Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:11031

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-12-2017
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
200.224.766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek meerdere schuldeisers tot tussentijdse beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling. Schulden aan verweerders en overige feiten waren bekend bij toelatingsrechter of hadden niet aan toelating in de weg gestaan. Deel feiten genoemd in aan toelatingsrechter voorgelegde stukken.

Daarnaast niet aannemelijk dat appellant inlichtingenplicht heeft geschonden. Eerst nader onderzoek bewindvoerder nodig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer: 200.224.766

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/16/530 R)

arrest van 14 december 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. R.G. van der Laan,


tegen

[verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
[verweerders 2],
wonende te [woonplaats] ,
[verweerder 3],
wonende te [woonplaats] ,

verweerders,
hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. A.C. Mens,
en

[verweerder 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.B.C.R. Heemskerk,
verweerder,
hierna te noemen: [verweerder 4] .

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 12 juli 2016 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Daarbij is mr. M.C.C. Ording benoemd tot bewindvoerder.

1.2

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 26 september 2017 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] , op verzoek van [geïntimeerden] en [verweerder 4] , tussentijds beëindigd. Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 4 oktober 2017 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van laatstgenoemd vonnis van 26 september 2017 en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en alsnog te bepalen dat het verzoek tot tussentijdse beëindiging van zijn schuldsaneringsregeling wordt afgewezen, eventueel met een verlenging van de looptijd van die regeling.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage, de met de op
25 oktober 2017, 30 oktober 2017 en 1 november 2017 door mr. Van der Laan ingediende
V6-formulieren meegezonden producties, de brief van 30 oktober 2017 van mr. Van der Laan (onderwerp: ‘laatste stand van zaken’) met vier producties, de brief met bijlagen van

6 november 2017 van de bewindvoerder en de brief met bijlagen van 13 november 2017 van mr. Mens.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 november 2017, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn advocaat. De bewindvoerder is eveneens verschenen. Voorts waren ter zitting aanwezig [verweerder 1] en [verweerder 3] , bijgestaan door hun advocaat en [verweerder 4] , bijgestaan door zijn advocaat.
2.4 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat [geïntimeerden] en [verweerder 4] niet de beschikking hadden over de met het op 30 oktober 2017 door

mr. Van der Laan ingediende V6-formulier meegezonden producties. Het hof heeft hen daarom in de gelegenheid gesteld hierop schriftelijk te reageren. Bij brief van

27 november 2017 heeft mr. Mens gereageerd op deze producties. Tevens heeft

mr. Heemskerk bij brief van 29 november 2017 op de betreffende stukken gereageerd.

Aansluitend heeft mr. Van der Laan bij faxbericht van 6 december 2017 een reactie gegeven op de brieven van mr. Mens en mr. Heemskerk.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] op verzoek van [geïntimeerden] en [verweerder 4] tussentijds beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, aanhef en onder c en f, Faillissementswet (hierna: Fw). Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen. Er zijn feiten en omstandigheden bekend geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen. [appellant] is op 11 juli 2016 door de rechtbank gehoord omtrent zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De mededeling van [appellant] tijdens deze mondelinge behandeling dat hij de afgelopen jaren geen schulden meer is aangegaan, wordt door de feiten weersproken. Hij heeft in de vijf jaar voorafgaand aan zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling meerdere leningen afgesloten, terwijl hij op dat moment al een fors bedrag aan leningen had uitstaan waarop hij niet of nauwelijks afbetaalde. Voorts is gebleken dat de positieve restwaarde van de verkoop van een woning in [plaats] , waarvan [appellant] mede-eigenaar was, op de privérekening van [appellant] is gestort. Nu [appellant] heeft nagelaten met dit bedrag de bij ING afgesloten hypothecaire lening voor deze woning af te lossen, is hij niet te goeder trouw geweest ten aanzien van het onbetaald laten van deze schuld aan ING. Ten slotte heeft [appellant] bij zijn toelating ten onrechte geen melding gemaakt van de omstandigheid dat [verweerder 4] een vordering van € 150.000,- op hem heeft.

Voorts komt [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren na (artikel 350, derde lid, aanhef en onder c, Fw). Hij heeft onder meer zijn inlichtingenplicht geschonden, omdat hij zijn bewindvoerder niet heeft geïnformeerd over de omstandigheid dat de kapperszaak, waar [appellant] in loondienst was, al enige tijd te koop stond.

