Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11219

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
18-01-2018
Zaaknummer
200.185.985
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekering. Stelplicht en bewijslast bij geclaimde inbraakschade en reisschade. Beroep verzekeraar op verzwijging en opzet tot misleiding. Opzegging verzekerings-overeenkomst. Registratie persoonsgegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/344
JA 2018/65
NJF 2018/196
NTHR 2018, afl. 4, p. 238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.185.985

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 367825)

arrest van 19 december 2017

in de zaak van

1 [appellant],
wonende te [woonplaats],

2. [appellante],
wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna afzonderlijk: [appellant] en [appellante], en gezamenlijk: [appellanten],

advocaat: mr. T. Venneman,

tegen:

de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: ASR,

advocaat: mr. S.C. Banga.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 mei 2017 hier over. Bij dit arrest is een meervoudige comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017.

1.2

Aan het slot van de comparitie heeft het hof arrest bepaald. Met toestemming van het hof heeft ASR op de rol van 19 september 2017 nog een exemplaar van het procesdossier met kleurenkopieën overgelegd.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.11 van het vonnis van 23 september 2015.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Het gaat in deze zaak kort gezegd om de vraag of [appellanten] op grond van hun bij ASR afgesloten inboedelverzekering en doorlopende reisverzekering recht hebben op vergoeding van (i) de door hen geclaimde schade wegens inbraak in hun woning en ii) de schade vanwege een vermiste koffer na terugkeer van hun vakantie op 30 oktober 2012.

3.2

Onderzoeksbureau Interseco (hierna: Interseco) heeft in opdracht van ASR een onderzoek ingesteld naar de toedracht van de inbraak en heeft daarvan op 22 maart 2013 verslag uitgebracht. Bij brief van 26 maart 2013 heeft ASR [appellant] over de resultaten van dit onderzoek geïnformeerd. Bij brief van dezelfde datum heeft zij [appellant] bericht dat zij, gelet op de onderzoeksbevindingen, had besloten om tevens een opdracht voor onderzoek te geven aan Vidi Onderzoek (hierna Vidi) met betrekking tot de reisclaim. Bij brief van 7 mei 2013 heeft ASR aan [appellant] meegedeeld dat zij de inbraakschade niet zal vergoeden, omdat zij uit de resultaten van het onderzoek naar de inbraakclaim afleidde dat hij met opzet een verkeerde voorstelling van zaken had gegeven met als doel een schade-uitkering te verkrijgen. ASR heeft alle lopende verzekeringen opgezegd en meegedeeld dat zij de gegevens van [appellant] zal registreren in een incidentenregister. In de correspondentie die hierop volgde, heeft ASR op 31 januari 2014 haar afwijzingsgrond aangevuld met een beroep op het feit dat [appellant] bij het sluiten van de verzekering (het combinatiepakket) zijn strafrechtelijk verleden had verzwegen. In opdracht van ASR heeft Interseco nog een vervolgonderzoek gedaan naar aanleiding van de toezending van twee foto’s waaruit zou blijken dat [appellant] in het bezit was geweest van een Bose versterker (die hij bij de vermiste goederen had opgegeven). Interseco heeft op 13 maart 2014 een vervolg verslag hierover uitgebracht. ASR heeft het onderzoek naar de vermiste koffer aangehouden omdat [appellant] niet reageerde op het verzoek om een afspraak te maken met Vidi. Naar aanleiding van het standpunt van [appellanten] in de inmiddels aanhangig gemaakte procedure heeft ASR in 2014 alsnog een onderzoek op dit punt laten instellen door Vidi. Vidi heeft op 17 september 2014 haar rapport uitgebracht. Bij brief van 24 december 2014 heeft ASR aan [appellanten] meegedeeld dat zij ook de reisschade niet zal vergoeden, in de eerste plaats omdat er sprake was van verzwijging van het strafrechtelijk verleden, waardoor hoe dan ook geen recht op uitkering bestaat, en in de tweede plaats omdat [appellanten] onvoldoende bewijs hadden geleverd van de gestelde schade door vermissing. ASR merkte daarbij op dat zij bovendien het ernstige vermoeden had gekregen dat [appellanten] ook wat betreft de reisclaim hadden getracht ASR opzettelijk te misleiden met het oogmerk om een vergoeding te krijgen waarop zij geen recht hebben.

3.3

[appellanten] hebben in eerste aanleg - samengevat - gevorderd:

  • -

    een verklaring voor recht dat ASR op basis van de door haar afgegeven polissen moet uitkeren wegens de schade veroorzaakt door de inbraak en het zoekraken van de koffer;

  • -

    betaling van € 31.591,01 als vergoeding voor beide schades, met wettelijke rente;

  • -

    ongedaanmaking van de opzegging van de verzekeringen;

  • -

    ongedaanmaking van de opname van de persoonsgegevens van [appellant] in het interne incidentenregister en de externe registratie bij Stichting CIS;

  • -

    betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 3.270,48 exclusief btw;

  • -

    veroordeling van ASR in de proceskosten.

