Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11182

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
200.226.881/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige uitzending, integraal uitzendverbod en rectificatie zijn niet noodzakelijk en niet proportioneel .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6799
PS-Updates.nl 2018-0004
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.226.881/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/16/444861/KL ZA 17-308)

arrest in kort geding (spoedappel) van 19 december 2017

in de zaak van:

de vereniging AVROTROS

gevestigd te Hilversum,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: AVROTROS,

advocaat mr. H.A.J.M. van Kaam te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. B.E.J.M Tomlow te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 9 oktober 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 30 oktober 2017 met grieven,

  • -

    de memorie van antwoord van 21 november 2017 met producties,

  • -

    het pleidooi van 28 november 2017, waarbij door de advocaten van beide partijen pleitaantekeningen zijn overgelegd.

2.2

Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald op het door AVROTROS

overgelegde procesdossier.

2.3

Het hoger beroep van AVROTROS strekt ertoe, kort gezegd, dat het kortgedingvonnis van 9 oktober 2017 wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.21 van het vonnis van 9 oktober 2017, heeft AVROTROS twee grieven (grieven 1 en 2) gericht. Het hof zal hierna onder 3.2 met inachtneming van deze grieven en met wat in hoger beroep tussen partijen verder is komen vast te staan, mede gelet op de inhoud van de overgelegde en niet betwiste stukken, de feiten zelf vaststellen. De grieven behoeven om die reden geen afzonderlijke inhoudelijke behandeling.

3.2

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.2.1

[B] woont sinds 1981 op het adres [a-straat] 234a te [A] . [geïntimeerde] koopt in 2000 het huis aan de [a-straat] 236 te [A] .

3.2.2

Beide woningen liggen dicht naast elkaar en zijn te bereiken via een lang bospad, dat eindigt in twee lussen (zie onderstaande afbeelding uit het kadaster, overgelegd door [geïntimeerde] als productie 15 in eerste aanleg). Het einde van het bospad en beide lussen bevinden zich op het perceel van [geïntimeerde] . Op grond van een in 1980 gevestigde erfdienstbaarheid dient [geïntimeerde] toe te staan dat [B] gebruikt maakt van het pad en beide lussen. De bovengrondse parkeerplaatsen van [B] zijn alleen bereikbaar via de zuidelijke lus (de linkse lijn op onderstaande afbeelding).

3.2.3

[geïntimeerde] heeft kort na de verkrijging van de woning op de zuidelijke lus een tuin aangelegd. [B] heeft daartegen bezwaar gemaakt. [B] heeft [geïntimeerde] gevraagd de blokkering van de zuidelijke lus op te heffen. De kortgedingrechter van de rechtbank Utrecht heeft in zijn vonnis van 25 juni 2002 de daartoe strekkende vordering van [B] afgewezen. De bodemrechter oordeelde anders. In het vonnis van 23 februari 2005 is [geïntimeerde] door de rechtbank Utrecht veroordeeld om de met de erfdienstbaarheid strijdige situatie op te heffen. Van dit vonnis is door partijen geen hoger beroep in gesteld.

3.2.4

In de loop van de tijd hebben zich tussen partijen verschillende incidenten voorgedaan die door partijen over en weer aan de rechter zijn voorgelegd.

3.2.5

Op 29 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam [B] wegens mishandeling van de partner van [geïntimeerde] en belaging van [geïntimeerde] (in de periode van

1 september 2000 tot en met 22 mei 2004) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en tot een geldboete van
€ 1.000,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis. Dit arrest is onherroepelijk geworden.

3.2.6

Op 26 augustus 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ6044) in conventie [B] onder meer verboden om het perceel van [geïntimeerde] te betreden (met uitzondering van het overpad) op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding. In reconventie zijn [geïntimeerde] en zijn partner veroordeeld, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, om [B] in staat te stellen onbelemmerd gebruik te maken van, kort gezegd, zijn recht op overpad

3.2.7

Op 14 oktober 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (ECLI:NL:RBUTR:2009:5564) [geïntimeerde] en zijn partner, op straffe van een dwangsom, geboden om de door hen geplaatste camera’s zo te plaatsen en te richten dat zij geen beelden kunnen maken van het huis en het erf van [B] .

3.2.8

Op 7 maart 2010 heeft [B] zich toegang verschaft tot de, op dat moment verlaten, woning van [geïntimeerde] . Hij is daar op heterdaad betrapt en aangehouden door de politie. [B] heeft vervolgens twee weken in voorlopige hechtenis doorgebracht en heeft op last van de rechter-commissaris een psychologisch onderzoek ondergaan. [B] heeft op grond van deze overtreding van het vonnis van 26 augustus 2009 een dwangsom van € 10.000,- verbeurd, die door hem aan [geïntimeerde] is betaald.

