunnen of willen meewerken.”

5. Uit deze verklaring volgt dat de verbalisant deze sanctie niet heeft opgelegd omdat er geen gehandicaptenparkeerkaart zichtbaar in het voertuig aanwezig zou zijn geweest, maar omdat hij heeft geconstateerd dat het parkeren van dat voertuig geen verband hield met het vervoer van een gehandicapte. Het kan daarom in het midden blijven of bij de eerste waarneming van de verbalisant een gehandicaptenparkeerkaart zichtbaar was in het voertuig. Het is ook niet in geding dat door de betrokkene bij de staandehouding een gehandicaptenparkeerkaart over is gelegd.

Het is de vraag of het parkeren van het voertuig verband hield met het vervoer van een gehandicapte. De betrokkene stelt dat dit het geval was en dat zij bij de staandehouding ook actie heeft ondernomen om dit aan te tonen. Die stelling heeft de betrokkene onderbouwd met bewijsstukken. Gelet op dit verweer is bij het hof twijfel ontstaan over de vaststelling van de verbalisant, dat het parkeren hier geen verband hield met het vervoer van een gehandicapte. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verbalisant blijkens zijn verklaring niet heeft gewacht of de betrokkene weg zou rijden met het voertuig zonder een gehandicapte te vervoeren, en bovendien voor het overige ook niet meer kan verklaren over de gang van zaken na zijn vaststelling dat de gehandicaptenparkeerkaart op een andere naam stond, doch louter verklaart over de werkwijze die hij in het algemeen pleegt toe te passen in gevallen als deze. Dat een en ander is verlopen zoals de betrokkene heeft geschetst, valt derhalve niet uit te sluiten. Dat het parkeren van het voertuig verband hield met het vervoer van de heer [C] valt dan ook evenmin uit te sluiten.

6. Bij deze stand van zaken staat onvoldoende vast dat de onder 1. genoemde gedraging is verricht, zodat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene is opgelegd. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen.

7. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van proceskosten. Naar het oordeel van het hof komen de kosten de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van die kosten is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van het hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 496,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 248,- (= 1 x € 496,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 179664935 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan haar wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 248,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.