Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11187

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
21-004338-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: vormverzuim, schoenspoor, daderschap. Anders dan de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim bij de verkrijging van het schoenspoor, zodat het schoenspoor voor het bewijs gebezigd kan worden. Verdachte wordt veroordeeld ter zake van de tenlastegelegde inbraak tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek. De inbeslaggenomen scooter dient te worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004338-16

Uitspraak d.d.: 20 december 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 27 juli 2016 met parketnummer 08-760147-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

wonende te [geboortedatum] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 december 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van verdachte. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. B.H.J. van Rhijn, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is door de politierechter in de rechtbank Overijssel bij vonnis van 27 juli 2016 integraal vrijgesproken ter zake van het onder 2 tenlastegelegde. Voor zover het onbeperkt ingestelde hoger beroep is gericht tegen deze vrijspraak, kan verdachte daarin op grond van het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte wel veroordeeld ter zake van de onder 1 tenlastegelegde inbraak tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de politierechter de inbeslaggenomen scooter verbeurd verklaard.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – vernietigen omdat het hof met betrekking tot de tekst van de bewezenverklaring en de beslissing omtrent het beslag tot een andersluidende beslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep van belang – tenlastegelegd dat:

1:
hij in of omstreeks 17 mei 2016 tot en met 22 mei 2016 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres 1] heeft weggenomen één of meer sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen sieraad/sieraden onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak/verbreking;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunten

Zowel de advocaat-generaal als de raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat het proces-verbaal van relaas onoverkomelijke fouten bevat. Zo zou – onder meer – het bij de tenlastegelegde inbraak aangetroffen schoenspoor de grond zijn geweest voor de aanhouding van verdachte, terwijl de desbetreffende schoen van verdachte pas later, tijdens verdachtes aanhouding, in beslag is genomen. Het aangetroffen schoenspoor kan derhalve geen grond zijn geweest voor de aanhouding of binnentreding, dan wel de inbeslagname van voornoemde schoenen. De resterende aanwijzingen in de richting van verdachte bieden hiervoor evenmin voldoende grondslag, zodat onrechtmatig is binnengetreden. Daarom dient het bewijsmiddel dat daaruit verkregen is, namelijk het matchende schoenspoor, van het bewijs uitgesloten te worden. Het resterende bewijs is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen, zo stelt de advocaat-generaal.

De raadsman heeft zich bij dit standpunt aangesloten en benadrukt dat de resterende getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] onvoldoende steun bieden voor verdachtes daderschap.

Bruikbaarheid schoenspoor

Blijkens het proces-verbaal van uitslag vergelijkend schoensporenonderzoek d.d. 30 mei 2016 zijn de schoenen van verdachte op 18 april 2016 in het kader van een zaak met BVH-nummer PL06-2016164028 inbeslaggenomen en gewaarmerkt met het SIN-nummer AAIK4343NL. Op 19 april 2016 zijn van deze schoenen proefafdrukken vervaardigd die zijn opgeslagen bij het Team Forensisch Opsporing

Het politieonderzoek naar de onder 1 tenlastegelegde inbraak heeft BVH-nummer PL0600-2016354505Z. Blijkens het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 31 mei 2016 is in de woning waar deze inbraak heeft plaatsgevonden op 23 mei 2016 een sporenonderzoek verricht, waarbij ook schoensporen zijn veiliggesteld. Op 25 mei 2016 is vervolgens een vergelijkend onderzoek ingesteld. Tijdens dit vergelijkend onderzoek is gebleken dat een van de veiliggestelde schoensporen, aangetroffen op de vensterbank in de slaapkamer op algemene, maar ook op zeer specifieke punten overeenkomt met de proefdruk van een linkerschoen, gewaarmerkt met SIN-nummer AAIK4343NL, inbeslaggenomen onder [verdachte] . Wanneer de schoenen van de verdachte voor nader onderzoek worden aangeboden kan van het vergelijkend schoensporenonderzoek een uitgebreid proces-verbaal met foto’s worden opgemaakt, zo volgt uit het dossier.