3.4

ASR heeft verweer gevoerd.

3.5

De rechtbank heeft bij vonnis van 23 september 2015 het gevorderde afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten en de nakosten met wettelijke rente. De rechtbank heeft daarbij allereerst overwogen dat ASR [appellanten] niet tijdig op de verzwijging heeft gewezen, zodat zij zich niet op de gevolgen daarvan kan beroepen.

Op inhoudelijke gronden heeft de rechtbank echter geoordeeld dat ASR niet tot uitkering behoeft over te gaan. Ten aanzien van de inbraakclaim heeft de rechtbank overwogen dat [appellanten] tegenover de gemotiveerde en onderbouwde betwisting van ASR onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde diefstal heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft daaruit geconcludeerd dat er geen sprake is van een gedekt evenement, zodat ASR niet gehouden is tot uitkering onder de inboedelverzekeringsovereenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank was ASR ook gerechtigd om de verzekeringsovereenkomsten op te zeggen, omdat het vertrouwen van ASR in [appellant] door zijn gedragingen was geschaad. De registratie in het interne incidentenregister en de registratie bij Stichting CIS achtte de rechtbank eveneens gerechtvaardigd. Ten aanzien van de reisclaim overwoog de rechtbank dat de omstandigheden rond het zoekraken van de koffer en de daarover alsook over de inhoud van de koffer door [appellant] afgelegde verklaringen zoveel onbeantwoorde vragen oproepen, dat de onderbouwing van de vermissing van de koffer en van de inhoud daarvan tekortschiet. Op grond daarvan oordeelde de rechtbank dat ook onder de reisverzekering geen sprake is van een gedekt evenement en dat ASR dus ook niet gehouden is tot uitkering onder de reisverzekeringsovereenkomst.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[appellanten] hebben drie grieven aangevoerd tegen het vonnis van 23 september 2015. Zij vorderen dat het hof dit vonnis zal vernietigen en hun vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van ASR in de kosten van beide instanties.

4.2

ASR heeft de grieven bestreden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof de grieven van [appellanten] ongegrond zal verklaren, de vorderingen van [appellanten] in hoger beroep zal afwijzen en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van (naar het hof begrijpt) het hoger beroep met rente en nakosten.

4.3

Met grief I keren [appellanten] zich tegen het oordeel van de rechtbank over de afwijzing van de inbraakclaim en de opzegging van de verzekeringen door ASR. Grief II is gericht tegen het oordeel over de registratie van de gegevens van [appellant] in het extern verwijzingsregister. Met grief III bestrijden [appellanten] ten slotte het oordeel over de reisclaim. Mochten de grieven I en/of III slagen, dan dient het hof in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep opnieuw te oordelen over het (door de rechtbank verworpen) verweer van ASR dat [appellant] bij het aangaan van de verzekering relevante feiten heeft verzwegen, dat ASR als zij daarvan had geweten de verzekering niet had gesloten en dat zij daarom op grond van artikel 7:930 lid 4 BW geen uitkering is verschuldigd. Omdat dit verweer het meest verstrekkend is, zal het hof dit als eerste bespreken.

Beroep op verzwijging

4.4

De feiten waarop ASR met haar beroep op verzwijging doelt, betreffen de veroordeling van [appellant] wegens fraude/oplichting en misbruik van cliëntgegevens tot een gevangenisstraf van zeven maanden, eindigend in augustus 2002. ASR voert aan dat [appellant] op 24 juni 2010 door tussenkomst van zijn assurantietussenpersoon een combinatiepakket bij ASR heeft aangevraagd en in dat kader de vraag of sprake was van een strafrechtelijk verleden ten onrechte met ‘nee’ heeft beantwoord. Volgens ASR had [appellant] zijn strafrechtelijke veroordeling moeten melden, zeker nu het om relevante feiten ging en uit de duur van de gevangenisstraf blijkt dat het om ernstige vergrijpen ging. ASR wijst er daarbij op dat het verblijf van [appellant] in de gevangenis op dat moment nog niet meer dan acht jaar geleden was. Met dat laatste doelt ASR op het bepaalde in artikel 7:928 lid 5 BW, dat de verzekeringnemer verplicht is feiten omtrent zijn strafrechtelijk verleden mede te delen voor zover zij zijn voorgevallen binnen acht jaar voorafgaand aan het sluiten van de verzekering.