3.2.9

Op 28 april 2010 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (ECLI:NL:RBUTR:2010:BM2510) de in het vonnis van 26 augustus 2009 aan [B] opgelegde dwangsom van € 10.000,- per overtreding van het perceelverbod verhoogd naar een eenmalige dwangsom van € 300.000,-.

3.2.10

Op 29 november 2010 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht ECLI:NL:RBUTR:2010:BO5293) [B] wegens belaging in de periode van

10 januari 2007 tot en met 7 maart 2007, huisvredebreuk, verboden wapenbezit en verduistering veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 166 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde gesteld dat [B] zich niet op het perceel van [geïntimeerde] zal begeven, behoudens op het gedeelte waarop het recht van overpad rust. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.

3.2.11

Op 21 december 2010 heeft het gerechtshof Amsterdam [B] wegens belaging

in de periode van 2 november 2004 tot en met 9 januari 2007, erfvredebreuk en vernieling, veroordeeld tot een geldboete van € 7.500,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 72 dagen hechtenis. Het Hof heeft daarbij bepaald dat een gedeelte van de geldboete van € 4.500,- niet ten uitvoer zal worden gelegd, op voorwaarde dat [B] zich tot het einde van een proeftijd van 2 jaar niet aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt en op voorwaarde dat hij zich niet op het perceel van [geïntimeerde] zal begeven (behoudens het gedeelte waarop het recht van overpad rust).

3.2.12

In de avond van 4 april 2016 heeft [B] het perceel van [geïntimeerde] betreden. Hiervan zijn met de infraroodcamera van [geïntimeerde] en zijn partner filmbeelden gemaakt, die aan de politie zijn verstrekt. [geïntimeerde] was op dat moment op vakantie. Het is vervolgens tot een handgemeen gekomen tussen [B] en de op het perceel van [geïntimeerde] aanwezige broer van [geïntimeerde] . [B] heeft hierop aangifte gedaan van zware mishandeling, waarna de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, in zijn vonnis van 20 september 2016 heeft geoordeeld dat de broer van [geïntimeerde] gepoogd heeft [B] zwaar te mishandelen. De broer van [geïntimeerde] is op grond van noodweerexces ontslagen van alle rechtsvervolging.

3.2.13

De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht heeft in zijn vonnis van 9 november 2016 geoordeeld dat [B] de eenmalige dwangsom van € 300.000,- heeft verbeurd (ECLI:NL:RBMNE:2016:5956), vanwege het betreden van het perceel van [geïntimeerde] zowel op 31 maart 2016 (waarbij [B] een auto heeft vernield) als op 4 april 2016.

3.2.14

[B] heeft de dwangsom van € 300.000,- aan [geïntimeerde] betaald.

3.2.15

De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht heeft in haar vonnis van
2 augustus 2017 [B] schuldig bevonden aan de op 1 oktober 2015 en 31 maart 2016 opzettelijk en wederrechtelijke beschadiging van de op het perceel van [geïntimeerde] bevindende auto’s en het op 4 april 2016 wederrechtelijk binnendringen in het besloten erf van [geïntimeerde] . [B] is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarbij een maatregel is opgelegd strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaren.

3.2.16

De hiervoor geschetste en reeds vele jaren voortdurende gang van zaken tussen [B] en [geïntimeerde] heeft in de pers (radio, televisie en kranten) veel aandacht gekregen.

Ook het radio- en televisieprogramma EenVandaag van AVROTROS heeft vanaf 2009 diverse keren aandacht aan de zaak besteed. In deze uitzendingen komt [geïntimeerde] uitvoerig aan het woord en vertelt hij zijn kant van het verhaal.

3.2.17

In de uitzending van het televisieprogramma EenVandaag van 12 augustus 2017 (hierna: de uitzending) komen [B] en [C] en [D] aan het woord. Tijdens de uitzending van 7 minuten en 32 seconden is onder andere het volgende gezegd:

"Presentatrice (0:00):

[B] , ook wel het monster van [A] genoemd omdat hij zijn buren treiterde, spreekt.

(…)

Presentatrice (0:24):

Voor het eerst verbreekt de 81 jarige [B] het stilzwijgen. [B] is veroordeeld tot drie maanden cel voor het treiteren van zijn buren. Daarbovenop moet hij een dwangsom van drie ton betalen. Maar is hij werkelijk de enige schuldige in dit conflict? Andere buren vinden van niet, en [B] , inmiddels dus bekend als het monster van [A] werkt mee aan een interview.

