Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10986

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
18-01-2018
Zaaknummer
200.194.764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering nakoming mondeling gemaakte afspraken

De stelling van appellant dat de factuur berust op mondelinge afspraken tussen partijen is onvoldoende (met stukken) onderbouwd. Niet is komen vast te staan dat appellant voor de ter beschikking gestelde zaken en etenswaren bedragen in rekening mocht brengen, laat staan commerciële tarieven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.194.764

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 4711239)

arrest van 12 december 2017

in de zaak van

[appellant X] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: opposant in conventie, eiser in reconventie,

hierna te noemen: [appellant X] ,

advocaat: mr. R.W.A. Kroon,

tegen:

de Stichting

[geïntimeerde Y] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

geïntimeerde,
in eerste aanleg: geopposeerde in conventie, verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde Y] ,

advocaat: mr. F. Hoff.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het hof naar het tussenarrest in deze zaak van 25 juli 2017. In dit arrest is een meervoudige comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2017 en waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Elk jaar wordt in de maand mei op initiatief van [geïntimeerde Y] van [vestigingsplaats 1] een feestweek gehouden in het dorp. De festiviteiten bestaan uit een kermis en overige festiviteiten, waaronder diverse spelen en een muziekavond.

2.2

De organisatie van de kermis is in handen van [geïntimeerde Y] . Voor de organisatie van de overige festiviteiten doet [geïntimeerde Y] ieder jaar een beroep op een ondernemer uit (de omgeving van) [vestigingsplaats 1] .

2.3

[appellant X] drijft de eenmanszaak [eenmanszaak] te [vestigingsplaats 2] . [eenmanszaak] houdt zich onder meer bezig met eventcatering, catering, verhuur van (party)tenten, barbecues, statafels en andere horecabenodigdheden en eventservice. [Eetcafé X] te [vestigingsplaats 1] is een vestiging van [eenmanszaak] .

2.4

In januari 2014 hebben [appellant X] en [geïntimeerde Y] besproken dat [appellant X] de organisatie van de overige festiviteiten op zich zou nemen.

2.5

Het bestuur van [geïntimeerde Y] heeft in februari 2014 aan [appellant X] een overzicht verstrekt met daarop een schatting van de kosten en de opbrengsten van de komende feestweek. Op het overzicht is ook vermeld welke kosten en opbrengsten aan [geïntimeerde Y] toekomen en welke kosten en opbrengsten aan [appellant X] . Het gaat om de navolgende posten:

2.6

De feestweek heeft plaatsgevonden in de periode 12 tot en met 18 mei 2014.

2.7

Bij brief van 19 november 2014 heeft [geïntimeerde Y] een factuur ten bedrage van € 3.553,00 aan [appellant X] verzonden wegens gemaakte kosten tijdens de feestweek. Deze factuur is middels een tweede factuur gewijzigd in een factuur ten bedrage van € 3.344,00.

2.8

In een brief van 28 december 2014 heeft [appellant X] de onderstaande posten van in totaal € 5.619,25 aan [geïntimeerde Y] gefactureerd.

2.9

In de brief van 23 maart 2015 heeft [appellant X] [geïntimeerde Y] gesommeerd om tot betaling van het bedrag van € 5.619,25 over te gaan.

2.10

Bij brief van 13 april 2015 heeft [geïntimeerde Y] – via een deurwaarder – [appellant X] gesommeerd tot betaling van haar openstaande factuur over te gaan.

2.11

Zowel de factuur van [geïntimeerde Y] als de factuur van [appellant X] zijn onbetaald gebleven.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde Y] heeft in eerste aanleg gevorderd [appellant X] te veroordelen tot betaling van de factuur van € 3.344,00 te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proces- en nakosten. [appellant X] heeft verstek laten gaan. Bij verstekvonnis van 1 december 2015 heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde Y] toegewezen. [appellant X] is tegen dit vonnis in verzet gekomen. In de verzetprocedure heeft hij gevorderd het verstekvonnis nietig te verklaren, [geïntimeerde Y] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel [geïntimeerde Y] haar vordering alsnog te ontzeggen en heeft hij een vordering in reconventie ingesteld. Daarbij heeft [appellant X] wel erkend een bedrag van € 2.250,00 aan [geïntimeerde Y] verschuldigd te zijn. In reconventie heeft [appellant X] gevorderd [geïntimeerde Y] te veroordelen tot betaling van zijn factuur van € 5.619,25, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en de proces- en nakosten. [geïntimeerde Y] heeft bij conclusie van antwoord in oppositie tevens conclusie van antwoord in reconventie haar vordering in hoofdsom in conventie verminderd tot een bedrag van € 2.989,00 en heeft het betoog van [appellant X] in reconventie gemotiveerd betwist.

