Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11197

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
16/01342 tm 16/01344
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:5553, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1369
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Bron van inkomen? Handwerkactiviteiten. Objectieve voordeelsverwachting?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/29
Viditax (FutD), 05-01-2018
FutD 2018-0133
Viditax (FutD), 17-08-2018
NTFR 2018/55
NLF 2018/0134 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 16/01342 tot en met 16/01344

uitspraakdatum: 19 december 2017

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 september 2016, nummers AWB 16/2258, 16/2259 en 16/2754, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.909. Verder is een bedrag van € 775 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.703. Verder is een bedrag van € 109 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.866. Verder is een bedrag van € 22 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.4.

De Inspecteur heeft op 2 juli 2014 ambtshalve de aanslag IB/PVV 2010 verminderd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.986.

1.5.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 maart 2016 de (ambtshalve verminderde) aanslag IB/PVV 2010 gehandhaafd.

1.6.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 april 2016 de aanslag IB/PVV 2011 gehandhaafd.

1.7.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 maart 2016 de aanslag IB/PVV 2012 gehandhaafd.

1.8.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 27 september 2016 de beroepen inzake de aanslagen IB/PVV 2010 en 2012 ongegrond verklaard, het beroep inzake de aanslag IB/PVV 2011 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag IB/PVV 2011 vernietigd en de aanslag IB/PVV 2011 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.653.

1.9.

Belanghebbende heeft op 5 november 2016 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.10.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.11.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2017 te Arnhem. De zaken met de nummers 16/01342 tot en met 16/01344 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [A] . Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [B] en [C] .

1.12.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

1 De vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren [in] 1960, is [in] 2009 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder de handelsnaam [D] . De activiteiten bestaan uit het verkopen van wol, het ontwerpen en verkopen van borduurpakketten via een webwinkel en het geven van naailes (hierna: de handwerkactiviteiten).

2.2.

Op 26 augustus 2010 heeft de Belastingdienst een zogenoemd startersbezoek afgelegd bij belanghebbende. In het naar aanleiding daarvan opgestelde rapport is onder meer het volgende vermeld:

Reikwijdte van het bezoek

Het startersbezoek is ingesteld met als doel:

  • -

    een algemeen beeld te krijgen van de actuele bedrijfsactiviteiten;

  • -

    een algemeen beeld te krijgen van de administratieve organisatie en de hiermee verband houdende vastleggingen;

  • -

    het verstrekken van inlichtingen over fiscale regelgeving over bovengenoemde onderwerpen en het wijzen op administratieve verplichtingen overeenkomstig de eisen van het bedrijf.

Er heeft geen beoordeling plaatsgevonden op de volledigheid en juistheid van de administratieve onderdelen. Er kan aan dit bezoek dan ook geen vertrouwen worden ontleend betreffende de aanvaardbaarheid van enige fiscale aangifte, tenzij dit nadrukkelijk wordt vermeld bij specifieke onderwerpen of afspraken.

(…)

Voorlichting

Bron van inkomen

Aan belastingplichtige is uitgelegd dat opbrengsten, zowel negatief als positief, slechts in de inkomstenbelasting betrokken worden indien er een bron van inkomen aan ten grondslag ligt. Er is sprake van een bron van inkomen als er voldaan wordt aan de volgende criteria:

  • -

    er moet deelname zijn aan het economisch verkeer;

  • -

    er moet voordeel beoogd worden en

  • -

    dat voordeel moet redelijkerwijs te verwachten zijn.

Ondernemerschap

Wanneer er sprake is van een bron van inkomen dan dient beoordeeld te worden aan welke bron het inkomen toegerekend kan worden. Om het inkomen als winst uit onderneming aan te merken, dient er sprake te zijn van een onderneming in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001.

(…)

Afspraken

Met belastingplichtige zijn geen afspraken gemaakt.”

2.3.

Belanghebbende heeft in de jaren 2009 tot en met 2013 een negatief resultaat behaald met de handwerkactiviteiten. Voor de omzetbelasting is het volgende aangegeven:

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Omzet

31

378

252

2447

0

0

Verschuldigde OB

6

72

48

514

0

0

Voorbelasting

-59

-662

-1495

-2007

-330

0

KOR

-59

Teruggaaf

-112

-590

-1447

-1493

-330

0

2.4.

Belanghebbende is chronisch ziek. Zij ontvangt een WAO-AWW-uitkering. Belanghebbende heeft op basis van een indicatiebesluit van het Centrum indicatiestelling zorg (hierna: CIZ) uit maart 2009 recht op 1,9 uur zorg per week. Dit heeft voor belanghebbende geresulteerd in een persoonsgebonden budget (hierna: PGB) van respectievelijk € 1.164 (2010), € 1.129 (2011) en € 1.155 (2012).

2.5.

Daarnaast heeft belanghebbende op 1 januari 2010 met haar echtgenoot een zorgovereenkomst gesloten voor de verlening van 14 uren zorg per week. Belanghebbende is daarvoor een vergoeding verschuldigd van € 1.806,75 per maand, ofwel € 21.681 per jaar.

2.6.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de handwerkactiviteiten geen bron van inkomen vormen, nu objectief gezien daaruit geen voordeel kan worden verwacht. Verder heeft de Rechtbank geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op aftrek voor levensonderhoud van haar dochter, en dat de Inspecteur terecht de uitgaven voor specifieke zorgkosten niet in aftrek heeft toegelaten.

