Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11209

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
1700611
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:2731, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vpb. Te laat beroep? Boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/41
V-N 2018/24.18.1
Viditax (FutD), 05-01-2018
FutD 2018-0142
NTFR 2018/160
NLF 2018/0232 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer: 17/00611

uitspraakdatum: 19 december 2017

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 mei 2017, nummer AWB 16/5184, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 ambtshalve een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 2.460. Gelijktijdig hiermee is het verlies van belanghebbende over het jaar 2010 vastgesteld op nihil (hierna: de verliesvaststellingsbeschikking).

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 15 mei 2014 de aanslag en de verzuimboete gehandhaafd. De verliesvaststellingsbeschikking is – impliciet – gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 19 mei 2016 het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de heffingsambtenaar een conclusie van dupliek.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2017 te Arnhem. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is opgericht [in] 2003. Statutair bestuurder is [A] . Belanghebbende houdt alle aandelen in [B] B.V. en 50 percent van de aandelen in [C] B.V. [C] B.V. houdt alle aandelen in [D] B.V. en in [E] B.V.

2.2.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 15 augustus 2012 verzocht voor 5 september 2010 de aangifte Vpb over het jaar 2010 in te dienen. Belanghebbende heeft vervolgens geen aangifte Vpb 2010 ingediend.

2.3.

Met dagtekening 24 november 2012 is de aanslag Vpb 2010 ambtshalve vastgesteld naar een belastbaar bedrag van nihil. Tevens is er een verzuimboete van € 2.460 opgelegd wegens het niet doen van aangifte. Gelijktijdig hiermee is het verlies van belanghebbende over 2010 vastgesteld op nihil.

2.4.

Bij brief met dagtekening 29 november 2012 heeft de gemachtigde van belanghebbende namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag, de verzuimboete en de verliesvaststellingsbeschikking. Dit bezwaarschrift vermeldt als postadres van de gemachtigde: postbus [000] , [F] . Belanghebbende heeft bij het bezwaarschrift een balans en een winst- en verliesrekening gevoegd.

2.5.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar met dagtekening 15 mei 2014 de aanslag, de verzuimboete en impliciet de verliesvaststellingsbeschikking gehandhaafd. Dit geschrift vermeldt als toezendadres: postbus [000] , [F] .

2.6.

Op 30 augustus 2016 is er telefonisch contact geweest tussen de gemachtigde van belanghebbende en een medewerker van de Belastingdienst. Tijdens dit gesprek zijn de uitspraken op bezwaar inzake de aanslag Vpb 2010 ter sprake gekomen. Naar aanleiding van dit gesprek heeft een medewerker van de Belastingdienst de uitspraken op bezwaar inzake de aanslag Vpb 2010 op 30 augustus 2016 per mail naar de gemachtigde van belanghebbende gezonden.

2.7.

Bij fax van 30 augustus 2016 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.

3 Geschil

3.1.

In geschil is allereerst of het beroep terecht ontvankelijk is verklaard. Indien sprake is van een ontvankelijk beroep is in geschil of de verliesvaststellingsbeschikking naar het juiste bedrag is vastgesteld en of terecht en naar het juiste bedrag een verzuimboete is opgelegd.

3.2.

Belanghebbende voert aan dat hij de uitspraken op bezwaar niet heeft ontvangen en van deze uitspraken eerst op de hoogte is geraakt tijdens het telefoongesprek op 30 augustus 2016. De uitspraken op bezwaar heeft hij eerst op 30 augustus 2016 per mail ontvangen van een medewerker van de Belastingdienst. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitspraken op bezwaar niet op de juiste wijze zijn bekendgemaakt, omdat de uitspraken op bezwaar niet naar het juiste adres zijn gezonden. Belanghebbende en zijn gemachtigde gingen ervan uit dat de uitspraken op bezwaar niet naar de gemachtigde, maar naar belanghebbende zelf zouden worden gestuurd. Bovendien heeft zijn gemachtigde een ander postadres dan het postadres dat op de uitspraken op bezwaar staat vermeld. Het beroep is daarom tijdig ingediend en ontvankelijk. Voorts stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het verlies moet worden vastgesteld op € 6.720 en de verzuimboete moet worden verminderd tot € 246. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur, tot vaststelling van het verlies op € 6.720 en vermindering van de verzuimboete tot € 246.

3.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Voor zover het Hof concludeert tot een ontvankelijk beroep concludeert de Inspecteur tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Overwegingen

Ontvankelijkheid beroep

4.1

De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een uitspraak op bezwaar bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zes weken.

4.2.

Het Hof heeft vastgesteld dat de uitspraken op bezwaar zijn gedagtekend op 15 mei 2014. De beroepstermijn eindigt dan in beginsel op 26 juni 2014. Het beroepschrift van belanghebbende, gedagtekend 30 augustus 2016, is op 30 augustus 2016 bij de Rechtbank binnengekomen. Het beroepschrift is mitsdien niet voor het einde van de termijn ingediend.

4.3.