Naar aanleiding van deze aanwijzing in de richting van verdachte, alsmede het door getuigen genoemde signalement en de omstandigheid dat het door getuigen waargenomen kenteken van de bij de inbraak gesignaleerde scooter nagenoeg overeenkomt met het kenteken van de scooter die in gebruik is bij – onder meer – verdachte, wordt op 29 juni 2016 binnengetreden in de woning aan de [adres 2] te [plaats 2] , die bewoond zou worden door verdachte. Deze woning werd betreden ter aanhouding van verdachte en ter inbeslagneming, zo volgt uit het proces-verbaal van binnentreden. Daartoe is ook een machtiging afgegeven door de hulpofficier van justitie. In de woning zijn verschillende schoenen inbeslaggenomen, waaronder de ‘blauwe Nikes’ die al eerder onder verdachte in beslag genomen waren en waarvan de opgeslagen proefafdruk bij het vergelijkend schoensporenonderzoek een match heeft opgeleverd met het bij de inbraak aangetroffen schoenspoor.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de schoenen van verdachte kennelijk in het kader van een ander politieonderzoek al op 18 april 2016 in beslag zijn genomen. Van deze schoenen zijn proefafdrukken gemaakt en opgeslagen, waarna de schoenen kennelijk aan verdachte zijn teruggegeven. Op basis van de opgeslagen proefafdrukken is een eerste match ontstaan tussen de opgeslagen schoenafdruk van verdachte en de bij de inbraak aangetroffen schoensporen. Uiteindelijk worden dezelfde schoenen op 29 juni 2016 opnieuw in beslag genomen in verdachtes woning, waarna uitgebreider vergelijkend onderzoek wordt verricht tussen deze schoen en het aangetroffen schoenspoor. Anders dan de advocaat-generaal heeft gesteld, heeft het binnentreden in verdachtes woning ter aanhouding en inbeslagname wel degelijk plaatsgevonden op grond van de eerste match tussen het in april 2016 reeds vervaardigde en opgeslagen schoenspoor en het bij de inbraak aangetroffen schoenspoor, ondersteund door de voornoemde nadere aanwijzingen. Het hof is van oordeel dat deze aanwijzingen voldoende grond opleveren om te spreken van een verdenking – een redelijk vermoeden van schuld – jegens verdachte. Reeds gelet hierop is het hof van oordeel dat er geen vormverzuimen of gebreken kleven aan het binnentreden in de woning van verdachte en de daar opnieuw in beslag genomen schoenen. Het hof zal de advocaat-generaal derhalve niet volgen in zijn standpunt.

Daderschap

Op 22 mei 2016 doet aangever [slachtoffer] aangifte1 van de inbraak in zijn woning aan de [adres 1] te [plaats 1] . Hij heeft zijn woning op 17 mei 2016 afgesloten achtergelaten en treft vervolgens bij thuiskomst ’s avonds op 22 mei 2016 de reeds gealarmeerde politie aan bij zijn woning. Uit aangevers verklaring volgt dat het badkamerraam is opengebroken, waarna in ieder geval zijn studeer- en slaapkamer zijn doorzocht. Ook het raam van de slaapkamer wordt open aangetroffen, met het gordijn hangend naar buiten. Aangever mist een aantal kleine zaken, waaronder sieraden. Uit het proces-verbaal van bevindingen2 volgt dat aangever nadien contact heeft gehad met het beveiligingsbedrijf, dat hem verteld heeft dat het alarm in zijn woning is afgegaan op zondag 22 mei 2016 zowel om 17.00 uur als om 22.00 uur.

Blijkens het proces-verbaal van sporenonderzoek3 is het badkamerraam open gewrikt met een breek of steekvoorwerp. Het slaapkamerraam is het vermoedelijke uitklimraam; in de vensterbank van dit raam worden aan de binnenzijde twee schoensporen aangetroffen die zijn veiliggesteld (SIN-nummer AAJH1564NL en AAJH1563NL).