3.2

[appellant] komt met zijn eerste grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van feiten en omstandigheden die ten tijde van de toelating tot de schuldsaneringsregeling niet bekend waren en, indien dat wel het geval was, tot afwijzing van zijn schuldsaneringsverzoek hadden geleid. Met zijn tweede en laatste grief stelt [appellant] dat, als er toch sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 350 lid 3, aanhef en onder f Fw dat de rechtbank dan ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 288, derde lid Fw. [appellant] verzoekt het hof om het vonnis van 26 september 2017 te vernietigen en alsnog te bepalen dat het verzoek tot tussentijdse beëindiging wordt afgewezen, althans om de schuldsaneringsregeling te verlengen voor zover nodig om de tekortkomingen te compenseren.

[geïntimeerden] en [verweerder 4] voeren gemotiveerd verweer.

3.3

Het hof stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 350, derde lid, aanhef en onder f, Fw alleen feiten en omstandigheden aan de beoordeling van het hof kunnen worden onderworpen, die op het moment van toelating (HR 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0709) tot de schuldsaneringsregeling al bestonden en die, indien zij op dat tijdstip bekend waren geweest, reden zouden zijn geweest om het verzoek af te wijzen overeenkomstig het bepaalde in artikel 288, eerste en tweede lid, Fw. Het wettelijk stelsel brengt verder met zich dat een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van feiten en omstandigheden die bij de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling aan de rechter bekend waren, niet mogelijk is (HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3425). Uit HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:111 blijkt voorts dat, als relevante feiten en omstandigheden zijn vermeld in de stukken die aan de rechtbank zijn voorgelegd, ervan uitgegaan moet worden dat die in de toelatingsbeslissing zijn verdisconteerd.

3.4

[geïntimeerden] en [verweerder 4] voeren onder meer aan dat [appellant] in de vijf jaar voorafgaand aan zijn toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke schulden niet te goeder trouw heeft laten ontstaan en onbetaald gelaten. Als de toelatingsrechter daarmee bekend was geweest, zou dit reden zijn geweest het toelatingsverzoek af te wijzen. [appellant] heeft voorafgaand aan zijn toelating aanzienlijke geldsommen geleend van [verweerder 1] (de ex-echtgenote van [appellant] ), [verweerders 2] (de voormalige schoonouders van [appellant] ) en [verweerder 3] (de voormalige zwager van [appellant] ). Voorts heeft [appellant] schulden laten ontstaan en onbetaald gelaten bij [verweerder 4] , ING, Interbank, Rabobank, [schuldeiser] en Directautoleasen B.V. [appellant] heeft schulden laten ontstaan, terwijl hij wist dat hij de bedragen niet zou kunnen terugbetalen. [appellant] stelde, aldus [geïntimeerden] en [verweerder 4] , dat hij het geld nodig had om onder andere zijn (eerdere) ex-echtgenote uit te kopen, voor de verbouwing van een woning en voor investeringen in zijn kapperszaak. [appellant] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij de grote geleende bedragen heeft aangewend ter financiering van het vorenstaande. Hij zal het geld waarschijnlijk hebben weggesluisd en hebben aangewend ter financiering van zijn handel in onroerende zaken en zijn luxe leven.
3.5 Het hof heeft de beschikking gekregen over de door [appellant] aan de rechtbank bij zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling overgelegde stukken. Daartoe behoort onder meer een door [appellant] opgestelde crediteurenlijst met een toelichting. In die toelichting is verwezen naar een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 26 april 2016 waarbij de echtscheiding tussen [appellant] en [verweerder 1] is uitgesproken. Een kopie van deze echtscheidingsbeschikking (tevens verdeling van het huwelijkse vermogen en de schulden) is destijds (als bijlage 8) bij het verzoekschrift/de schuldenlijst gevoegd.