2 Het geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de handwerkactiviteiten in 2010 tot en met 2012 een bron van inkomen vormen. Verder is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten. Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2.

Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van haar dochter, in hoger beroep niet langer aan de orde is.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslagen IB/PVV. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het geschil

Bron van inkomen

4.1.

Een voordeel kan slechts inkomen zijn indien er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt. Volgens vaste jurisprudentie (vgl. HR 3 maart 1954, nr. 11.683, BNB 1954/125 en HR 1 februari 2002, nr. 36.238, ECLI:NL:HR:2002:AD8763) worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt.

4.2.

In het kader van de objectieve voordeelsverwachting dient te worden onderzocht of de activiteiten van belanghebbende voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn dan wel of daarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij belanghebbende, zij het in de toekomst, positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren (HR 14 oktober 2005, nr. 40.224, ECLI:NL:HR:2005:AR6821).

4.3.

De vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (HR 24 juni 2011, nr. 10/01299, ECLI:NL:HR:2011:BP5707).

4.4.

Op belanghebbende rust de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat met betrekking tot de handwerkactiviteiten in de onderhavige jaren sprake was van een objectieve voordeelsverwachting.

4.5.

Het Hof acht belanghebbende niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de handwerkactiviteiten zijn ontplooid in de jaren 2009 tot en met 2013, dat vanaf 2014 geen activiteiten meer hebben plaatsgevonden, en dat gedurende de jaren 2009 tot en met 2013 jaarlijks een negatief resultaat is behaald. Gelet daarop is in de onderhavige jaren geen sprake van een objectieve verwachting dat met de handwerkactiviteiten redelijkerwijs een voordeel kan worden behaald. Dat de handwerkactiviteiten na de start van de verkoop op de markt in april 2012 wel tot een objectief te verwachten voordeel zouden hebben geleid en dat de Inspecteur belanghebbende met zijn standpunt zou hebben ontmoedigd dit voordeel te realiseren, mist gelet op het cijferoverzicht over het jaar 2012 feitelijke grondslag (bijlage 35 bij het verweerschrift in eerste aanleg). Van een bron van inkomen is geen sprake. Het belastbaar inkomen wordt derhalve niet verminderd met het negatieve resultaat uit de handwerkactiviteiten.

4.6.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij aan het startersbezoek in augustus 2010 het vertrouwen mocht ontlenen dat haar handwerkactiviteiten als ondernemingsactiviteiten zouden worden aangemerkt. Dit betoog kan niet slagen. Blijkens het rapport dat is opgesteld naar aanleiding van het startersbezoek (zie 2.2) – welk rapport destijds aan belanghebbende is toegestuurd – is belanghebbende slechts in algemene bewoordingen voorgelicht over onder meer de vragen wanneer sprake is van een bron van inkomen en wanneer sprake is van een onderneming. Bovendien is in het rapport uitdrukkelijk opgemerkt dat aan het startersbezoek geen vertrouwen kan worden ontleend betreffende de aanvaardbaarheid van enige fiscale aangifte. Dat belanghebbende geen kennis heeft genomen van dit rapport, komt voor haar rekening. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

Uitgaven specifieke zorgkosten

4.7.

Belanghebbende betoogt dat de indicatie van het CIZ (zie 2.4) onvoldoende was om in haar zorgbehoefte te voorzien, dat zij daarom in de jaren 2010 tot en met 2012 met haar echtgenoot een zorgovereenkomst heeft gesloten voor de verlening van 14 uren zorg per week, en dat zij daarvoor jaarlijks een vergoeding aan haar echtgenoot is verschuldigd van € 21.681. Belanghebbende wenst het verschil tussen deze jaarvergoeding en het aan haar toegekende PGB in aftrek te brengen als specifieke zorgkosten. Deze aftrek wordt door de Inspecteur betwist.

4.8.

In artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter e, Wet IB 2001 is bepaald dat uitgaven voor extra gezinshulp vanwege ziekte of invaliditeit, voor aftrek als specifieke zorgkosten in aanmerking komen. Belanghebbende heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij in de onderhavige jaren meer zorg nodig had dan door het CIZ was geïndiceerd, zodat niet gezegd kan worden dat uitgaven vanwege ziekte of invaliditeit zijn gedaan. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat de werkzaamheden van de echtgenoot uitgaan boven de gebruikelijke wederzijdse bijstand die van echtgenoten mag worden verwacht. Daarom komen de kosten niet voor aftrek in aanmerking.

4.9.

Voorts is in artikel 6.17, lid 5, Wet IB 2001 bepaald dat uitgaven voor extra gezinshulp slechts in aanmerking worden genomen voor zover zij blijken uit gedagtekende facturen waarin op duidelijke en overzichtelijke wijze de naam en het adres van de gezinshulp zijn vermeld. Nu belanghebbende dergelijke facturen niet heeft ingebracht, is ook aan deze wettelijke voorwaarde niet voldaan, zodat aftrek ook daarom niet mogelijk is. Anders dan belanghebbende voorstaat, kan de door belanghebbende gesloten zorgovereenkomst met haar echtgenoot niet als een factuur in vorenbedoelde zin worden aangemerkt.

Heffings- en belastingrente

4.10.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte heffings- en belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden daartegen aangevoerd. Nu de aanslagen niet worden verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte renten.

Slotsom
4.11. Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. A. van Dongen en
mr. P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2017.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 21 december 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.