Voorts volgt uit het dossier dat een buurtbewoner, getuige [getuige 1]4, op zondag 22 mei 2016 rond 22.00 uur een ‘rood lampje’ heeft gezien op de oprit van de buren die wonen aan de [adres 1] . Dit rode lampje bewoog over de oprit naar de woning toe. Een paar minuten later is het alarm van deze woning afgegaan; getuige [getuige 1] heeft vervolgens uit het raam gekeken en ziet dan een ‘wit licht’ bij voornoemde woning wegrijden. Getuige [getuige 1] is vervolgens samen met haar zus in de auto gestapt en naast de scooter gaan rijden die uit de richting van de woning van [adres 1] kwam. Blijkens haar verklaring was deze scooter zwart van kleur, met als kenteken [kenteken 1] . De persoon zelf is gekleed in een zwarte jas met een bontkraag rond de capuchon en wordt omschreven als getint, met een normaal postuur en lengte, aldus getuige [getuige 1] . De verklaring van [getuige 1] zus, [getuige 3]5, is vergelijkbaar, met dien verstande dat zij ook heeft gezien dat de persoon een blauwe Albert Heijn tas tussen zijn benen had staan.

Op de door getuigen beschreven route wordt door verbalisanten later ook daadwerkelijk een blauwe Albert Heijn tas aangetroffen met daarin in ieder geval een broche.6 Aangevers dochter denkt dit sieraad te herkennen als een broche die aangevers elf jaar geleden overleden vrouw heel soms droeg.7

Uit het nader onderzoek naar voornoemde gegevens volgt dat het kenteken [kenteken 1] niet bestaat, maar het kenteken [kenteken 2] bestaat wel.8 Dit betreft een zwarte scooter van het merk Turbho, type CS-50. Blijkens de politiesystemen rijdt verdachte op deze zwarte scooter.9

Daarnaast volgt uit het proces-verbaal van vergelijkend schoensporenonderzoek10 dat het op 22 mei 2016 aangetroffen schoenspoor met SIN-nummer AAJH1563NL qua maat en profiel overeenkomt met de proefafdruk van een linkerschoen die in een eerder onderzoek op 18 april 2016 inbeslaggenomen is onder dezelfde verdachte en gewaarmerkt is met SIN-nummer AAIK4343NL. Op 29 juni 2016 is binnengetreden in de woning van verdachte11; hier zijn onder meer de blauwe ‘Nikes’ aangetroffen die al eerder onder verdachte in beslag waren genomen en waarmee proefsporen zijn gemaakt. Aan de hand van deze schoenen is op 30 juni 2016 een uitgebreid vergelijkend sporenonderzoek12 uitgevoerd. Door de beschadigingen in de zolen van de schoenen kunnen de hiermee vervaardigde proefafdruksporen als karakteristiek voor deze schoenen worden beschouwd. Uit het onderhavige onderzoek volgt dat het aangetroffen spoor en de linkerschoen van voornoemd schoenpaar op meerdere punten, waaronder zogenoemde karakteristieke beschadigingen, met elkaar overeenkomen. Daarnaast komen de profielen en de afmetingen nagenoeg met elkaar overeen en zijn er geen onverklaarbare verschillen gevonden. Concluderend volgt dat het bij de inbraak aangetroffen schoenspoor met SIN-nummer AAJH1563NL waarschijnlijk is veroorzaakt met de linkerschoen, die hoort bij voornoemde ‘Nikes’ van verdachte.

Verdachte is op 18 juli 2016 verhoord en in de gelegenheid gesteld te reageren op het sporenonderzoek. Verdachte is ter zitting van de politierechter verschenen en heeft ook aldaar een verklaring kunnen afleggen. Verdachte heeft er echter voor gekozen gebruik te maken van zijn zwijgrecht. Vervolgens is hij bij het hof niet verschenen. Aldus heeft verdachte geen aannemelijk, de redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven voor het in de woning aangetroffen schoenspoor en zal het hof op de hiervoor overwogen wijze gebruiken voor het bewijs.

