Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11201

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
17/00311
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:377, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vpb. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard? Ontbrekende gronden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/43
V-N 2018/15.18.1
Viditax (FutD), 05-01-2018
FutD 2018-0138
NTFR 2018/100
NLF 2018/0183 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/00311

uitspraakdatum: 19 december 2017

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] BV. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 januari 2017, nummer AWB 16/3038, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 207.917. Daarbij is een bedrag van € 4.422 aan heffingsrente in rekening gebracht. In deze aanslag ligt een verliesvaststellingsbeschikking van nihil besloten.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 april 2014 het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van de gronden voor bezwaar.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 24 januari 2017 het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 6 maart 2017, ingekomen bij het Hof op 7 maart 2017, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2017 te Arnhem. De zaken met de nummers 17/00311 en 17/00312 zijn gezamenlijk behandeld. Namens belanghebbende zijn verschenen mr. [A] , werkzaam bij [B] te [C] en belanghebbendes accountant [D] RA. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [E] en [F] .

1.7.

De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht.

1.8.

Van het onderzoek ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende en [G] BV (hierna: [G] ) houden ieder de helft van de aandelen in projectontwikkelingsmaatschappij [H] NV (hierna: [H] ).

2.2.

Ter voorkoming van strafvervolging hebben belanghebbende, [G] en [H] op 14 december 2010 een vaststellingsovereenkomst gesloten met [I] NV en [J] (hierna: [I/J] ), op grond waarvan zowel belanghebbende als [G] een vergoeding van € 2.200.000 aan [I/J] moet betalen, en [H] een vergoeding van € 1.100.000 is verschuldigd.

2.3.

Belanghebbende heeft deze vergoeding van € 2.200.000 betaald op 31 december 2010.

2.4.

In 2012 hebben belanghebbende en de Inspecteur een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer het volgende bepaald:

1. Partijen

Partijen zijn:

[Belanghebbende] (…)

en

de inspecteur van de Belastingdienst (…), vertegenwoordigd door [onder anderen] mw. mr. [K] (…)

(…)

3 Omschrijving van het geschil of onzekerheid

Partijen zijn in discussie over de aanslag vennootschapsbelasting 2009.

In geschil is de aftrekbaarheid van de juridische kosten en het vormen van een voorziening voor de juridische kosten van € 1.000.000.

Tevens is in geschil het vormen van een voorziening voor de vergoeding aan [I] / [J] van aanvankelijk € 2.750.000, later € 2.200.000.

(…)

5 Inhoud van de overeenkomst

(…)

Partijen verschillen van mening of voor de vergoeding aan [I/J] van € 2.200.000 een voorziening gevormd kan worden (standpunt belastingplichtige) of dat deze dat deze valt onder artikel 3.14 lid 4 onderdeel b Wet IB 2001 en eerst aftrekbaar zijn op het moment van betaling (standpunt Belastingdienst). Partijen zijn het erover eens om dit geschil voor te leggen aan de rechter. Partijen zijn overeengekomen dat uit praktische overwegingen er één beroepsprocedure gevoerd zal worden over de vennootschapsbelasting 2007 van [H] NV. De uitkomst van deze beroepsprocedure zal overeenkomstig worden toegepast op [belanghebbende]. De uitvoering zal alsdan geschieden door de aanslag vennootschapsbelasting 2009 van [belanghebbende] ambtshalve te verminderen.

(…)

Uitwerking van de afspraken per jaar

(…)

2009

(…)

[Belanghebbende] heeft in de bezwaarfase een voorziening willen vormen voor de vergoeding aan [I/J] van € 2.200.000. Hierover hebben partijen geen overeenstemming bereikt. Daarom zal bij de uitspraak op het bezwaarschrift geen rekening gehouden worden met het vormen van de voorziening. De uitkomst van de beroepsprocedure over de vennootschapsbelasting 2007 van [H] NV zal overeenkomstig worden toegepast op [belanghebbende]. De uitvoering zal alsdan geschieden door de aanslag vennootschapsbelasting 2009 van [belanghebbende] ambtshalve te verminderen. (…)”

2.5.

[H] heeft tegen de haar opgelegde aanslag Vpb 2007 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 juni 2013 de aanslag gehandhaafd. Daarbij is geen rekening gehouden met het vormen van een voorziening voor de te betalen schadevergoeding. Tegen deze uitspraak op bezwaar is geen beroep ingesteld.

2.6.

Aan belanghebbende is met dagtekening 13 juli 2013 een aanslag Vpb 2009 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 207.917.

2.7.

De Inspecteur heeft op 27 juli 2013 ambtshalve voornoemde aanslag Vpb 2009 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van nihil.

2.8.

Belanghebbende heeft bij brief van 13 augustus 2013 bezwaar gemaakt tegen de aanslag Vpb 2009. Daarin is het volgende vermeld:

“Hierdoor maak ik namens [belanghebbende] bezwaar tegen de bovengenoemde aanslag vennootschapsbelasting 2009 resp. tegen de verliesbeschikking 2009 resp. tegen de vastgestelde heffingsrente 2009.

Dit bezwaar is uitsluitend bedoeld tot behoud van rechten. Zulks houdt verband met het gegeven dat de Belastingdienst nog diverse aanslagen van gelieerde vennootschappen niet heeft vastgesteld, terwijl van het standpunt van de Belastingdienst invloeden uit kunnen gaan op [belanghebbende] voor het jaar 2009.”

2.9.