(…)

Verslaggeefster (0:46):

(voice-over) Midden in het bos [----] staan twee huizen pal naast elkaar. Rechts is het huis van de familie [geïntimeerde] , en links het huis van [B] , die bekend staat als het monster van [A] . [B] zou planten hebben vernield, en ramen hebben besmeurd. Een keer dringt hij het huis van zijn buren binnen. De rechter legt een dwangsom op, van drie ton als hij nog één keer op het terrein van zijn buren komt. Maart 2016 gebeurt dat toch. De broer van [geïntimeerde] heeft zich verstopt in de bosjes, en alles wordt gefilmd. [B] moet nu drie ton aan zijn buren betalen.

(verslaggeefster wandelend in beeld, 1:26)

Na de uitzending krijg ik een mail van buurtbewoners. Ze vragen of ik een keertje langs wil komen. En dan krijg ik een heel ander beeld van het monster van [A] . Hier wordt hij opa [B] genoemd.

(…)

Verslaggeefster (1:59):

(voice-over) Het conflict begint in 2000 als de familie [geïntimeerde] hun huis, hierboven in beeld koopt naast [B] . [B] heeft recht van overpad, maar dat wordt betwist door [geïntimeerde] . Gek, want zonder dat overpad kan [B] helemaal niet in zijn huis komen.

(…)

Verslaggeefster (2:27)

Er volgen allerlei juridische procedures. Uiteindelijk doet de rechtbank Utrecht in 2005 uitspraak.

(…)

Verslaggeefster (2:36)

Maar dit vonnis is niet het einde van een burenruzie, maar het begin van een langdurig conflict.

(…)

Verslaggeefster (4:14)

En er gebeuren ogenschijnlijk meer rare dingen. Plantjes worden vernield.

(…)

[D] : (4:39)

Zie je op een filmpje, of dan hoor of lees je dat eh eh hij modder eh smeurt op de ramen.

Maar ja, achter die ramen zit wel een camera op zijn voordeur eh gericht. (…)

Verslaggeefster (4:55):

Pesterijen over en weer. Ondertussen hangt nog steeds die dwangsom van drie ton boven het hoofd van [B] . En ja, dan ligt uitlokking op de loer, menen [C] en [D] .

[D] (5:06):

Ik zie het een beetje als een portemonnee aan een touwtje. Het is gewoon wachten, inderdaad wat [C] zegt op het moment dat hij gewoon eh eh, ja weer in zijn patroon valt.

Verslaggeefster (5:18):

En dan op een avond in maart vorig jaar, hond [E] slaat aan. [B] loopt naar buiten zijn tuin in, en zijn hond verdwijnt in het donker.

[B] (5:27):

Ik ben hier op het terrein gelopen, dit is het terrein van [geïntimeerde] .

(…)

Verslaggeefster (6:55):

[B] betaalt de 300.000 euro, en biedt zijn huis te koop aan. Al snel staat een potentiële koper op de stoep. De burgemeester van Doorn, de heer [F] biedt mediation aan tussen de familie [geïntimeerde] en de potentiële koper, maar tevergeefs.

(…)

Verslaggeefster (7:24):

De koper trekt zich terug. Na 17 jaar is er niets opgelost. Bovendien is [B] drie ton kwijt".

3.2.18

De uitzending maakt gebruik van eerder uitgezonden beeldmateriaal, waarop is te zien dat [B] een auto beschadigt, gif spuit, over beplanting rijdt en zich op het terrein van [geïntimeerde] begeeft.

3.2.19

[geïntimeerde] heeft [C] en [D] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de door hen in de uitzending gedane uitlatingen.

4 Het geschil en de procedure in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, verkort weergegeven, gevorderd op straffe van een dwangsom dat AVROTROS wordt bevolen om binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis:

  1. te (doen) bewerkstelligen dat (alle fragmenten van) de gewraakte uitzending (alsmede al haar publicaties waarin dezelfde/soortgelijke uitingen worden gedaan) worden verwijderd en verwijderd worden gehouden van de websites van AVROTROS, waaronder in ieder geval www.avrotros.nl, haar social media account(s), waaronder in ieder geval Facebook en Twitter, en van alle andere pagina's onder haar beheer; alsmede te (doen) bewerkstelligen dat (alle fragmenten van) het gewraakte nieuwsitem (alsmede al haar publicaties waarin dezelfde/soortgelijke uitingen worden gedaan) verwijderd worden (gehouden) uit de zoekresultaten van Google, YouTube, Bing, Yahoo, Facebook en Linkedln door middel van het aanschrijven van deze zoekmachines, met verstrekking van afschriften van de verzoeken daartoe aan (de raadsman van) [geïntimeerde] ;