Schuld aan Interbank

3.6

Wat betreft de schuld aan Interbank van € 50.000,- stelt het hof vast dat deze schuld staat vermeld op de door [appellant] bij zijn toelating overgelegde crediteurenlijst. In de toelichting op de schuldenlijst heeft [appellant] vermeld dat hij de betreffende schuld op

29 januari 2010 is aangegaan tezamen met zijn ex-echtgenote voor de renovatie van hun woning in [plaats] . Verwezen wordt echter naar een als bijlage 2 overgelegde kredietovereenkomst met Santander Consumer Finance Benelux B.V. (Comfort Card). Wat daar ook van zij, op de schuldenlijst staat ook een schuld aan [verweerders 2] ad € 201.578,75 en in de toelichting op die schuld staat de lening aan Interbank vermeld voor een bedrag van € 20.000,- onder verwijzing naar de echtscheidingsbeschikking van 26 april 2016. In die echtscheidingsbeschikking (zie rov. 3.27 tot en met 3.30) staat vermeld dat [appellant] en zijn ex-echtgenote op 17 maart 2011 een geldlening hebben afgesloten bij Interbank. Gelet op het vorenstaande was de toelatingsrechter op de hoogte van het bestaan en de achtergrond van de schuld aan Interbank. Nu de rechtbank de beschikking had over zowel de door [appellant] opgestelde toelichting bij de crediteurenlijst als de echtscheidingsbeschikking, was zij tevens op de hoogte van de in de echtscheidingsbeschikking genoemde ontstaansdata van de schuld. Dat [appellant] dit bedrag, aldus [verweerder 1] , van de rekening heeft gehaald staat ook duidelijk in de echtscheidingsbeschikking, waarvan de rechtbank dus kennis heeft kunnen nemen.


Schuld aan Rabobank

3.7

Ten aanzien van de schuld aan Rabobank van € 84.000,- geldt eveneens dat deze staat vermeld op de door [appellant] bij zijn toelating overgelegde crediteurenlijst. [appellant] heeft in de toelichting op zijn schuldenlijst vermeld dat dit een lening betreft die hij op
25 november 2011 heeft afgesloten in verband met de verbouwing van zijn kapsalon. De toelatingsrechter was aldus op de hoogte van het bestaan en de achtergrond van deze schuld.

[geïntimeerden] en [verweerder 4] worden niet gevolgd in hun stelling dat [appellant] de rechtbank destijds had moeten informeren over de omstandigheid dat er ter zake van de betreffende geldlening een onderzoek liep bij de afdeling Financial Economic Crime van de Rabobank. Zij hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek ten tijde van de toelatingprocedure van [appellant] reeds aan de orde was. De bevestiging van de Rabobank aan [geïntimeerden] dat er een onderzoek loopt bij de afdeling Financial Economic Crime van de Rabobank dateert immers van 22 december 2016, terwijl [appellant] al op 12 juli 2016 was toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Schuld aan [schuldeiser]
3.8 [appellant] en [verweerder 1] zijn op 18 oktober 2011 een geldlenings-overeenkomst voor een bedrag van € 40.000,- aangegaan met [schuldeiser] . Uit het
e-mailbericht van [schuldeiser] aan [verweerder 1] van 11 januari 2016 is af te leiden dat [verweerder 1] met een betaling van een (schikkings)bedrag van € 20.000,- de gehele schuld aan [schuldeiser] heeft afgelost. De toelatingsrechter was bekend met de schuld aan [schuldeiser] . In de toelichting op de schuld aan [verweerder 1] staat deze als ‘post’ vermeld met verwijzing naar de echtscheidingsbeschikking en in die beschikking staat dat [appellant] en [verweerder 1] samen een geldleningsovereenkomst hebben afgesloten bij [schuldeiser] (zie rov. 3.40 en 3.41). Uit de echtscheidings-beschikking blijkt voorts dat [appellant] door de rechtbank is veroordeeld een bedrag van

€ 20.000,- aan zijn ex-echtgenote ( [verweerder 1] ) te vergoeden, aangezien zij niet heeft geprofiteerd van de lening, maar met dit bedrag wel de schuld heeft afgelost. Dat [appellant] zou hebben beloofd dit bedrag aan [verweerder 1] terug te betalen en dat hij die belofte heeft gebroken, is geen omstandigheid die in de weg had gestaan aan de toewijzing van zijn schuldsaneringsverzoek.
Schuld aan Directautoleasen B.V.
3.9 Wat betreft de schuld aan Directautoleasen B.V. overweegt het hof dat voldoende aannemelijk is geworden dat ten tijde van de toelatingsprocedure van [appellant] geen schuld meer bestond aan Directautoleasen B.V. [appellant] is op 15 december 2015 met Directautoleasen B.V. overeengekomen dat hij de schuld van € 2.000,- afkoopt voor een bedrag van € 400,-. Blijkens de overgelegde kwitantie (bij de brief mr. Van der Laan van

30 oktober 2017) heeft [appellant] het betreffende bedrag op dezelfde dag voldaan.