4.5

Wat er van voormelde stellingen van ASR echter ook zij, het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat ASR de gevolgen van de gestelde schending van de mededelingsplicht te laat heeft ingeroepen. Artikel 7:929 lid 1 BW bepaalt dat de verzekeraar die ontdekt dat aan de in artikel 7:928 omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, de gevolgen daarvan slechts kan inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen. Het moment van ontdekking zal als regel pas liggen bij of na een vergelijking tussen de opgave en de ware stand van zaken. Er kunnen echter redenen bestaan om de datum van de ontdekking te objectiveren naar een eerder moment door aan te nemen dat de verzekeraar een en ander redelijkerwijs eerder had kunnen en behoren te ontdekken. Om na te melden redenen doet die situatie zich hier voor.

4.6

Zoals uit de e-mail van ASR van 31 januari 2014 blijkt, heeft ASR het beroep op deze afwijzingsgrond gebaseerd op de verklaring van [appellant] over zijn strafrechtelijk verleden tegenover de onderzoeker van Interseco. Het rapport van Interseco waarin deze verklaring is opgenomen, dateert van 22 maart 2013. De vaststelling van de rechtbank dat ASR uiterlijk eind maart 2013 over de relevante gegevens beschikte, heeft ASR niet bestreden. Een situatie zoals die waarop het arrest van het gerechtshof Arnhem van 12 juni 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BW7904 betrekking heeft (waarin ter beoordeling van een arbeidsongeschiktheidskwestie medische informatie wordt verstrekt aan de medisch adviseur van de verzekeraar, die slechts de voor die kwestie relevante gegevens doorgeeft aan de dossierbehandelaar, waarbij de dossierbehandelaar pas later komt te beschikken over de volledige medische gegevens waarmee hij - anders dan de medisch adviseur - ook kan beoordelen of er bij het aangaan van de verzekering verzwijging heeft plaatsgevonden), doet zich hier niet voor. Dat ASR eerder geen reden zag dit aspect te onderzoeken, omdat de gevolgen van verzwijging voor het recht op uitkering en de verzekeringsovereenkomst net zo verstrekkend waren als de reeds bij afwijzing van de claim ingeroepen gevolgen van opzettelijke misleiding, berust op een eigen keuze van ASR en levert geen rechtvaardiging voor deze gang van zaken op. Deze benadering is immers strijdig met de bedoeling van voormelde wettelijke bepaling, namelijk dat de verzekeraar de verzekeringnemer niet in onzekerheid mag laten of hij zich een beroep op zijn rechten in verband met niet-nakoming van de mededelingsplicht wil voorbehouden. Daar komt bij dat ASR, zeker nadat zij bij brief van 7 mei 2013 aan [appellanten] had meegedeeld dat de inbraakclaim niet werd gehonoreerd en de advocaat van [appellanten] bij e-mail van 3 juni 2013 had geantwoord dat [appellanten] vasthielden aan hun claim en ASR in gebreke had gesteld en tot betaling had gesommeerd, aanleiding had kunnen en moeten zien om op basis van de gegevens waarover zij beschikte na te gaan of de hier bedoelde weigeringsgrond zich voordeed. ASR had derhalve eind maart 2013 en in elk geval eind juni 2013 redelijkerwijs kunnen en behoren te ontdekken dat [appellant] bij het aangaan van de verzekering in haar visie relevante feiten had verzwegen. Onder deze omstandigheden moet dit dan ook worden beschouwd als het moment waarop ASR de verzwijging heeft ontdekt. ASR heeft pas bij de e-mail van 31 januari 2014, dus buiten de termijn van twee maanden na ontdekking, een beroep op de mogelijke gevolgen van de verzwijging gedaan. Zij kan deze gevolgen daarom niet meer inroepen. Het beroep op het vervallen van het recht op uitkering op deze grond wordt dan ook verworpen.

Dekking voor de inbraakschade

4.7

Bij de beoordeling van de vraag of [appellanten] recht hebben op vergoeding van de geclaimde inbraakschade stelt het hof het volgende voorop. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv is het aan de verzekerde die aanspraak maakt op uitkering om te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting door de verzekeraar te bewijzen dat het verzekerde voorval zich heeft voorgedaan. Bij diefstal en inbraak is een probleem dat dit gewoonlijk ongezien gebeurt en dat volledig en objectief bewijs daarvan moeilijk valt te leveren. Bij inbraak in een woning kunnen braaksporen mede als bewijs dienen. Voor zover het om (bij de gestelde inbraak) gestolen roerende zaken gaat, is veelal moeilijk te bewijzen dat men bepaalde goederen bezat en dat deze goederen zijn gestolen. In de rechtspraak is voor die gevallen aanvaard dat de verzekerde moet stellen en bewijzen dat hij eigenaar is van de goederen waarvoor hij een uitkering claimt en dat de goederen gestolen zijn, waarbij aan dat bewijs geen al te zware eisen mogen worden gesteld. De verzekerde zal doorgaans kunnen volstaan met het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de goederen zijn eigendom zijn en dat zij zijn gestolen. Onder omstandigheden kan de enkele aangifte van diefstal als voldoende bewijs worden aanvaard. Wel mogen dan hoge eisen worden gesteld aan de volledigheid en consistentie van de verklaring van de verzekerde. Daarbij mag de verzekeraar (c.q. een door de verzekeraar ingeschakelde expert) doorvragen, ook naar zaken die de verzekerde niet relevant acht, opdat de verzekeraar de juistheid van de verklaring zoveel mogelijk kan toetsen. Het hof ziet geen aanleiding om een ander uitgangspunt te hanteren in een geval waarin braakschade als zodanig is aangetoond, zoals [appellanten] betogen: ook dan blijft immers de vraag of er daadwerkelijk is ingebroken en, zo ja, welke goederen zijn ontvreemd. De verklaring van de verzekerde vormt daarbij nog steeds de belangrijkste bron van informatie.