  2. bij de eerstvolgende tv-uitzending van EenVandaag aan het begin van de uitzending de in de dagvaarding nader geformuleerde rectificatietekst in een goed leesbare letter over het gehele scherm te tonen en tegelijkertijd op een normale en rustige toon door een medewerker van EenVandaag uit te laten spreken, een en ander zonder enig commentaar;

  3. gedurende drie opvolgende dagen aan het begin van de radio 1 NPO uitzending van EenVandaag na het NOS journaal van 18.00 uur de onder ii) bedoelde tekst op de radio goed verstaanbaar en in normaal tempo uit te laten spreken, een ander zonder enig commentaar;

  4. op alle websites van AVROTROS gedurende zeven dagen aaneensluitend de onder ii) bedoelde tekst op de Home pagina aan het begin op de website/bovenin te plaatsen, waarbij dezelfde bovenkast en onderkast gebruikt worden als in de aankondiging van de bestreden uitzending, een en ander zonder enig commentaar; en

  5. AVROTROS te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van een voorschot op immateriële schadevergoeding van € 10.000,- en de proceskosten vermeerderd met de nakosten.

4.2

In zijn vonnis van 9 oktober 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad de vorderingen van [geïntimeerde] onder 4.1 i) tot en met iv) grotendeels toegewezen door AVROTROS, op straffe van een dwangsom, te bevelen a) de uitzending te verwijderen van de website van EenVandaag, b) Google, YouTube, Bing, Yahoo, Facebook en LinkedIn aan te schrijven om verwijdering uit de zoekresultaten te bewerkstelligen, en c) gedurende zeven dagen aaneensluitend, de volgende mededeling te plaatsen op de startpagina van de website van EenVandaag:

“RECTIFICATIE

Op 12 augustus 2017 heeft Avrotros in het televisieprogramma EenVandaag aandacht besteed aan het conflict tussen de familie [geïntimeerde] en de heer [B] . De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis in kort geding van 9 oktober 2017 geoordeeld dat wij dit op een onjuiste en onzorgvuldige wijze gedaan hebben en daarmee onrechtmatig ten opzichte van [geïntimeerde] gehandeld hebben.

Directie Avrotros.”

De voorzieningenrechter heeft verder het gevorderde voorschot op immateriële schadevergoeding afgewezen en AVROTROS in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld.

4.3

Na betekening van het vonnis, heeft AVROTROS de uitzending van haar website verwijderd en de rectificatie geplaatst.

5 De beoordeling van de (overige) grieven

5.1

Het gaat in deze zaak om de vraag of de uitzending, waarin [geïntimeerde] met naam wordt genoemd, jegens hem onrechtmatig is omdat zijn door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, waaronder het door hem specifiek ingeroepen recht op bescherming van zijn eer en goede naam, in dit concrete geval en gelet op alle omstandigheden zwaarder weegt dan het in artikel 10 EVRM verankerde recht van AVROTROS op vrijheid van meningsuiting. Die vraag is door de voorzieningenrechter bevestigend beantwoord. Met de grieven (13 in totaal) komt AVROTROS op tegen het door de voorzieningenrechter gehanteerde toetsingskader, de afweging van de relevante omstandigheden en de uitkomst van die afweging. De grieven zullen hierna gezamenlijk worden behandeld. Tegen de afwijzing van het gevorderde voorschot op vergoeding van immateriële schade is door [geïntimeerde] niet incidenteel geappelleerd, zodat deze vordering in hoger beroep niet meer aan de orde is.

Toetsingskader

5.2

Zoals de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.3 van het bestreden vonnis terecht heeft vooropgesteld moet bij een botsing van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het recht op vrije meningsuiting het antwoord op de vraag welke van deze beide fundamentele rechten in het concrete geval zwaarder weegt, worden gevonden door een afweging van alle terzake dienende omstandigheden van het geval en geldt bij deze afweging niet als uitgangspunt dat aan één van beide rechten voorrang toekomt. Het oordeel dat één van beide rechten, gelet op alle terzake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, brengt mee dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheids- en proportionaliteitstoets van artikel 10 lid 2 dan wel artikel 8 lid 2 EVRM. (zie HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210, HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, NJ 2012/571 en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:569). De toets dient in één keer te geschieden.