Schulden aan [verweerders 2]
3.10 Met betrekking tot de door [verweerders 2] aan [appellant] en hun dochter op 19 mei 2008, 20 mei 2009 en 28 februari 2012 geleende bedragen van respectievelijk € 125.000,-, € 25.000,- en € 25.000,-, overweegt het hof dat deze geleende bedragen en de achtergrond daarvan, alle staan vermeld in de echtscheidings-beschikking (zie rov. 3.36 en 3.37). Voorts heeft [appellant] op de crediteurenlijst aangegeven dat hij een schuld heeft aan zijn voormalige schoonouders van € 103.045,13. Hiervan was de toelatingsrechter derhalve op de hoogte.

Ten aanzien van de door [verweerders 2] op 20 april 2010 en 31 mei 2012 aan [appellant] geleende bedragen van respectievelijk € 15.000,- en € 20.000,- stelt het hof vast dat deze niet vermeld staan op de door [appellant] opgestelde crediteurenlijst en de echtscheidingsbeschikking. Het hof acht echter niet aannemelijk dat als deze schulden bij de toelatingsrechter bekend waren geweest, deze op zichzelf beschouwd reden zouden zijn geweest het toelatingsverzoek af te wijzen. Daarbij betrekt het hof dat de op 20 april 2010 ontstane schuld van € 15.000,-, gerekend vanaf de datum van het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, buiten de in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw genoemde vijfjaarstermijn (hierna: de vijfjaarstermijn) valt. Over de op 31 mei 2012 ontstane schuld van € 20.000,- heeft [appellant] ter zitting verklaard dat zijn B.V. dat bedrag van zijn schoonouders heeft geleend maar uit een verstekvonnis van 13 mei 2015 van de rechtbank Midden-Nederland (dit bevindt zich bij de stukken bij het toelatingsverzoek) blijkt dat [appellant] is veroordeeld tot terugbetaling van ook dit bedrag. Het hof gaat er daarom van uit dat [appellant] dit bedrag in privé heeft geleend. Nu de toelatingsrechter op de hoogte was van het bestaan van een aanzienlijke schuld aan de voormalige schoonouders van [appellant] , is het niet aannemelijk dat als de toelatingsrechter op de hoogte was geweest van de schuld van € 20.000,-, deze schuld een beletsel zou zijn geweest om [appellant] toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

[verweerder 3]

3.11

Voorts heeft [appellant] op 23 mei 2013 een bedrag van € 15.000,- van [verweerder 3] geleend. Het hof stelt vast op de door [appellant] opgestelde crediteurenlijst een (restant)schuld aan [verweerder 3] staat vermeld van € 13.135,22 en dat in de toelating is vermeld dat deze lening in 2013 is aangegaan. De rechtbank die op het toelatingsverzoek van [appellant] heeft beslist, was gelet hierop bekend met de betreffende schuld en ook dat deze binnen de vijfjaarstermijn viel.

[verweerder 1]
3.12 De schulden van [appellant] aan zijn voormalige echtgenote [verweerder 1] waren tevens bekend bij de toelatingsrechter. Op de bij het door [appellant] ingediende toelatingsverzoek overgelegde crediteurenlijst staat, zoals hiervoor al overwogen, vermeld dat [appellant] schulden ten bedrage van € 201.578,75 heeft aan [verweerder 1] , waarbij wordt verwezen naar de (desbetreffende onderdelen van de) echtscheidingsbeschikking. In de echtscheidingsbeschikking worden de betreffende schulden gespecificeerd.