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die op 22 mei 2016 ’s avonds rond 22.00 uur ingebroken heeft in de woning aan de [adres 1] .

Dat de getuigen [getuige 1] niet exact het kenteken noemen van de scooter waarvan de politie weet dat verdachte er op rijdt, maar een kenteken dat hier zeer sterk op lijkt, maakt voornoemde conclusie niet anders. Het door deze getuigen genoemde kenteken [kenteken 1] bestaat niet; in zoverre kan dit hoe dan ook niet het juiste kenteken zijn, maar moet er sprake zijn geweest van een hierop gelijkend kenteken. De scooter die verdachte in gebruik heeft, bevat dat sterk gelijkende kenteken en is eveneens zwart van kleur. Het hof verwerpt derhalve de verweren van de raadsman.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 22 mei 2016 te [plaats 1] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan [adres 1] heeft weggenomen sieraden, toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich op 22 mei 2016 schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Een dergelijk vermogensdelict veroorzaakt overlast, hinder en schade voor de gedupeerde. Naar algemeen bekend is, kunnen met name de slachtoffers van een woninginbraak hiervan lang nadelige gevolgen ondervinden, nu zij zich in een voor hen vertrouwde omgeving niet langer veilig kunnen wanen. Ook in de omgeving van de woning waar is ingebroken pleegt een dergelijk voorval gevoelens van angst en onveiligheid teweeg te brengen. De verdachte heeft kennelijk enkel en alleen gehandeld vanuit het oogpunt van eigen gewin en zich van deze mogelijke gevolgen geen rekenschap gegeven. De verdachte heeft door zijn handelen er blijk van gegeven weinig respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffende Uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 7 november 2017, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder vermogensdelicten. Deze veroordelingen hebben hem echter niet weerhouden van het opnieuw begaan van een vergelijkbaar feit.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is. Een lichtere strafmodaliteit komt – gelet op verdachtes recidive, alsmede de aard en ernst van het feit – thans niet meer in aanmerking.

Beslag

In onderhavige zaak is een zwarte scooter met kenteken [kenteken 2] in beslag genomen. Op dit beslag is nog geen beslissing genomen. Het hof zal de teruggave gelasten van deze scooter aan de rechtmatige eigenaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de rechtmatige eigenaar van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een scooter met kenteken [kenteken 2] .

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. L.J. Hofstra, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van der Ploeg, griffier,

en op 20 december 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, nummer PL0600-2016251921-1, d.d. 25 mei 2016. (p. 41 en verder van het onder 1 genoemde dossier).

2 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2016251921-11, d.d. 25 mei 2016 (p. 45 van het onder 1 genoemde dossier).

3 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van sporenonderzoek, nummer PL0600-2016251921-8, d.d. 31 mei 2016 (p. 58 van het onder 1 genoemde dossier).

4 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , nummer PL0600-2016251921-2, d.d. 23 mei 2016 (p. 49 en verder van een dossier met nummer PL0600-2016354505Z.

5 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , nummer PL0600-2016251921-5, d.d. 23 mei 2016 (p. 51 en verder van het onder 1 genoemde dossier).

6 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2016251921-6, d.d. 23 mei 2016 (p. 56 van het onder 1 genoemde dossier).

7 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2016251921-16, d.d. 22 juni 2016 (p. 46 van het onder 1 genoemde dossier).

8 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van voorgeleiding, nummer 2016251921 en 2016313807, d.d. 19 juli 2016 (p. 4 en verder van het onder 1 genoemde dossier).

9 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2016251921-4, d.d. 23 mei 2016 (p. 55 van het onder 1 genoemde dossier).

10 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van uitslag vergelijkend schoensporenonderzoek, nummer PL0600-2016251921-15, d.d. 30 mei 2016 (p. 61 van het onder 1 genoemde dossier).

11 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2016251921-28, d.d. 34 mei 2016 (p. 33 van het onder 1 genoemde dossier).

12 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal vergelijkend schoensporenonderzoek, nummer PL0600-2016251921, d.d. 6 juli 2016 (p. 69 van het onder 1 genoemde dossier).