5.3

Wat betreft de in aanmerking te nemen omstandigheden, heeft de voorzieningenrechter, naar het oordeel van het hof eveneens terecht, aanknoping gezocht bij het Gemeenteraadslid-arrest van 24 juni 1983 (ECLI:NL:HR:1983:AD2221) (zonder overigens zich daartoe te beperken. De stelling van AVROTROS in de grieven 3 en 4 dat de in dat arrest genoemde omstandigheden voor deze zaak niet relevant zijn omdat geen sprake is van ernstige beschuldigingen of verdachtmakingen kan niet worden gevolgd, alleen al omdat “de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen op wie die verdenkingen betrekking hebben”, slechts één van de in het arrest genoemde omstandigheden is die bij de afweging in aanmerking moet worden genomen.

Bovendien volgt uit de formulering nu juist dat rekening moet worden gehouden met de aard van de verdenking (die meer of minder belastend kan zijn) en de ernst van de te verwachten gevolgen (die zwaarder of lichter kan zijn) en niet dat het geboden toetsingskader uitsluitend van toepassing zou zijn bij een ernstige beschuldiging.

5.4

De opsomming van omstandigheden in het Gemeenteraadslid-arrest is niet limitatief. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat nog vele andere omstandigheden gewicht in de schaal kunnen leggen, zoals i) de vormgeving van een uitzending en het daarin te maken onderscheid tussen feitelijke bevindingen en waardeoordelen, ii) de mate waarin een uitzending een bijdrage levert aan een publiek debat, iii) de mogelijk publieke bekendheid van de betrokken persoon en iv) de zwaarte van de opgelegde sanctie (zie EHRM

23 september 2009, nr. 15890/89, Jersild/Denmark, NJ 1995, 387, EHRM 4 juni 2004, nr. 59320/00,Von Hannover/Duitsland, EHRM 7 februari 2012, nr. 40660/08, Von Hannover/Duitsland II, NJ 2013/250 en nr. 39954/08, Axel Springer AG/Duitsland, NJ 2013/251).

5.5

Het hof zal hierna met inachtneming van de door het EHRM geformuleerde gezichtspunten en de door partijen genoemde omstandigheden de vereiste afweging maken.

(Spoedeisend) belang AVROTROS

5.6

[geïntimeerde] stelt dat AVROTROS geen spoedeisend belang heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep. Met zijn stelling miskent [geïntimeerde] dat alleen de eisende partij in kort geding spoedeisendheid dient aan te tonen. De enkele omstandigheid dat AVROTROS de rectificatie heeft geplaatst, betekent bovendien niet dat zij geen belang meer heeft bij dit hoger beroep. Haar belang bestaat er onder andere uit dat de verwijdering van de uitzending op haar website ongedaan wordt gemaakt.

Algemene opzet van de uitzending, wederhoor en de journalistieke vrijheid van AVROTROS

5.7

Onderwerp van de uitzending is een volledig uit de hand gelopen burengeschil tussen [geïntimeerde] en [B] , waaraan AVROTROS in haar tv-uitzendingen van 1 juli 2009,
21 september 2009 en 14 november 2016 ook al aandacht heeft besteed. In die uitzendingen komen [geïntimeerde] en zijn partner uitgebreid aan het woord. AVROTROS stelt dat zij [B] steeds in de gelegenheid heeft gesteld op het verhaal van de familie [geïntimeerde] te reageren, maar dat [B] dit in het verleden steeds heeft geweigerd. In de bewuste uitzending van EenVandaag van 17 augustus 2017 worden [B] en (oud) buurtbewoners [D] en [C] door AVROTROS in de gelegenheid gesteld hun kant van het verhaal vertellen. [geïntimeerde] is door AVROTROS niet in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

5.8

De stelling van AVROTROS dat de uitzending moet worden beoordeeld in de context van de voorgaande uitzendingen en dat het daarom niet nodig was wederhoor toe te passen, volgt het hof niet, alleen al omdat tussen de verschillende uitzendingen lange tijd is verstreken en het daarom niet aannemelijk is dat de kijker van EenVandaag deze uitzending als het slot van een vierluik zal beschouwen, zoals AVROTROS tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft betoogd.