Schuld aan ING

3.13

[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat [verweerder 1] en [appellant] in 2008

op hun voormalige echtelijke woning te [plaats] een (tweede) hypothecaire lening van

€ 125.000,-, waarvan een bouwdepot onderdeel was, hebben afgesloten bij ING. Deze woning is in 2011 verkocht. De positieve restwaarde van de verkoop van de woning ten bedrage van € 134.415,51 is in januari 2011 (partijen zijn het hier over eens) in zijn geheel uitgekeerd aan [appellant] . Hij heeft met dit bedrag ten onrechte niet de hypothecaire schuld aan ING afgelost. Daarnaast stellen [geïntimeerden] dat [appellant] op oneigenlijke wijze geld heeft onttrokken aan het bouwdepot. [verweerder 1] is daar in 2016 bij het leeghalen van de voormalige echtelijke woning in Woerden achter gekomen. Zij heeft tegen [appellant] aangifte gedaan van fraude.

3.14

Het hof stelt vast dat op de door [appellant] bij de crediteurenlijst gevoegde toelichting wordt genoemd dat [appellant] en [verweerder 1] in 2008 een hypothecaire lening bij ING hebben afgesloten ten bedrage van € 125.000,-. Op de crediteurenlijst staat een (restant)schuld aan ING vermeld van € 98.207,64. Voorts volgt uit de echtscheidings-beschikking dat [appellant] de positieve restwaarde van de verkoop van de woning in [plaats] op zijn privérekening gestort heeft gekregen en dat hij daarmee niet de hypotheekschuld aan ING heeft afgelost (zie rov. 3.31 tot en met 3.35). Met de voorgaande feiten was de toelatingsrechter derhalve bekend, nog daargelaten dat de betaling van € 134.415,51 buiten de vijfjaarstermijn valt. De door [verweerder 1] gestelde fraude met betrekking tot het bouwdepot, was niet bekend bij de toelatingsrechter. Het hof acht echter niet aannemelijk dat als de toelatingsrechter hiervan op de hoogte was geweest dit op zichzelf beschouwd reden zou zijn geweest het toelatingsverzoek af te wijzen. Volgens de bij het proces-verbaal van de aangifte van fraude gevoegde bouwnota’s en bankafschriften hebben de onttrekkingen aan het bouwdepot immers in 2008 plaatsgevonden en dat valt buiten de vijfjaarstermijn.


Schuld aan [verweerder 4]

3.15

[verweerder 4] voert aan dat hij samen met [appellant] heeft geïnvesteerd in een pand (onroerende zaak). Aangezien [appellant] geen eigen geld had, heeft hij hiervoor een hypothecaire geldlening afgesloten bij de Rabobank. [verweerder 4] heeft borg gestaan voor deze hypotheekschuld. Ook is een bouwdepot afgesloten. Op een gegeven moment kon [appellant] niet langer aan zijn betalingsverplichtingen jegens de Rabobank voldoen en is [verweerder 4] als borg aangesproken. Uit dien hoofde heeft hij een regresvordering van € 150.000,- op [appellant] . Voorts stelt [verweerder 4] dat [appellant] op oneigenlijke wijze geld heeft onttrokken aan het bouwdepot. [verweerder 4] heeft aangifte van fraude gedaan tegen [appellant] . [appellant] heeft deze vorderingen ten onrechte niet gemeld bij zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

3.16

Het hof stelt vast dat uit de door [appellant] bij zijn toelatingsverzoek overgelegde crediteurenlijst en bijbehorende toelichting niet blijkt dat [verweerder 4] een vordering stelt te hebben op [appellant] . Ter zitting is gebleken dat [verweerder 4] destijds geen vordering(en) bij [appellant] had ingediend. Het hof acht - afgezien daarvan - niet aannemelijk dat in het geval de toelatingsrechter op de hoogte zou zijn geweest van de regresvordering van [verweerder 4] , dit aan toelating van [appellant] tot de schuldsaneringsregeling in de weg zou hebben gestaan. Voor zover de regresvordering van [appellant] wel reeds bestond (in de zin dat deze te vermelden was bij het schuldsaneringsverzoek) ten tijde van de toelating van [appellant] tot de schuldsaneringsregeling, overweegt het hof dat voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] te goeder trouw is geweest ten aanzien van deze vordering. De regresvordering is immers het gevolg geweest van een belegging van [appellant] en [verweerder 4] samen in het kader van een zakelijke relatie en die niet tot positieve resultaten heeft geleid.