3.2

Bij vonnis van 24 mei 2016 heeft de kantonrechter het verstekvonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende [appellant X] in conventie veroordeeld tot betaling van € 2.250,00 vermeerderd met wettelijke rente, de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 408,38 en de proces- en nakosten. In reconventie heeft de kantonrechter de vordering van [appellant X] afgewezen bij gebrek aan voldoende onderbouwing.

4. De beoordeling in hoger beroep

4.1

[appellant X] heeft geen grief gericht tegen het oordeel in conventie dat hij een bedrag van € 2.250,00 aan [geïntimeerde Y] verschuldigd is. [appellant X] stelt echter dat deze vordering door verrekening teniet is gegaan (grief I). Om die reden is hij ook ten onrechte veroordeeld in de (te hoog berekende) buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente (grief II) en de proces- en nakosten (grief III). De (drie) grieven in reconventie richten zich tegen de afwijzing van zijn vordering in reconventie. Omdat de beoordeling van de grieven in conventie afhangt van de beoordeling van de grieven in reconventie, zal het hof hierna eerst ingaan op laatstgenoemde grieven.

Grieven tegen afwijzing vordering in reconventie
4.2 De vraag die partijen in reconventie verdeeld houdt, is of, naar [appellant X] stelt en [geïntimeerde Y] betwist, tussen partijen is overeengekomen dat [geïntimeerde Y] de door [appellant X] gefactureerde kosten van € 5.619,25 zou voldoen. Het betreft enerzijds kosten wegens het ter beschikking stellen van zaken waaronder een extra tent voor de artiesten (hierna: de artiestentent), statafels, lange tafels, elektriciteitskabels, extra tafels met zitbanken en de verlichting voor de artiestentent (hierna gezamenlijk: de zaken) en anderzijds een vergoeding voor de consumpties die door de vrijwilligers tijdens de feestweek zijn genuttigd. Volgens [appellant X] is hij vlak voor aanvang van de feestweek met [geïntimeerde Y] , meer in het bijzonder met [bestuurslid 1] , destijds voorzitter van [geïntimeerde Y] , mondeling overeengekomen dat de hiervoor genoemde zaken extra en tegen een commercieel tarief zouden worden bijgeplaatst. Daarnaast stelt [appellant X] dat hij tijdens de feestweek met [geïntimeerde Y] , daarin vertegenwoordigd door [bestuurslid 1] , mondeling is overeengekomen dat hij de door de vrijwilligers genuttigde consumpties aan [geïntimeerde Y] tegen de gebruikelijke markttarieven mocht doorberekenen. Ook legt [appellant X] aan zijn vordering ten grondslag dat [bestuurslid 1] hem heeft medegedeeld dat hij de onkosten die hij zou maken tijdens de feestweek bij [geïntimeerde Y] in rekening mocht brengen. [geïntimeerde Y] heeft de stellingen van [appellant X] gemotiveerd betwist.