Belanghebbende heeft betoogd dat de uitspraken op bezwaar niet door hem zijn ontvangen. De uitspraken zijn niet op de juiste wijze bekendgemaakt, zodat de beroepstermijn later aanvangt. De uitspraken op bezwaar zijn volgens belanghebbende ten onrechte naar postbus [000] , [F] gezonden. De uitspraken op bezwaar hadden naar het adres van belanghebbende zelf moeten worden gestuurd dan wel naar het juiste postadres van de gemachtigde: postbus [001] , [G] . Door deze onjuiste adressering hebben volgens belanghebbende de uitspraken op bezwaar hem pas op 30 augustus 2016 bereikt.

4.4.

Indien de bekendmaking van de uitspraken op bezwaar geschiedt door toezending, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van de uitspraken op bezwaar de bekendmaking heeft plaatsgevonden. In een zodanig geval vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de termijn voor het instellen van beroep aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de Inspecteur, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van terpostbezorging.

4.5.

Voornoemde regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt en zulks het gevolg is van een fout van de Belastingdienst, bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan de Belastingdienst is te wijten. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de uitspraken op bezwaar op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (vgl. HR 5 maart 2004, nr. 39.245, ECLI:NL:HR:2004:AO5063). In dat geval vangt de beroepstermijn pas aan op de dag van de ontvangst van de uitspraak van de Inspecteur (vgl. HR 15 maart 2000, nr. 34.999, ECLI:NL:HR:2000:AA5141).

4.6.

Het Hof is van oordeel dat de omstandigheid dat de uitspraken op bezwaar belanghebbende niet tijdig hebben bereikt, niet het gevolg is van een fout van de Belastingdienst. De Inspecteur heeft de verzending van de uitspraken op bezwaar op de juiste wijze uitgevoerd, nu de Inspecteur het in het bezwaarschrift door belanghebbende gehanteerde postadres heeft gebruikt. Gesteld noch gebleken is dat in de periode tussen het indienen van het bezwaarschrift en de verzending van de uitspraken op bezwaar belanghebbende de Inspecteur op de hoogte heeft gesteld van een adreswijziging of een wijziging van de gemachtigde. Dat belanghebbende ervan uit mocht gaan - nadat zijn gemachtigde zich in de zaak had gesteld - dat de uitspraken op bezwaar toch naar het adres van belanghebbende zouden worden gestuurd, volgt het Hof niet. Om toezending naar het eigen adres heeft belanghebbende niet verzocht en de Inspecteur is daar ook niet toe verplicht (artikel 6:17 van de Awb). Het bezwaarschrift vermeldt expliciet het postadres van de gemachtigde in [F] , zodat de Inspecteur terecht is uitgegaan van dit postadres.

4.7.

Het vorenstaande brengt het Hof tot het oordeel dat de Inspecteur, door de uitspraken op bezwaar te verzenden naar het postadres in [F] , de uitspraken op bezwaar op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt, zodat daags na de dagtekening van de uitspraken op bezwaar de termijn voor het indienen van een beroepschrift is aangevangen. Het beroepschrift is alsdan niet voor het einde van de termijn ingediend.

4.8.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.9.

Belanghebbende heeft in hoger beroep herhaald dat hij eerst op 30 augustus 2016 beroep heeft kunnen indienen omdat de Inspecteur de uitspraken op bezwaar naar een onjuist adres heeft gezonden. Zoals hiervoor is overwogen is van toezending aan een onjuist adres geen sprake, zodat de overschrijding van de beroepstermijn niet verschoonbaar is en het beroep voor zover dit ziet op de aanslag Vpb 2010 en de verliesvaststellingsbeschikking niet-ontvankelijk is.

4.10.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat door het laat indienen van de conclusie van dupliek door de Inspecteur, belanghebbende geen tijd meer heeft gehad bewijs te vergaren ten aanzien van de verhuizing van de postbus in [F] naar een andere locatie. Voor zover belanghebbende hiermee een bewijsaanbod heeft willen doen, gaat het Hof aan dit bewijsaanbod voorbij, nu hetgeen belanghebbende hiermee beoogt te bewijzen gelet op hetgeen hiervoor is overwogen redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het geschil. Een verhuizing van de postbussen waarbij overigens het postadres ongewijzigd blijft, laat onverlet dat het postbusadres in [F] op het bezwaarschrift als correspondentieadres stond vermeld zodat de Inspecteur ervan uit mocht gaan dat de uitspraken naar dit adres konden worden verzonden.

Boetebeschikking

4.11.

Het hoger beroep heeft mede betrekking op de opgelegde boetebeschikking.

4.12.

Het Hof merkt op dat de ontvankelijkheid van het beroep tegen de uitspraken op bezwaar en de ontvankelijkheid van het beroep tegen de boetebeschikking, afzonderlijk dienen te worden beoordeeld (vgl. HR 25 april 2008, nr. 43.871, ECLI:NL:HR:2008:BD0469). In de boetezaak kan de niet-ontvankelijkheid slechts worden uitgesproken indien de Inspecteur de onjuistheid van de stellingen van belanghebbende heeft bewezen (vgl. HR 10 april 2009, nr. 08/02908, ECLI:NL:HR:2009:BI0550).