Voor zover [verweerder 4] stelt dat een vordering van € 10.000,- op [appellant] is ontstaan als gevolg van oneigenlijke onttrekkingen uit het bouwdepot, overweegt het hof dat dit - bij gebrek aan nadere onderbouwing - niet aannemelijk is geworden. Voorts hebben de onttrekkingen volgens het proces-verbaal van de aangifte van fraude van [verweerder 4] in 2007 plaatsgevonden. De gestelde fraude zou gelet daarop buiten de vijfjaarstermijn hebben plaatsgevonden.


Onttrekking vermogen
3.17 Aan de door [geïntimeerden] geponeerde stelling dat [appellant] vlak voor zijn toelatingsverzoek tot de schuldsaneringsregeling vermogen heeft onttrokken aan zijn schuldeisers door zijn aandelen in [appellant] Vastgoed B.V. aan zijn zus [zus van appellant] over te dragen, gaat het hof - bij gebrek aan nadere onderbouwing - voorbij. Daarbij is betrokken dat [appellant] ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard geen aandelen in [appellant] Vastgoed B.V. te hebben overgedragen, zodat de blote stelling van [geïntimeerden] daarmee afdoende is bestreden.

Toestemming echtgenote

3.18

Wat betreft de stelling van [geïntimeerden] dat de schuldsaneringsregeling van [appellant] dient te worden beëindigd, aangezien [appellant] , alvorens een beroep te doen op die regeling, daarvoor toestemming had dienen te verkrijgen van [verweerder 1] , met wie hij in beperkte gemeenschap van goederen gehuwd was, overweegt het hof dat zij hierin niet worden gevolgd. Ten tijde van de toelating van [appellant] tot de schuldsaneringsregeling op 12 juli 2016 was zijn huwelijk met [verweerder 1] nog niet ontbonden. De echtscheidingsbeschikking is immers pas op 3 augustus 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waarmee de ontbinding van het huwelijk rechtens een feit wordt. Daarom had op basis van artikel 284, derde lid, Fw toestemming dienen te worden gevraagd aan [verweerder 1] . De toelatingsrechter was echter van het ontbreken van de vereiste toestemming op de hoogte - bij het toelatingsverzoek bevindt zich immers geen toestemmingsverklaring van [verweerder 1] - en heeft hierin kennelijk geen beletsel gezien [appellant] toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De echtscheidingsbeschikking was immers wel overgelegd.

Minnelijke regeling

3.19

[geïntimeerden] worden eveneens niet gevolgd in hun betoog dat de schuldsaneringsregeling van [appellant] dient te worden beëindigd vanwege de omstandigheid dat [appellant] voorafgaand aan zijn toelatingsverzoek geen buitengerechtelijke schuldregeling heeft aangeboden aan zijn schuldeisers. Uit de aan de toelatingsrechter overgelegde brief van 5 februari 2016 van mr. D. Steffens (verklaring ex artikel 285 Fw) volgt immers dat [appellant] (en [verweerder 1] ) in 2014, nadat het faillissement van de voormalige onderneming van [appellant] was uitgesproken, hebben getracht een buitengerechtelijk akkoord te realiseren. Ook wordt in deze brief genoemd dat [appellant] thans geen middelen heeft om zijn schuldeisers opnieuw een akkoord aan te bieden. De toelatingsrechter was hier mee bekend en heeft daarin kennelijk geen aanleiding gezien het schuldsaneringsverzoek van [appellant] af te wijzen.

3.20

De tussenconclusie is dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellant] niet op grond van artikel 350, derde lid, aanhef en onder f, Fw tussentijds dient te worden beëindigd.


Nakoming verplichtingen

3.21

De rechtbank heeft de beëindiging van de schuldsaneringsregeling mede gebaseerd op artikel 350, derde lid, aanhef en onder c, Fw (r.ov. 3.16); het niet nakomen van schuldsaneringsverplichtingen. Hiertegen is geen grief gericht. Uit de motivering valt af te leiden dat dit (enkel) betreft het niet-informeren van de bewindvoerder over het te koop staan van de kapperszaak, waar [appellant] in loondienst is. Daarom moet worden aangenomen dat dit geen zelfstandige beëindigingsgrond is. Het hof dient wel de door [geïntimeerden] en [verweerder 4] overige genoemde beëindigingsgronden te beoordelen en daarbij ook anderszins bekend geworden feiten en omstandigheden te betrekken.