De Inspecteur heeft bij brieven van 19 augustus 2013, 17 september 2013 en 25 maart 2014 aan belanghebbende verzocht het bezwaar te motiveren. Laatstgenoemde brief is ondertekend door mr. [K] (hierna: [K] ). In deze brief is belanghebbende erop gewezen dat bij het niet gevolg geven aan het verzoek, dit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar zal leiden. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid alsnog de gronden voor bezwaar in te dienen.

2.10.

Aan belanghebbende is met dagtekening 14 december 2013 een navorderingsaanslag Vpb 2009 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 207.917.

2.11.

De Inspecteur heeft bij uitspraak van 23 april 2014 het bezwaar tegen de aanslag Vpb 2009 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van de gronden van het bezwaar. Deze uitspraak is ondertekend door [K] .

2.12.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Weliswaar is op grond van de vaststellingsovereenkomst duidelijk dat partijen van mening verschillen over de mogelijkheid tot vorming van een voorziening, maar er is in deze overeenkomst tevens een afspraak gemaakt dat partijen hierover duidelijkheid wensen te verkrijgen in een procedure over de aanslag Vpb 2007 ten name van [H] . Gelet daarop kan volgens de Rechtbank niet worden gezegd dat het de Inspecteur duidelijk moest zijn op welke grond belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de onderhavige aanslag Vpb 2009. Dat [K] bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst betrokken is geweest, maakt dit volgens de Rechtbank niet anders. Evenmin is volgens de Rechtbank enig beginsel van behoorlijk bestuur geschonden, nu belanghebbende driemaal in de gelegenheid is gesteld het bezwaar te motiveren.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het ontbreken van de gronden voor bezwaar. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2.

Als het Hof tot het oordeel zou komen dat het bezwaar ontvankelijk is, dan verzoeken partijen het Hof zelf in de zaak te voorzien. In dat geval bepleit belanghebbende de vaststelling van het verlies over het jaar 2009 op een bedrag van € 207.917 minus € 2.200.000, ofwel op € 1.992.083. De Inspecteur verdedigt alsdan dat de belastbare winst op het juiste bedrag is vastgesteld en dat het beroep ongegrond is.

4 Overwegingen

4.1.

Ingevolge artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard als het bezwaarschrift niet voldoet aan het in artikel 6:5 Awb gestelde vereiste dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevat. Alvorens een bezwaarschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard, dient aan de indiener de mogelijkheid te worden geboden het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.2.

De in artikel 6:5 Awb opgenomen eis dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevat, strekt ertoe de inspecteur de grondslag te verschaffen voor de in artikel 7:11 Awb voorgeschreven heroverweging van het bestreden besluit (vgl. HR 8 maart 2002, nr. 34992, ECLI:NL:HR:2002:AD9880).

4.3.

Het bezwaarschrift van 13 augustus 2013 bevat in de ogen van de Inspecteur geen gronden. De Inspecteur heeft belanghebbende daarom meermalen in de gelegenheid gesteld dat verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. Belanghebbende heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. De Inspecteur heeft om die reden het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

4.4.

Belanghebbende betoogt dat de belastingambtenaar die namens de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist ( [K] ) in een eerder stadium betrokken was bij de totstandkoming van de in 2.4 bedoelde vaststellingsovereenkomst, zodat het aan deze ambtenaar volkomen duidelijk was waartegen het bezwaar zich richtte. Op grond daarvan dient volgens belanghebbende een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege te blijven.

4.5.

De belastingambtenaar die namens de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende heeft behandeld, is degene die ook namens de Inspecteur met belanghebbende de hiervoor in 2.4 weergegeven vaststellingsovereenkomst heeft gesloten. In het licht van deze vaststellingsovereenkomst was het voor deze belastingambtenaar weliswaar duidelijk dat belanghebbende met de Inspecteur van mening verschilde over de juistheid van de vorming van een voorziening voor de schadevergoeding, maar in diezelfde vaststellingsovereenkomst hadden partijen zich ook verbonden hierover duidelijkheid te verkrijgen in een procedure over de aanslag Vpb 2007 ten name van [H] . Gelet daarop kan niet worden gezegd dat de gronden van het bezwaar kenbaar waren. De omstandigheid dat tegen de in 2.5 bedoelde uitspraak op bezwaar van 29 juni 2013 inzake de aanslag Vpb 2007 ten name van [H] , op het moment dat het bezwaarschrift door belanghebbende werd ingediend nog geen beroep was ingesteld, terwijl de beroepstermijn op dat moment al was verstreken, maakt dit naar het oordeel van het Hof niet anders. Ook dan kan immers in de ogen van de Inspecteur onduidelijk zijn waartegen het bezwaar van belanghebbende zich, gelet op de gesloten vaststellingsovereenkomst, nog specifiek richt. De Inspecteur heeft vervolgens belanghebbende tot drie maal toe de gelegenheid geboden alsnog de bezwaargronden naar voren te brengen. Belanghebbende heeft daarvan geen gebruik gemaakt, zelfs niet met de mededeling dat belanghebbende haar bezwaren tegen de aanslag bij de Inspecteur bekend veronderstelt. De Inspecteur heeft mitsdien terecht het bezwaar niet-ontvankelijk geacht.

4.6.

Gelet op het hiervoor overwogene dient het hoger beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. R.F.C. Spek, in tegenwoordigheid van mr. N.G.U. Wasch als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2017.

De griffier, De voorzitter,

(N.G.U. Wasch) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 21 december 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.