4.8

Bij de beoordeling van de onderhavige claim spelen de volgende omstandigheden een rol. [appellanten] hebben direct na terugkeer van hun vakantie (van 25 tot 30 oktober 2012) melding gedaan van een inbraak. Bij e-mail van 31 oktober 2012 om 00.49 uur heeft [appellant] dit aan zijn tussenpersoon gemeld. Later op die dag heeft hij aangifte bij de politie gedaan. De claim heeft betrekking op diefstal van diverse goederen, waaronder met name een hoeveelheid kostbare sieraden die zich in een weggenomen kluis bevond. [appellanten] hadden deze sieraden laten taxeren op 28 september 2012 en de kluis laten plaatsen op 4 oktober 2012. Zij hadden een ‘inboedelmeter’ ingevuld, waarna de assurantietussenpersoon de verzekerde bedragen van de inboedelverzekering op hun verzoek op 5 oktober 2012 had verhoogd. Dat dit vlak voor de vakantie en de gemelde inbraak is gebeurd, rechtvaardigt op zichzelf niet het vermoeden dat de inbraak/diefstal in scène is gezet en/of dat er anderszins fraude is gepleegd, maar maakt wel begrijpelijk dat de claim kritisch is onderzocht.

4.9

De woning van [appellanten] bevindt zich op de eerste verdieping van een appartementengebouw. Zoals in het rapport van Interseco is vermeld, is vastgesteld dat de balkon-/keukendeur aan de achterzijde van het gebouw is geforceerd. Volgens [appellanten] hebben zij na thuiskomst op de bewuste avond eerst de politie gebeld, die ter plaatse kwam en buurtonderzoek heeft gedaan. Gesteld noch gebleken is dat dit iets heeft opgeleverd. Blijkens het rapport van Interseco heeft de onderzoeker op 26 november 2012 nog een buurtonderzoek ingesteld. De buren en beheerder die de onderzoeker toen heeft gesproken, hebben verklaard niets te hebben gezien of gehoord van de inbraak. [appellanten] heeft voor de comparitie van partijen in eerste aanleg verklaringen van twee buren overgelegd, die op enig moment twee mannen op de parkeerplaats hadden zien lopen, een auto met een buitenlands kenteken hadden zien staan en een man door een soort camera in de richting van het flatgebouw hadden zien kijken. Verdere conclusies kunnen aan die verklaringen echter niet worden verbonden. [appellant] heeft in zijn aangifte voorts verklaard dat hij bij thuiskomst op de bewuste avond zag dat de hele woning was doorzocht en diverse kasten waren leeg gehaald. Hij heeft digitale foto’s van de aangetroffen toestand aan de onderzoeker verstrekt. Op grond van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat er inderdaad braaksporen waren en dat de woning overhoop was gehaald. Verdere objectieve gegevens over wat er is voorgevallen zijn niet voorhanden.