3.22

[geïntimeerden] en [verweerder 4] voeren aan dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt. Hij komt allereerst zijn inlichtingenplicht niet na:

  1. [appellant] heeft zijn bewindvoerder niet geïnformeerd over de omstandigheid dat de kapperszaak waar hij werkte te koop stond;

  2. [appellant] heeft zich zonder toestemming van zijn bewindvoerder als bestuurder laten inschrijven bij de kapperszaak waar hij werkte;

  3. [appellant] heeft zonder toestemming van de bewindvoerder zijn arbeidsovereenkomst beëindigd zonder transitievergoeding;

  4. [appellant] gaat veel meer op vakantie dan hij aan de bewindvoerder opgeeft.

Volgens [geïntimeerden] heeft [appellant] nog steeds geen procedure gestart tegen zijn tweede ex-echtgenote ( [verweerder 1] ) om de kinderalimentatieverplichting jegens zijn twee kinderen uit die relatie op nihil te stellen waardoor een nieuwe bovenmatige schuld ontstaat. Er is geen sprake van een stabiele situatie waardoor er ook weer nieuwe schulden zullen ontstaan. Aldus kan [appellant] niet aan zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling voldoen.

Voorts heeft de bewindvoerder bij de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zij niet wist dat [appellant] sinds 1 november 2017 een uitkering op basis van de Ziektewet ontvangt. Ter zitting is ten slotte ook besproken dat [appellant] kort voor de toelating tot de schuldsaneringsregeling een op zijn naam staande auto (Renault) heeft overgeschreven die volgens [appellant] eigendom van zijn vriendin was en door een fout van de garage op naam van [appellant] is komen te staan. Daarnaar is door alle verwikkelingen nog geen onderzoek gedaan door de bewindvoerder.

3.23

[appellant] was niet gehouden de bewindvoerder te informeren over de voorgenomen verkoop van de kapperszaak waaraan hij als werknemer was verbonden (a) omdat dat (enkele) feit niet van belang is voor de uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Wel had [appellant] haar moeten informeren over de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst waarover hierna meer. Van de gestelde inschrijving als bestuurder (b) en vakanties (d) is niet gebleken met dien verstande dat [appellant] mogelijk, zo heeft de bewindvoerder ter zitting verklaard, regelmatig naar het vakantiehuis van zijn huidige vriendin gaat. Dit laatste is geen tekortkoming in de door verzoekers bedoelde zin. Het hof gaat er voorts vanuit dat de nihilstelling van de alimentatieverplichting wegens geldgebrek nog niet is verzocht maar dat [appellant] dat verzoek nog zal gaan doen.

Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de bewindvoerder desgevraagd onder meer verklaard dat zij thans niet kan zeggen of de schending van de inlichtingenplicht door [appellant] ten aanzien van de beëindigingsovereenkomst (c) tot een beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling dient te leiden. Wellicht had [appellant] geen recht op een ontslagvergoeding en heeft er geen benadeling van de schuldeisers plaatsgevonden, aldus de bewindvoerder. Dat [appellant] een uitkering ontvangt is de bewindvoerder voorts pas op die zitting ter ore gekomen. Ook de tenaamstelling van de Renault moet nog onderzocht worden. Daarnaast heeft de bewindvoerder in haar brief van 6 november 2017 nog erop gewezen dat (mogelijk) geen sprake is van een financieel stabiele situatie en dat bewindvoerder er over twijfelt of [appellant] aan zijn inspanningsplicht voldoet. Naar het oordeel van het hof ligt het op de weg van de bewindvoerder om deze geconstateerde feiten eerst, eventueel in overleg met de rechter-commissaris, nader te onderzoeken. Al met al leiden deze feiten en omstandigheden (nog) niet tot de conclusie dat [appellant] zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.

3.24

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat grief 1 slaagt. Grief 2 behoeft daarom geen bespreking. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en er zal als volgt worden beslist.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 26 september 2017 en, opnieuw recht doende:

wijst af de verzoeken van [geïntimeerden] en van [verweerder 4] tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [appellant] ;

bepaalt dat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] wordt voortgezet.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Engberts, R.A. Dozy en A.S. Gratama en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 december 2017.