4.13.

In het onderhavige geval heeft de Inspecteur niet bewezen dat de stelling van belanghebbende dat hij eerst op 30 augustus 2016 op de hoogte is geraakt van de uitspraken op bezwaar, waaronder die inzake de onderhavige boetebeschikking, onjuist is. Het enkele feit dat de uitspraken op bezwaar naar het op het bezwaarschrift vermelde postadres zijn verzonden, is hiertoe onvoldoende. Het beroep ten aanzien van de boetebeschikking is derhalve ontvankelijk.

4.14.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende op grond van artikel 67a, eerste lid, van de AWR een verzuimboete opgelegd wegens het niet of niet tijdig indienen van de aangifte. Op grond van paragraaf 21, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) heeft de Inspecteur de boete gematigd tot 50% van het wettelijke maximum van € 4.920, ofwel tot € 2.460.

4.15.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de boete moet worden verminderd tot 5% van het wettelijk maximum ( € 246), omdat de vanaf 1 januari 2014 geldende tekst van paragraaf 21, achtste lid, van het BBBB de Inspecteur daartoe dwingt. De Inspecteur heeft in hoger beroep gesteld – onder verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank – dat paragraaf 21, achtste lid van het BBBB niet van toepassing is.

4.16.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende niet tijdig aangifte heeft gedaan. Nu over de afwezigheid van alle schuld niets is gesteld of gebleken, stond het de Inspecteur vrij een verzuimboete aan belanghebbende op te leggen. De boete is overeenkomstig paragraaf 21, derde lid, van het BBBB beperkt tot 50% van het wettelijke maximum. Paragraaf 21, achtste lid van het BBBB waarop belanghebbende zich beroept en waarin is bepaald dat het alsnog indienen van de aangifte een omstandigheid kan zijn die aanleiding geeft de verzuimboete te matigen, kan belanghebbende niet baten. Paragraaf 39 van het BBBB vermeldt expliciet dat paragraaf 21 van het BBBB voor de vennootschapsbelasting alleen van toepassing is op belastingjaren vanaf 2014. Echter ook indien paragraaf 21, achtste lid van het BBBB van toepassing zou zijn geweest, had dit belanghebbende niet kunnen baten, nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de bezwaarfase alsnog een aangifte Vpb 2010 is ingediend. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende weliswaar aangegeven dat in de bezwaarfase een aangifte Vpb 2010 is ingediend, maar belanghebbende heeft daarvan geen onderbouwing kunnen geven. Het standpunt van belanghebbende dat de bij het bezwaarschrift gevoegde balans en winst- en verliesrekening moeten worden aangemerkt als een aangifte Vpb 2010 volgt het Hof niet. Ingevolge artikel 20, eerste lid van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt aangifte gedaan door het op de in de aangiftebrief aangegeven wijze toezenden van de gevraagde gegevens of bescheiden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de aangifte voor de Vpb langs elektronische weg gedaan. Het met een bezwaarschrift meesturen van een balans en een winst- en verliesrekening voldoet niet aan de in artikel 20 van de Uitvoeringsregeling neergelegde vereisten en kan daardoor niet als een aangifte worden aangemerkt. Gelet op alle feiten en omstandigheden van het onderhavige geval, acht het Hof met de Rechtbank een verzuimboete van 50% van het wettelijke maximum, ofwel van € 2.460, passend en geboden.

4.17.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat in strijd is gehandeld met het gelijkheidsbeginsel omdat de boete wegens te late indiening in andere gelijke gevallen verminderd is tot € 1.230. Nu belanghebbende zich op het gelijkheidsbeginsel beroept, ligt het op zijn weg om aannemelijk te maken dat sprake is van rechtens en feitelijk gelijke gevallen en dat er sprake is van begunstigend beleid dan wel dat de meerderheidsregel van toepassing is. Belanghebbende stelt ter zitting dat de aan haar opgelegde boete voor het jaar 2012 is gematigd en dat ten aanzien van die boete sprake is van een gelijk geval. Het Hof volgt dit standpunt niet. Uit de stukken blijkt dat de boete voor het jaar 2012 is gematigd omdat alsnog in de bezwaarfase een aangifte is ingediend. Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van het jaar 2010 alsnog een aangifte Vpb in de bezwaarfase is ingediend, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van 2010 en 2012 sprake is van gelijke gevallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt reeds daarom niet.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, bepaalt het Hof dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt.

De Rechtbank heeft ten onrechte het beroep tegen de navorderingsaanslag en de verliesvaststellingsbeschikking ontvankelijk verklaard. Nu het hoger beroep enkel op dit punt slaagt, ziet het Hof enkel aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.237,50 voor de kosten in hoger beroep (2,5 punten (hogerberoepschrift, conclusie van repliek en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 495).

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de boetebeschikking,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep inzake de aanslag Vpb 2010 en de verliesvaststellingsbeschikking niet-ontvankelijk,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.237,50, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 501 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 19 december 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (A.E. Keulemans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 21 december 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.