4.10

Het hof stelt vast dat [appellant] over de foto’s die hij van de aangetroffen toestand heeft gemaakt wisselende verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft hij in zijn e-mail van 31 oktober 2012 om 00.49 uur, waarin hij de inbraak aan zijn tussenpersoon meldde, bericht dat hij al foto’s had gemaakt van de ravage en de braakschade. In het onderzoek van Interseco heeft hij, op de vraag of de foto’s van de aangetroffen situatie zoals die aan de expert zijn gezonden zijn gemaakt toen ze de inbraak constateerden, geantwoord dat die foto’s een dag later zijn gemaakt. Uit onderzoek van Interseco naar de eigenschappen van de door [appellant] toegezonden foto’s blijkt dat deze op 25 oktober 2012 tussen 15:10 uur en 15:13 uur zouden zijn genomen. Dit gegeven roept grote vraagtekens op: genoemde datum ligt immers vóór de dag waarop [appellanten] van vakantie terugkwamen. [appellant] heeft op nadere vragen van Interseco verklaard dat de bewuste foto’s de volgende dag zijn gemaakt, maar dat het ook nog iets later kan zijn geweest en dat hij deze foto’s heeft gemaakt met het fototoestel van zijn broertje, ‘een klein pocketding, merk onbekend’. Opmerkelijk is dat de toegezonden foto’s volgens de geregistreerde eigenschappen zijn gemaakt met een Canon IXUS 105; een camera van hetzelfde type als die waarmee vóór de inbraak foto’s van diverse goederen zijn gemaakt (welke foto’s [appellant] heeft aangeleverd om aan te tonen dat hij deze goederen voordien bezat) en die volgens [appellant] bij de inbraak is gestolen. Blijkens het rapport van Interseco heeft de onderzoeker op 24 november 2012 de broer van [appellant] bezocht. Aan de onderzoeker is toen een fototoestel van hetzelfde merk en type getoond. Op de in dit toestel aanwezige geheugenkaart waren geen foto’s opgeslagen. Het toestel mocht niet voor onderzoek worden meegenomen, omdat het eigendom was van de dochter van de broer van [appellant]. Met dit toestel is een controlefoto gemaakt. Volgens de geregistreerde eigenschappen zou deze foto op 17 juni 2034 zijn genomen. Die datum is vanzelfsprekend onjuist. De afwijking correspondeert echter op geen enkele wijze met een afwijking van enkele dagen, zoals die in de lezing van [appellant] zou moeten zijn opgetreden om te kunnen verklaren dat de foto’s van de aangetroffen situatie op 25 oktober 2012 zijn gedateerd. Een plausibele verklaring daarvoor hebben [appellanten] tijdens het onderzoek en ook in deze procedure niet gegeven. Blijkens het rapport van Interseco heeft de onderzoeker [appellant] nog verzocht bij een afspraak in januari 2013 de memorycard van deze camera mee te nemen, maar heeft [appellant] dat niet gedaan. De onderzoeker heeft daarna nogmaals een bezoek gebracht aan de broer van [appellant], met het verzoek om het bedoelde fototoestel en/of de geheugenkaart voor nader onderzoek te mogen meenemen. De broer heeft toen verklaard dat het fototoestel na een ruzie was kapot gegooid en daarna was weggegooid, inclusief de memorycard/SD kaart. Verder onderzoek aan de digitale gegevensdrager heeft daardoor niet kunnen plaatsvinden. Of dit laatste nu te wijten is aan [appellanten] of niet, feit is dat deze cruciale onduidelijkheid daardoor niet is opgehelderd.

4.11

De verklaringen over de Bose geluidsinstallatie roepen daarnaast ook vragen op. [appellanten] hebben deze installatie in zijn geheel als gestolen opgegeven. Als bewijsstuk hebben zij de aankoopbon uit 2006 overgelegd en een foto waarop de subwoofer (onderdeel van de installatie) was te zien. Op vragen van de onderzoeker van Interseco heeft [appellant] verklaard dat hij de installatie in 2006 met zijn ex-vriendin had gekocht en dat zij, toen ze uit elkaar gingen, delen ervan had meegenomen die hij later via marktplaats.nl heeft aangevuld. De advocaat van [appellanten] heeft bij brief van 23 oktober 2013 twee foto’s aan ASR toegezonden waarop de speakers en speler (de overige onderdelen van de installatie) zijn te zien. ASR heeft per e-mail van 25 oktober 2013 aan de advocaat van [appellanten] gevraagd wanneer de toegezonden foto’s zijn gemaakt. Tevens heeft zij om toezending van de originele foto’s verzocht. De advocaat van [appellanten] heeft per e-mail van 8 november 2013 geantwoord dat er hoe dan ook voldoende bewijs is dat [appellant] over een complete Bose installatie beschikte en dat het hem ontgaat waarom ASR over de digitale foto’s zou moeten beschikken. ASR heeft per e-mail van dezelfde datum geantwoord dat het vanwege de bijgestelde verklaringen van [appellant] over de audioset en het ontbreken van een deel ervan op de door hem ter onderbouwing van zijn claim overgelegde foto’s gerechtvaardigd was om nader bewijs te verlangen. Daarop is geen vervolg meer gekomen. In deze procedure hebben [appellanten] wel schermafdrukken met de eerder toegezonden foto’s met onderschriften, naar gesteld afkomstig van het Facebook-account van [appellante], overgelegd. Digitale gegevens, die zich voor verder onderzoek door ASR zouden lenen, hebben zij echter niet overgelegd. Naar het oordeel van het hof was het gerechtvaardigd dat ASR ook op dit punt om nadere informatie vroeg. Dit te meer gezien de bevindingen van Interseco (in het vervolgverslag van 13 maart 2014) dat op de foto van na de inbraak geen losliggende snoeren zichtbaar zijn op de plaats waar volgens [appellant] de versterker had gestaan en de ruimte naast de dvd-hoesjes die daar netjes in de hoek lagen te klein is om de versterker te plaatsen, terwijl het gezien de verdere modus operandi onwaarschijnlijk is dat de dader de versterker heeft weggepakt en daarna de hoesjes netjes op deze plaats heeft (terug)gelegd. Door de gevraagde nadere informatie niet aan te leveren, hebben [appellanten] op dit punt reële vragen over de al dan niet ontvreemde goederen en de schade onbeantwoord gelaten.