5.9

Kenmerkend voor alle vier de EenVandaag uitzendingen is dat AVROTROS zich terughoudend opstelt. Zij schetst enige feitelijkheden en geeft de geïnterviewden vervolgens alle ruimte om hun kant van het verhaal te vertellen. De keuze voor deze opzet, en meer in het bijzonder de keuze om niet door te vragen, behoort tot de journalistieke vrijheid van AVROTROS, zoals zij onder grief 9 terecht stelt. Dat geldt ook voor zover de verslaggeefster op grond van de eerdere uitzendingen weet dat het verhaal van [B] en [C] en [D] niet strookt met het verhaal van [geïntimeerde] of met de feiten zoals die onder andere blijken uit de onder 3.2 genoemde uitspraken. Een en ander is namelijk inherent aan de door AVROTROS gekozen opzet van het programma. Wel geldt in de gekozen opzet dat van AVROTROS mag worden verwacht dat zij voldoende afstand houdt tot de uitlatingen en waardeoordelen van [B] en [C] en [D] , opdat de kijker deze niet opvat als feitelijke bevindingen of waardeoordelen van AVROTROS zelf. Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft AVROTROS in het algemeen in de uitzending voldoende afstand bewaard, door duidelijk onderscheid te maken tussen de opmerkingen en de vragen van de verslaggeefster en de antwoorden daarop van [B] en [C] en [D] .

5.10

De door AVROTROS gekozen opzet van het programma brengt mee, en daarin volgt het hof de voorzieningenrechter, dat de door haarzelf in de uitzending gepresenteerde feiten juist dienen te zijn en een betrouwbaar beeld moeten geven van de situatie, omdat AVROTROS, zoals zij tijdens het pleidooi desgevraagd heeft bevestigd, [geïntimeerde] bewust de mogelijkheid heeft ontnomen om mogelijke onjuistheden weg te nemen dan wel nuanceringen te plaatsen. Dit betekent niet, anders dan AVROTROS onder grief 6 aanvoert, dat er op haar een verzwaarde norm rust ten aanzien van de inhoud. Het houdt slechts in dat zij zich ervan dient te vergewissen dat de door haar gepresenteerde feiten voldoende steun vinden in onder andere de onder 3.2 genoemde stukken. Daarbij blijft overigens gelden dat in de wijze van presentatie aan AVROTROS in beginsel een grote vrijheid toekomt.

Publieke figuur?

5.11

De opvatting van AVROTROS dat [geïntimeerde] vanwege zijn eerdere optredens in de media moet worden beschouwd als een publiek figuur en om die reden meer van haar moet dulden dan een willekeurige burger, deelt het hof niet. De door AVROTROS aangehaalde rechtspraak ziet op personen die een openbare functie bekleden of op een andere wijze publieke bekendheid genieten, waaronder bijvoorbeeld televisie- of filmsterren en sporters, maar niet op een persoon die vanwege een conflict in de privésfeer, enige media-aandacht krijgt. Met haar stelling gaat AVROTROS verder eraan voorbij dat uit de onder 5.4 aangehaalde rechtspraak van het EHRM volgt dat iedere persoon, zelfs indien hij bij het algemene publiek bekend is, een redelijke verwachting van bescherming van en respect voor zijn privéleven mag hebben. Vaststaat dat het hier gaat om het privéleven van [geïntimeerde] .

Publiek debat?

5.12

De stelling van AVROTROS dat zij ten aanzien van de uitzending meer uitingsvrijheid heeft omdat deze een bijdrage levert aan een lopend publiek debat, volgt het hof slechts ten dele. De uitzending gaat over een volledig uit de hand gelopen burenruzie. Enerzijds staat vast dat deze ruzie reeds veel andere media-aandacht heeft gehad en - zoals partijen bij pleidooi hebben toegelicht - de aanleiding is geweest tot een bredere discussie over de aanpak van zogenoemde ‘burenterreur’. Anderzijds gaat de uitzending niet in op de vraag, die door [geïntimeerde] en zijn advocaat eerder in de media aan de orde is gesteld, of bestaande procedures een oplossing bieden voor eenzijdige terreur van een buurman.
Anders dan in de door AVROTROS overgelegde nieuwsberichten, wordt in de uitzending niet gerefereerd aan een algemeen debat over die vraag. Dit is ook niet de context waarin het programma is geplaatst. De uitzending kiest een veel smaller perspectief, namelijk het tonen van ‘de andere kant’ van dit concrete conflict tussen [geïntimeerde] en [B] , en staat dus slechts in een los verband tot het door AVROTROS bedoelde publieke debat.

Feitelijke onjuistheden

5.13

[geïntimeerde] stelt dat de verslaggeving van AVTROTROS op een viertal punten feitelijk onjuist is. Het hof zal nu deze punten tegen de achtergrond van de hiervoor meer algemene gemaakte opmerkingen behandelen.

