Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11185

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
21-005846-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Pleidooi dat verdachte gedwaald zou hebben omtrent de waarde of herkomst van de goederen wordt verworpen. Verdachte wordt veroordeeld ter zake van diefstal door twee of meer verenigde personen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, geheel voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 75 uren, subsidiair 37 dagen hechtenis. Gedeeltelijke toewijzing vordering van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005846-16

Uitspraak d.d.: 20 december 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 2 november 2016 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-162739-14 en 18-162736-14, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 december 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot € 800,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde immateriële schade kan niet worden toegewezen, gelet op de aard van het delict, aldus de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. N. Hendriksen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 2 november 2016 de verdachte veroordeeld ter zake van het primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, waarvan 13 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 550,-, bestaande uit € 150,- aan immateriële en € 400,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof met betrekking tot de exacte tekst van de bewezenverklaring, de strafoplegging en de beslissing ten aanzien van de benadeelde partij tot een andersluidende beslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 24 juli 2014 te [plaats] , gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop en/of mobiele telefoon en/of een of meerdere bankpassen en/of een rijbewijs en/of een portefeuille en/of kleding, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

subsidiair:
hij op of omstreeks 24 juli 2014 te [plaats] gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een laptop en/of een mobiele telefoon en/of een of meerdere bankpassen en/of een rijbewijs en/of een portefeuille en/of kleding , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehoorde aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als door verdachte en/of verdachtes mededader(s) gevonden goederen, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – kort gezegd – bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het primair, als het subsidiair tenlastegelegde. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte gedwaald zou hebben over de waarde of herkomst van de goederen, waardoor het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening zou ontbreken. Verdachte heeft in dit verband aangevuld dat hij dacht dat het ‘rotzooi’ was.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de aangifte volgt dat aangeefster in de ochtend van 24 juli 2014 een aantal tassen in de steeg achter haar woning heeft neergezet. In deze tassen zaten vele goederen, waaronder waardevolle en persoonlijke spullen. Het gaat om onder meer een laptop, portefeuille, bankpassen, een rijbewijs, een mobiele telefoon, vele kledingstukken, schoenen, een grijze toilettas, een agenda en een leren lichtbruine tas van het merk Sascha met daarin allerlei administratieve zaken voor – naar het hof begrijpt – aangeefsters werk. Zij heeft deze spullen daar tijdelijk gestald om vervolgens snel haar auto op te halen en de goederen in de auto te laden. Bij terugkeer in de steeg zijn deze spullen echter verdwenen.

Uit de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte volgt dat zij op 24 juli 2014 samen in de steeg achter de woning van aangeefster lopen. In deze steeg zien zij voornoemde tassen staan. Blijkens de verklaring van verdachte is één van deze tassen doorzichtig; in deze tas zit een laptop. Daarnaast zitten er in de tassen ook nog kleding, een toilettas en een handtasje, aldus verdachte. Verdachte heeft in dit verband verklaard wel degelijk het gevoel te hebben dat het niet helemaal klopte en dat gezegd zou kunnen worden dat je van dat soort spullen “met de klauwen (..) af (moet) blijven”. Verdachte en zijn medeverdachten nemen desondanks deze tassen mee naar de woning van verdachte, waar de spullen van aangeefster uiteindelijk in het door de politie gestarte onderzoek ook worden aangetroffen.

Gelet op het voorgaande, in het bijzonder de inhoud van de tassen en hetgeen verdachte in dat verband heeft verklaard, is het hof van oordeel dat het de verdachten aanstonds duidelijk is geweest dat het om waardevolle goederen ging, die zij zich niet zonder meer hadden mogen toe-eigenen. Uit niets blijkt dat deze spullen aan te merken zijn als ‘waardeloos’ of ‘rotzooi’. Door deze spullen toch mee te nemen, hebben verdachte en zijn medeverdachte zich deze spullen wederrechtelijk toegeëigend. Het hof verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij op 24 juli 2014 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop en mobiele telefoon en bankpassen en een rijbewijs en een portefeuille en kleding, behorende aan [benadeelde partij] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich op 24 juli 2016 samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan diefstal. Een dergelijk vermogensdelict veroorzaakt overlast, hinder en schade voor de gedupeerde. Voorts heeft verdachte door aldus te handelen er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffende Uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 7 november 2017, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte echter niet weerhouden van het opnieuw begaan van een strafbaar feit.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 75 uren, subsidiair 37 dagen hechtenis een passende bestraffing is. Anders dan de advocaat-generaal acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats; de aard en de ernst van het feit, alsmede verdachtes strafblad komen voldoende tot uitdrukking met de oplegging van een hogere taakstraf dan in eerste aanleg is opgelegd. De voorwaardelijke straf is bedoeld om verdachte in de toekomst te weerhouden van het opnieuw begaan van strafbare feiten. Het is met andere woorden een stok achter de deur die verdachte moet ondersteunen om juist verleidingen als de onderhavige te weerstaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.100,00, bestaande uit € 800,- aan materiële schade en € 300,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 550,00, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Met name verdachte heeft betwist dat aangeefster schade geleden zou hebben; zijn raadsman heeft gevraagd de immateriële schade niet toe te wijzen en de materiële schade sterk te matigen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 150,-. Het hof is van oordeel dat de gevorderde materiële schade in zoverre afdoende is onderbouwd en in dit verband onvoldoende is betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, hoofdelijk en vermeerderd met de wettelijke rente. De overige gestelde materiële schade zal het hof afwijzen, nu deze onvoldoende onderbouwd is en door verdachte uitgebreid is betwist.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade stelt het hof vast dat de spullen niet gestolen zijn uit de woning van verdachte, maar uit de steeg achter haar woning. Daarmee valt de schade niet onder de in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek genoemde categorieën van ander nadeel dan vermogensschade. Nu de wet niet voorziet in vergoeding van de geleden schade zal het hof de vordering voor zover die ziet op vergoeding van immateriële schade afwijzen..

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en de verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 75 (vijfenzeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 24 juli 2014.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 24 juli 2014.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Hofstra, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. K. Lahuis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van der Ploeg, griffier,

en op 20 december 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.