4.12

Naar het oordeel van het hof voldoen de verklaringen van [appellanten] op voormelde punten niet aan de daaraan te stellen eisen van consistentie en volledigheid. Het hof deelt daarmee het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] tegenover de gemotiveerde betwisting door ASR de gestelde diefstal onvoldoende heeft onderbouwd. Aan bewijslevering komt het hof daarom niet toe. Aan het bewijsaanbod van [appellanten] gaat het hof derhalve voorbij.

Gelet op het voorgaande acht ook het hof de vordering ten aanzien van de inbraakschade niet toewijsbaar. Grief I faalt in zoverre.

Dekking voor de reisschade

4.13

Bij de beoordeling van de reisclaim geldt eveneens als uitgangspunt dat het aan de verzekerde die aanspraak maakt op uitkering is om te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting door de verzekeraar te bewijzen dat het verzekerde voorval zich heeft voorgedaan.

Ook hierbij mogen geen al te zware eisen worden gesteld aan het bewijs. De verzekerde zal bij een claim over vermissing van bagage in beginsel kunnen volstaan met het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de bagage tijdens de reis vermist is geraakt, wat de inhoud van de bagage is en dat deze zijn eigendom is. De melding of aangifte van vermissing in combinatie met de verklaring van de verzekerde over de inhoud van de bagage en bewijs van het bezit van de desbetreffende goederen kan als voldoende bewijs worden aanvaard. Wel mogen ook hierbij hoge eisen worden gesteld aan de volledigheid en consistentie van de verklaring van de verzekerde, aangezien het bewijs in belangrijke mate daarop berust.

4.14

Vaststaat dat [appellanten] op 30 oktober 2012, bij terugkeer uit Turkije, direct op de luchthaven hebben gemeld dat zij één van de drie koffers misten die zij voor de vlucht hadden ingecheckt. [appellanten] hebben ten bewijze daarvan het opgemaakte ‘property irregularity report’ van Lufthansa overgelegd. In deze melding wordt de koffer beschreven met een code, waarvan ASR heeft vernomen dat deze betrekking heeft op een zwarte koffer, terwijl het volgens de verklaring van [appellanten] gaat om een paars/roze koffer. Het hof acht het echter denkbaar dat dit verschil berust op een misverstand tussen [appellanten] en de baliemedewerker die de melding heeft opgenomen, zeker gelet op de verklaring van [appellanten] dat zij twee zwarte koffers en één paars/roze koffer bij zich hadden. Daarbij speelt ook mee dat voor [appellanten] niet kenbaar was wat de code betekende, zodat het geen vragen oproept dat zij daarover geen opmerking hebben gemaakt. Anders dan de rechtbank ziet het hof hierin dan ook geen reden om aan de verklaringen van [appellanten] te twijfelen.

4.15

[appellanten] hebben een aantal aankoopbonnen overgelegd van de kledingstukken en andere goederen die volgens hen in de vermiste koffer zaten. Veel van de aankoopbonnen betreffen aankopen in het buitenland. [appellant] heeft verklaard dat hij voor zaken veelvuldig in het buitenland was. Hij heeft aan de hand zijn paspoort- en creditcardgegevens genoegzaam aangetoond dat hij deze aankopen daadwerkelijk heeft gedaan. ASR heeft ook bevestigd er niet aan te twijfelen dat de opgegeven goederen in het bezit van [appellanten] zijn geweest. Dat volgens de opgave van [appellanten] een aantal goederen (kledingstukken) in de vermiste koffer zaten die op verzamelbonnen staan, levert naar het oordeel van het hof onvoldoende grond voor twijfel op. Het hof merkt daarbij op dat het slechts om enkele verzamelbonnen en enige artikelen daarop gaat. Dat [appellant] bij het onderzoek naar de reisclaim, ongeveer anderhalf jaar later, verklaarde niet meer te kunnen zeggen welke kledingstukken de aangekruiste artikelen op de verzamelbonnen precies betroffen, acht het hof te weinig reden om vraagtekens bij de juistheid van zijn verklaringen te plaatsen. Hetzelfde geldt voor het feit dat [appellanten] op verzoek van de experts geen foto’s hebben kunnen overleggen van hun vakantie waarop (een deel van) de vermiste goederen/kledingstukken zou(den) zijn te zien.