5.14

Het eerste punt betreft de opmerkingen van de verslaggeefster in het begin van de uitzending (1:59) ten aanzien van het recht van overpad. De suggestie dat het conflict is begonnen met een geschil over het recht van overpad vindt voldoende steun in de onder 3.2.3 genoemde uitspraken. Uit het vonnis van 23 februari 2005 blijkt echter dat het recht van overpad waarover werd gestreden uitsluitend zag op de zuidelijke lus van het pad. De twee achtereenvolgende en inhoudelijk samenhangende opmerkingen van de verslaggeefster "(…) maar dat (recht) wordt betwist door [geïntimeerde] , gevolgd door: “Gek, want zonder dat overpad kan [B] helemaal niet in zijn huis komen" zijn dus onjuist. Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat AVROTROS met deze opmerking de kijker de onterechte boodschap meegeeft dat de ruzie is ontstaan omdat [geïntimeerde] het [B] onmogelijk wilde maken zijn huis te bereiken.

5.15

Het tweede punt betreft de opmerking van de verslaggeefster dat het gaat om "Pesterijen over en weer" (4:55). Die opmerking dient te worden beschouwd in het licht van de daaraan voorafgaande opmerkingen van [D] met betrekking tot de camera die [geïntimeerde] op de voordeur van [B] had gericht. De kwestie met de camera is onderwerp geweest van de hiervoor onder 3.2.7 genoemde procedure. De kwalificatie van de betreffende gedragingen van [geïntimeerde] als "pesterijen" valt binnen de journalistieke vrijheid van AVROTROS. Dat de pesterijen van [B] vele malen ernstiger zijn dan genoemde pesterijen van [geïntimeerde] doet daar niet aan af. Overigens is dit voor de kijker ook duidelijk uit de in de uitzending getoonde beelden van [B] , waarbij hij onder andere de auto van [geïntimeerde] beschadigt en bij [geïntimeerde] inbreekt.

5.16

Het derde punt betreft de hoedanigheid van [D] en [C] . [geïntimeerde] meent dat [D] en [C] in het programma ten onrechte als buurtbewoners of buren worden betiteld. Het hof deelt deze mening niet. Het hof is, anders dan de voorzieningenrechter, van oordeel dat in een landelijke omgeving als de onderhavige de onderlinge afstand tussen de huizen geen doorslaggevende maatstaf is voor de vraag in welk geval al dan niet sprake is van buren. Het hof is met AVROTROS van oordeel dat er ook van buurtbewoners of buren kan worden gesproken indien men in dezelfde buurt woont. Daarvoor is het niet nodig dat de percelen direct aan elkaar grenzen. Nu [D] en [C] tot 2015 aan het bewuste bospad hebben gewoond dat leidt naar de woningen van [geïntimeerde] en [B] , kan naar het oordeel van het hof worden gesproken over buurtbewoners of buren. Dat [D] en [C] sinds 2015 enkele kilometers verderop wonen, maakt nog niet dat zij geen mening kunnen hebben over hetgeen in hun oude buurt heeft afgespeeld.

5.17

Bovendien deelt het hof niet de mening van [geïntimeerde] dat in de uitzending door het gebruik van de woorden buurtbewoners en buren het beeld wordt opgeroepen dat het echtpaar [C + D] uit eigen waarneming zou kunnen verklaren over de relatie tussen [geïntimeerde] en [B] en hetgeen tussen hen heeft plaatsgevonden. Duidelijk is dat [D] en [C] slechts hun mening geven over de volledig uit de hand gelopen ruzie tussen [geïntimeerde] en [B] . Dat zij daarbij de kant van [B] kiezen omdat zij, zoals [geïntimeerde] betoogt, bevriend zijn met de zoon van [B] , is naar het oordeel van het hof geen omstandigheid die in het kader van de uitzending door AVROTROS had moeten worden vermeld, nu duidelijk is dat het slechts gaat om persoonlijke opvattingen van een in de buurt wonend stel. Anders dan [geïntimeerde] stelt, wordt in het programma niet de indruk gewekt dat alle buren er zo over denken. De verslaggeefster heeft het over andere "andere buren"(0:24) en niet alle buren.

5.18

Dat [D] en [C] naar aanleiding van de uitzending van 1 juli 2009 op de website van EenVandaag een of meer posts zouden hebben geplaatst, die erop neerkomen dat in hun ogen de werkelijkheid heel anders is, is ook geen omstandigheid die in de uitzending had moeten worden meegenomen. Zij hebben recht op hun eigen mening en mogen die ook, binnen de maatstaven van de maatschappelijke zorgvuldigheid, uiten. Dat AVROTROS hen daartoe in de bewuste uitzending van EenVandaag de mogelijkheid biedt, maakt nog niet dat zij voor de opvattingen van [D] en [C] verantwoordelijk kan worden gehouden.