4.3

Het hof is van oordeel dat [appellant X] tegenover de betwisting door [geïntimeerde Y] zijn stelling dat zijn factuur berust op mondelinge afspraken tussen [appellant X] en [geïntimeerde Y] onvoldoende concreet (met stukken) heeft onderbouwd. Daartoe overweegt het hof het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde Y] vrijwilligers ter beschikking zou stellen aan [appellant X] om tijdens de feestweek te assisteren in de horeca. Ook staat tussen partijen vast dat [appellant X] zorg zou dragen voor een grote feesttent, de huur van muzikanten en de daarbij benodigde geluids- en lichtinstallatie en dat hij de in- en verkoop van de catering op zich zou nemen. Deze afspraken vinden steun in het overzicht zoals dit door [geïntimeerde Y] aan [appellant X] is verstrekt in februari 2014 (zie onder 2.5). Ter zitting in hoger beroep is van de zijde van [geïntimeerde Y] onweersproken gesteld dat was afgesproken dat [geïntimeerde Y] de kosten van de kermis voor haar rekening zou nemen en [appellant X] de kosten van de feesttent en bijbehorende horeca. Voormeld overzicht geeft ook steun aan de stelling dat de opbrengsten en kosten van de kermis voor rekening van [geïntimeerde Y] zouden komen en dat de opbrengsten en kosten van de overige festiviteiten aan [appellant X] zouden toekomen respectievelijk voor zijn rekening zouden komen. Enkele kosten(posten) die zowel ten behoeve van de kermis als de overige festiviteiten werden gemaakt, zouden tussen partijen worden gedeeld. Weliswaar heeft [appellant X] , zonder dat overigens concreet (met stukken) te onderbouwen, gesteld dat hij bij het ontvangen van het overzicht heeft geprotesteerd tegen enkele posten, maar dat laat onverlet dat hij, zoals hij ter zitting in hoger beroep heeft erkend, niet heeft geprotesteerd tegen de methodiek van de verdeling van de kosten waarvoor in dat overzicht is gekozen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de organisatie van de kermis in handen van [geïntimeerde Y] was en de organisatie van de overige festiviteiten in handen van [appellant X] . Deze laatste was als ondernemer dan ook primair verantwoordelijk voor het genereren van opbrengsten (bijvoorbeeld door entreegelden te vragen, via de consumpties en door sponsoring van bedrijven) en het voldoen (en vermijden) van kosten. Volgens voormeld overzicht zou 100% van de opbrengst horeca en van de entreegelden aan [appellant X] toekomen; dat hij heeft nagelaten entreegelden te vragen, komt voor zijn (ondernemers)risico.

4.4

Met de hiervoor genoemde verdeling van verantwoordelijkheden strookt niet het betoog van [appellant X] dat vlak voor aanvang van de feestweek [geïntimeerde Y] hem mondeling opdracht heeft verstrekt om de hiervoor genoemde zaken tegen commerciële tarieven ter beschikking te stellen en tijdens de feestweek de vrijwilligers tegen marktconforme prijzen te voorzien van consumpties. [appellant X] was immers als ondernemer verantwoordelijk voor de organisatie van de festiviteiten. De kosten daarvan kwamen voor zijn rekening en risico, hetgeen te meer voor de hand lag nu hij zelf een cateringbedrijf dreef, waarvan ook onderdeel uitmaakte de verhuur van de materialen zoals die ten behoeve van de feestweek beschikbaar zijn gesteld. Dat onder die omstandigheden [geïntimeerde Y] tijdens de opbouw van de tent en gedurende de feestweek er plotseling mee zou hebben ingestemd dat hij kosten van “eigen materiaal” tegen commerciële prijzen bij haar in rekening zou brengen die niet tot haar verantwoordelijkheid behoorden, is dan ook niet waarschijnlijk. Tegen die achtergrond en de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde Y] is het hof ook van oordeel dat het drietal door [appellant X] ingebrachte verklaringen, waaronder twee vrijwel gelijkluidende verklaringen, van vrijwilligers een onvoldoende onderbouwing vormt van zijn stellingen. In de verklaring van [vrijwilliger 1] staat het volgende vermeld:


“ (…) Bij het vervoeren en opbouwen van de tent en andere materialen, zoals statafels en lange zgn. biertafels meerdere stroom verlenghaspels en verdeelblokken, gaf [appellant X] aan tegenover de aanwezige bestuursleden van de [geïntimeerde Y] , zijnde [bestuurslid 1] en [bestuurslid 2] , dat er voor deze materialen wel betaald moet worden. Waarop de voorzitter [bestuurslid 1] te kennen gaf aan [appellant X] dat als er kosten zijn die gemaakt worden door [Eetcafé X] hij deze kan declareren. Gedurende de feestweek waren erdoor [bestuurslid 1] van de [geïntimeerde Y] aan de vrijwilligers van [geïntimeerde Y] en aan de beveiliging snackbonnen uitgedeeld. Deze kon men dan bij [appellant X] zijn snack tent verzilveren, tijdens de feestweek waren er niet genoeg snackbonnen gemaakt en [bestuurslid 1] als zowel [bestuurslid 2] gaven toen aan [appellant X] dat hij de aantallen maar moest op schrijven. En deze dan ook kon declareren. (…)”.