4.16

Al met al ziet het hof wat deze claim betreft onvoldoende reden tot twijfel en voldoen de verklaringen in zoverre wel aan de daaraan te stellen eisen van consistentie en volledigheid. Gelet daarop hebben [appellanten] hun vordering wat dit betreft voldoende onderbouwd en is de betwisting door ASR ontoereikend. Dat [appellanten] hun inlichtingenplicht op dit punt niet zijn nagekomen, kan gelet op het voorgaande niet worden aangenomen, laat staan dat zij opzet op misleiding van ASR zouden hebben gehad. Het beroep van ASR op verval van het recht op uitkering op grond van artikel 7:941 lid 4 en 5 BW wordt daarom verworpen. Voor het overige is niet in geschil dat de geclaimde schade onder de dekking van de reisverzekering valt. Vidi heeft de schade wat dit betreft vastgesteld op € 2.191,-. Tegen deze vaststelling hebben partijen geen bezwaar gemaakt. Het hof acht de vordering tot betaling van dit bedrag dan ook alsnog toewijsbaar. Nu [appellanten] niet (voldoende) hebben toegelicht op grond waarvan ASR eerder in verzuim zou zijn geraakt - de enkele verwijzing naar de schadedatum, de datum van afwijzing van de claim en de in de sommatiebrief genoemde termijn volstaat daartoe niet -, zal het hof de wettelijke rente over dit bedrag toewijzen vanaf de datum van de inleidende dagvaarding, derhalve 14 april 2014. Grief III slaagt in zoverre.

Opzegging van de verzekeringen

4.17

ASR heeft in de eerste plaats aangevoerd dat zij op grond van artikel 7:929 lid 2 BW bevoegd was de verzekeringen op te zeggen, omdat [appellanten] zich schuldig hebben gemaakt aan opzettelijke misleiding bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst door verzwijging van het strafrechtelijke verleden en ASR bij kennis van de ware stand van zaken omtrent het strafrechtelijk verleden geen verzekering zou hebben gesloten. Ook hier geldt echter dat, wat er van voormelde stellingen zij, ASR de verzekeringen in elk geval niet tijdig op deze grond heeft opgezegd. Artikel 7:929 lid 2 BW bepaalt dat de verzekeraar die ontdekt dat de verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet om hem te misleiden of die bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten, de overeenkomst binnen twee maanden na ontdekking met dadelijke ingang kan opzeggen. Zoals in rov. 4.6 is vermeld, beschikte ASR eind maart 2013 al over de op dit punt relevante gegevens. Op basis daarvan had zij toen al, en in elk geval na de sommatie en ingebrekestelling in juni 2013, redelijkerwijs kunnen en behoren te ontdekken dat bij het aangaan van de verzekeringen het strafrechtelijke verleden van [appellant] niet was gemeld en daaruit de conclusies kunnen trekken die zij er nu aan verbindt, namelijk dat [appellanten] dit hebben gedaan met het opzet om ASR te misleiden en dat ASR bij kennis van het strafrechtelijke verleden geen verzekering zou hebben gesloten. Onder deze omstandigheden moet eind maart 2013 en in elk geval juni 2013 dan ook worden aangemerkt als het moment waarop ASR deze feiten heeft ontdekt. Vaststaat dat ASR niet binnen twee maanden daarna een beroep op deze opzeggingsgrond heeft gedaan.

4.18

In de tweede plaats heeft ASR aangevoerd dat zij op grond van artikel 7:940 lid 3 BW het recht had de verzekeringen op te zeggen, nu in de polisvoorwaarden onder meer is bedongen dat tussentijds mag worden opgezegd in geval van opzet tot misleiding van verzekerden. Zij stelt daarbij dat de gronden van opzegging van dien aard zijn dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van haar kan worden gevergd. Mede gelet op hetgeen in de brief van 7 mei 2013 is vermeld, gaat het hof ervan dat ASR hiermee doelt op de opzeggingsgrond dat de verzekerde over een gebeurtenis of schade met opzet een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven (artikel 5 lid 2 onder e van de Algemene Voorwaarden Voordeelpakket). Dat [appellanten] ten aanzien van de inbraak, de vermissing van bagage en/of de daardoor geleden schade met opzet een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven, is naar het oordeel van het hof echter niet komen vast te staan. Zoals hiervoor is overwogen, voldoen de verklaringen van [appellanten] over de diefstalschade niet aan de hoge eisen van consistentie en volledigheid, zodat hun vordering in zoverre onvoldoende is onderbouwd, maar daaruit volgt nog niet dat sprake is geweest van opzet tot misleiding.