5.19

Het vierde punt betreft de opmerking van de verslaggeefster over de hond van [B] (5:18). De verslaggeefster beschrijft slechts dat hond [E] aanslaat en naar buiten loopt. Ook het onder 3.2.13 genoemde vonnis gaat daarvan uit. De opmerking van de verslaggeefster is als zodanig dus ook niet onjuist. De daaropvolgende beschrijving van [B] wat er daarna is gebeurd, is zijn relaas, waarvoor AVROTROS geen verantwoording draagt. Dit geldt ook voor de in dit verband gemaakte opmerkingen van [D] en [C] .

Tussenconclusie

5.20

Alle voornoemde omstandigheden afwegend is het hof van oordeel dat door de onjuiste mededeling van de verslaggeefster ten aanzien van het recht van overpad en de bereikbaarheid van de woning van [B] een vertekend beeld wordt gegeven van het conflict tussen [B] en [geïntimeerde] , in het bijzonder van de rol van [geïntimeerde] daarin. Door deze mededeling direct aan het begin van de uitzending wordt het beeld opgeroepen dat

[geïntimeerde] het door [B] veroorzaakte onheil als het ware over zichzelf heeft afgeroepen. [geïntimeerde] wordt daarmee door AVROTROS ten onrechte weggezet als de partij die door zijn onredelijke gedrag de burenruzie heeft veroorzaakt. Dit beeld vindt geen steun in de feiten zoals die blijken uit de onder 3.2 genoemde uitspraken en vormt, gelet op de emotionele schade die [geïntimeerde] daardoor stelt te lijden, een ernstige aantasting van zijn recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, waaronder het door hem ingeroepen recht op bescherming van de goede naam en reputatie. Het hof is van oordeel dat het recht van [geïntimeerde] om van een dergelijke inbreuk gevrijwaard te blijven, in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden, in dit concrete geval zwaarder weegt dan het recht van AVROTROS op vrijheid van meningsuiting.

Verwijdering uitzending en rectificatie

5.21

Een en ander rechtvaardigt niet, zoals AVROTROS onder de grief 11 terecht aanvoert, dat de gehele uitzending moet worden verwijderd. De gehele verwijdering van de uitzending is naar het oordeel van het hof, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, niet noodzakelijk en niet proportioneel. Aan het gerechtvaardigde belang van [geïntimeerde] om gevrijwaard te blijven van de onder 5.20 vastgestelde inbreuk, kan ook worden voldaan door alleen de betreffende mededeling te verwijderen. Het vonnis zal op dit punt worden vernietigd. De oorspronkelijke vordering van [geïntimeerde] zal worden toegewezen als hierna bepaald.

5.22

De ernst van de onder 5.20 vastgestelde inbreuk vormt naar het oordeel van het hof geen rechtvaardiging voor de door de voorzieningenrechter toegewezen rectificatie. De daarop betrekking hebbende grief 12 is terecht voorgesteld. AVROTROS had kunnen volstaan met de mededeling dat de opmerkingen "(…) maar dat wordt betwist door [geïntimeerde] . Gek, want zonder overpad kan [B] helemaal niet in zijn huis komen" niet juist zijn. De rectificatie had in zoverre moeten worden toegewezen. Omdat AVROTROS ten gevolge van de betekening van het bestreden vonnis de door de voorzieningenrechter bevolen rectificatie al heeft geplaatst, heeft [geïntimeerde] geen belang bij een aangepaste (minder verstrekkende) rectificatie.

5.23

Grief 13 mist zelfstandig belang en behoeft niet verder te worden behandeld.

Slotsom

5.24

De grieven slagen gedeeltelijk. Overeind blijft dat AVROTROS met de uitzending inbreuk heeft gemaakt op het recht van [geïntimeerde] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Dat is de reden dat het hof de proceskostenveroordeling in eerste aanleg ongewijzigd laat. Die inbreuk rechtvaardigt echter niet de door de voorzieningenrechter toegewezen vorderingen. Het hof ziet daarin aanleiding om de proceskosten in hoger beroep te compenseren.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

- vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 9 oktober 2017, met uitzondering van de onder 5.6 en 5.7

uitgesproken kostenveroordelingen, en doet in zoverre opnieuw recht;

- beveelt AVROTROS te (doen) bewerkstelligen dat het onder 5.22 genoemde fragment van de uitzending wordt verwijderd indien zij besluit over te gaan tot het ongedaan maken van de verwijdering van de uitzending;

- veroordeelt AVROTROS om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 2.500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan het hiervoor genoemde bevel voldoet;

- bepaalt dat uit hoofde van dit arrest niet meer dwangsommen worden verbeurd dan een bedrag van € 50.000,-;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten in hoger beroep, in de zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. R.E Weening, mr. J. Smit en Mr. M. Schut en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag
19 december 2017.