Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11133

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
200.211.163
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2017:10458
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wwz

Transitievergoeding.

Vervolg op tussenbeschikking hof Arnhem-Leeuwarden 30 oktober 2017, ECLI:NL: GHARL:2017:10458

De in de Cao van ING opgenomen premievrije opbouw van het pensioen bij arbeidsongeschiktheid is niet een gelijkwaardige voorziening als bedoeld in artikel 7:673b lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0028
AR 2017/6754
PJ 2018/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel


zaaknummer gerechtshof 200.211.163

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen 5459824)

beschikking van 18 december 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] , gemeente Aa en Hunze,
verzoekster in hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoekster,

hierna: [verzoekster] ,

advocaat: mr. J.F.H. Terpstra,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ING Bank Personeel B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerster,
hierna: ING,

advocaat: mr. S. Wehl.

1
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van de tussenbeschikking van 30 oktober 2017 (hierna: de tussenbeschikking) hier over.

1.2

Het verloop van de procedure na de tussenbeschikking is als volgt:
- een uitlating op tussenbeschikking namens ING met bijlage 9B van de CAO ING 2012-2014, binnengekomen bij de griffie van het hof op 10 november 2017;

- een akte met productie 10 namens [verzoekster] , binnengekomen bij de griffie van het hof op 13 november 2017;
- een reactie op akte na tussenbeschikking d.d. 30 oktober 2017 namens ING, binnengekomen bij de griffie van het hof op 24 november 2017;
- een nadere uitlating namens [verzoekster] , binnengekomen bij de griffie van het hof op

27 november 2017.

1.3

Het hof heeft vervolgens beschikking nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1

Het hof heeft in rechtsoverweging 5.15 van de tussenbeschikking overwogen dat uit de onder 5.13 en 5.14 van die beschikking geciteerde bepalingen van de CAO 2012-2014 vooralsnog niet kan worden afgeleid dat er vóór 1 juli 2015 al een regeling in de cao was opgenomen die inhield dat de volledig en duurzaam arbeidsongeschikte werknemer/de IVA gerechtigde bij beëindiging van het dienstverband recht had op een premievrije voortzetting van de pensioenopbouw. Het hof heeft beide partijen in de gelegenheid gesteld zich op dit punt uit te laten en tevens op elkaars uitlating te reageren. Dit hebben partijen gedaan met de onder 1.2 vermelde stukken.

2.2

ING heeft onder 3 van haar uitlating op tussenbeschikking d.d. 30 oktober 2017 aangevoerd dat de CAO 2015-2017 na de inwerkingtreding van de WWZ op 10 oktober 2015 tussen haar en de betrokken organisaties van werknemers is overeengekomen en dat deze cao een looptijd had van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017. Zij heeft onder dit punt van haar uitlating voorts gesteld dat in de CAO 2012-2014, evenals in de CAO 2015-2017, is opgenomen dat, indien de arbeidsovereenkomst eindigde vanwege volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, de medewerker in dat geval recht had op een premievrije opbouw van zijn ouderdomspensioen en een arbeidsongeschiktheidspensioen in aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering. [verzoekster] heeft in haar akte van 13 november 2017 aangevoerd dat de hiervoor vermelde aanspraak op een premievrij opbouw van het ouderdomspensioen ingeval van arbeidsongeschiktheid reeds ver vóór 2012 gold. ING heeft deze stelling niet betwist.

2.3

ING heeft onder 4 van haar uitlating op tussenbeschikking d.d. 30 oktober 2017 aangevoerd dat noch uit de tekst van de wet noch uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat de gelijkwaardige voorziening zoals die door cao-partijen op grond van artikel 7:673b BW wordt overeengekomen, ten opzichte van de daaraan voorafgaande dan wel eerdere cao of cao’s, een andere nieuwe originele voorziening dient te zijn. Zij heeft daar onder 5 van deze uitlating aan toegevoegd dat cao-partijen juist door de toevoeging van de zin in de CAO 2015-2017 “deze aanspraken, ook als het arbeidsongeschiktheidspensioen niet tot uitkering komt, worden aangemerkt als een gelijkwaardige voorziening als bedoeld in artikel 673b Burgerlijk Wetboek”, bewust een gelijkwaardige voorziening hebben bedacht.

2.4

Uit de in de tussenbeschikking vermelde wetsgeschiedenis blijkt dat de transitievergoeding enkel niet van toepassing is als sprake is van een gelijkwaardige voorziening die het equivalent vormt van hetgeen waarop een werknemer aanspraak kan maken op grond van de wettelijke regeling inzake de transitievergoeding. Uit de eigen stellingen van ING, zoals hiervoor onder 2.2. en 2.3 weergegeven, blijkt dat er ruim vóór

1 juli 2015 een in de cao vastgelegde voorziening bestond, te weten de premievrije voortzetting van de pensioenopbouw ingeval van arbeidsongeschiktheid. Met deze voorziening kan vóór 1 juli 2015 niet zijn beoogd de wettelijke transitievergoeding te vervangen, aangezien de transitievergoeding toen nog niet bestond. Daarmee kan deze voorziening na 1 juli 2015 niet het equivalent vormen van hetgeen waarop een werknemer aanspraak kan maken op grond van de wettelijke regeling inzake de transitievergoeding en kan deze voorziening niet als gelijkwaardig aan de wettelijke transitievergoeding worden aangemerkt. Zoals hiervoor is overwogen, heeft ING aangevoerd dat cao-partijen in de CAO 2015-2017 “bewust” een gelijkwaardige voorziening hebben bedacht, maar gesteld noch gebleken is dat in die cao een op geld waardeerbare voorziening is vastgelegd waarmee invulling is gegeven aan de sinds 1 juli 2015 geldende verplichting van ING om aan de arbeidsongeschikte werknemer de transitievergoeding te voldoen, mits aan de voorwaarden van artikel 7:673 BW is voldaan. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] voldoet aan de voorwaarden van artikel 7:673 BW. Grief II slaagt. De grieven III en IV behoeven niet meer te worden behandeld.

2.5

De bestreden beschikking dient te worden vernietigd. Het hof zal ING veroordelen aan [verzoekster] de transitievergoeding van € 24.673,- bruto, te vermeerderen met rente vanaf
1 september 2016, te betalen. De door [verzoekster] primair verzochte verklaring voor recht zal, wegens gebrek aan belang, worden afgewezen.

2.6

ING dient, als de in het ongelijk te stellen partij, in de proceskosten van beide instanties te worden veroordeeld. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [verzoekster] zullen tot aan de bestreden beschikking worden vastgesteld op € 471,- voor verschotten (griffierecht) en op € 400,- voor salaris gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief (twee punten, € 200,- per punt). De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [verzoekster] zullen tot aan deze beschikking worden vastgesteld op € 313,- voor verschotten (griffierecht) en op € 3.474,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (drie punten, tarief III in hoger beroep).

3
3. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen) van 4 januari 2017 en beschikt opnieuw:

veroordeelt ING om aan [verzoekster] ter zake van de transitievergoeding een bedrag van

€ 24.673,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen;

veroordeelt ING in de proceskosten in eerste aanleg, tot aan de bestreden beschikking aan de zijde van [verzoekster] vastgesteld op € 471,- voor verschotten en op € 400,- voor salaris gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief;


veroordeelt ING in de proceskosten in hoger beroep tot aan deze beschikking aan de zijde van [verzoekster] vastgesteld op € 313,- voor verschotten en op € 3.474,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze beschikking, voor zover het de hierin vermelde veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B. Knottnerus, P.L.R. Wefers Bettink en

O.E. Mulder en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
18 december 2017.