De door ASR gestelde feiten en omstandigheden bieden voor deze verdergaande conclusie onvoldoende grond. Het hof merkt daarbij nog op dat Interseco in haar rapport van 20 maart 2013 ook niet verder gaat dan de conclusie dat gezien haar bevindingen niet is uitgesloten dat [appellant] heeft gepoogd om ASR te bewegen tot het doen van een onterechte uitkering. In het vervolgrapport van 13 maart 2014 heeft Interseco melding gemaakt van opmerkelijke bevindingen bij het verdere onderzoek naar aanleiding van de foto’s van de Bose installatie en de authenticiteit van de via de advocaat later nog toegezonden foto’s in twijfel getrokken. Een verdergaande conclusie heeft Interseco echter niet voor haar rekening genomen. Dat [appellant] als bewijsstuk ten aanzien van de Bose installatie de aankoopbon uit 2006 heeft overgelegd, terwijl uit latere verklaringen blijkt dat hij nog slechts een deel van de oorspronkelijke installatie in zijn bezit had, is ook niet voldoende om opzettelijke misleiding aan te nemen. De verklaring van [appellant] dat hij de installatie met via marktplaats.nl gekochte onderdelen weer compleet had gemaakt en dat hij de aankoopbon alleen als bewijs van de waarde van de set heeft overgelegd, kan niet zonder meer worden gepasseerd. Bij deze stand van zaken kan ook niet worden gezegd dat hetgeen is gebleken van dien aard is dat gebondenheid aan de verzekeringsovereenkomst niet meer van ASR kan worden gevergd. Ten aanzien van de reisclaim verwijst het hof naar hetgeen in rov. 4.16 is overwogen.

4.19

De conclusie is dat de opzegging van de verzekeringen op de hiervoor besproken gronden niet rechtsgeldig is. De vordering tot ongedaanmaking van deze opzegging is derhalve toewijsbaar. In zoverre slaagt grief I.

Registratie persoonsgegevens [appellant]

4.20

Zoals ASR heeft toegelicht, betreft de registratie in het incidentenregister van de Stichting CIS een vastlegging van de gegevens van [appellant] in het Extern Verwijzingsregister, op grond van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI). Artikel 3.2.1 PIFI bepaalt dat het Extern Verwijzingsregister uitsluitend verwijzingsgegevens bevat die onder strikte voorwaarden conform artikel 5.2 van het Protocol door de deelnemers mogen worden opgenomen. Artikel 5.2 PIFI houdt, voor zover hier van belang, in dat deelnemers verwijzingsgegevens van (rechts)personen dienen op te nemen, indien in voldoende mate vaststaat dat deze (rechts)personen betrokken zijn bij gedragingen die een bedreiging vormden, vormen of kunnen vormen voor de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een financiële instelling, de financiële instelling zelf of de continuïteit en integriteit van de financiële sector, een en ander met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel. ASR stelt zich op het standpunt dat de onderhavige registratie gerechtvaardigd is omdat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen - het in scène zetten van een schadevoorval en in strijd met de waarheid verklaren daarover - die een bedreiging (kunnen) vormen voor de financiële belangen van ASR en van andere polishouders/verzekerden van ASR. In het verlengde van hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt het hof echter dat niet in voldoende mate is komen vast te staan dat [appellant] zich aan deze vorm van fraude heeft schuldig gemaakt. De daarop gebaseerde registratie in het extern verwijzingsregister is dan ook niet gerechtvaardigd. Daarmee slaagt grief II.

Overige

4.21

Tegen de afwijzing van de vordering tot ongedaanmaking van de interne registratie door ASR hebben [appellanten] geen grieven gericht, zodat deze beslissing in stand blijft. Hetzelfde geldt voor de afgewezen vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.

4.22

Partijen hebben geen (voldoende concrete) feiten gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Aan de bewijsaanbiedingen gaat het hof daarom voorbij.

5 De slotsom

5.1

De grieven slagen ten dele. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De vorderingen ter zake van de reisschade zullen als na te melden alsnog worden toegewezen, evenals de vordering tot ongedaanmaking van de opzegging en de externe registratie bij Stichting CIS. De overige vorderingen zullen worden afgewezen.

5.2

Nu beide partijen voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 september 2015 en doet opnieuw recht;

verklaart voor recht dat ASR gehouden is tot uitkering van de schade van [appellanten] voortvloeiend uit het zoek raken van de koffer op 30 oktober 2012 op basis van de door ASR afgegeven polis voor de doorlopende reisverzekering;

veroordeelt ASR om aan [appellanten] te betalen een bedrag van € 2.191,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag te rekenen vanaf 14 april 2014 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt ASR tot ongedaanmaking van de opzegging van de verzekeringen per 9 mei 2013;

veroordeelt ASR tot ongedaanmaking van de externe registratie van de persoonsgegevens van [appellant] bij Stichting CIS;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van beide instanties draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, J.A.M. van den Berk en C.J.M. Klaassen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 december 2017.