De verklaring van [vrijwilliger 2] is vrijwel gelijkluidend aan die van [vrijwilliger 1] . In de verklaring van [vrijwilliger 3] staat onder meer het volgende:


“(…) De hand en span diensten bestonden uit onder andere het inrichten van de VIP tent, die zou worden voorzien van verlichting, tafels en stoelen, en hulp bij de verkoop van snacks. [appellant X] heeft direct aangegeven aan de heren van [geïntimeerde Y] dat daar wel een vergoeding moest worden door berekend. Waarop de heren [bestuurslid 2] en [bestuurslid 1] werd gezegd dat [appellant X] dit natuurlijk mag declareren. Ik heb tijdens de feestweek geholpen in de snacktenten heb daar snackbonnen ontvangen van de [geïntimeerde Y] , toen er niet genoeg bonnen waren zij de organisatie dat ik het gebruikte dan maar moest opschrijven en [appellant X] ze moest declareren na afloop. (…)”.


Nog daargelaten dat deze verklaringen weinig specifiek en grotendeels gelijkluidend zijn, blijkt uit deze verklaringen niet dat het [appellant X] werd toegestaan voor de ter beschikking gestelde zaken bij [geïntimeerde Y] bedragen in rekening te brengen, laat staan dat hij daarbij commerciële tarieven mocht hanteren. Ten hoogste zou hieruit kunnen blijken dat afgesproken is dat [appellant X] zijn extra (on)kosten mocht declareren. Feit is echter dat [appellant X] geen (on)kosten heeft gedeclareerd, maar een factuur heeft verstuurd voor de door hem ter beschikking gestelde zaken en etenswaren. De tarieven voor drank (consumpties) zijn door [appellant X] als een ‘gereduceerd tarief’ bestempeld (productie 5 bij memorie van grieven) maar niet is toegelicht of onderbouwd dat dit de ‘kosten’ betreft. Het betoog dat [appellant X] betaling van de factuur kan vorderen vanwege een toezegging dat hij (on)kosten mocht declareren, stuit reeds daarop af.

4.5

Nu het hof tot het oordeel is gekomen dat [appellant X] onvoldoende heeft gesteld om zijn vordering toe te wijzen, komt het hof niet aan het bewijsaanbod van [appellant X] toe. Het vorenstaande brengt mee dat de grief van [appellant X] tegen de afwijzing van de vordering in reconventie en de grief tegen het passeren van het bewijsaanbod falen.

4.6

De grief die [appellant X] richt tegen de proceskostenveroordeling faalt eveneens. [appellant X] is als de in het ongelijk gestelde partij in eerste aanleg in reconventie terecht veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

4.7

Het vooraanstaande brengt mee dat de grieven tegen de afwijzing van de reconventionele vordering falen. De overige weren van [geïntimeerde Y] behoeven derhalve geen nadere bespreking.
Grieven tegen toewijzing vordering in conventie
4.8 Nu het oordeel van de kantonrechter tot afwijzing van de reconventionele vordering van [appellant X] stand houdt, kan [appellant X] niet worden gevolgd in zijn beroep op verrekening met de vordering in conventie. De daarop gerichte (eerste) grief tegen de toewijzing van de vordering in conventie faalt.

4.9

In zijn tweede grief stelt [appellant X] dat de kantonrechter hem ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van een bedrag € 408,38 aan buitengerechtelijke kosten. Volgens [appellant X] had het bedrag conform het liquidatietarief vastgesteld moeten worden op € 337,50. [geïntimeerde Y] bestrijdt dat.

4.10

Vaststaat dat [appellant X] een bedrag van € 2.250,00 aan [geïntimeerde Y] verschuldigd is en dat [appellant X] dit bedrag niet aan [geïntimeerde Y] heeft voldaan. Bij brief van 13 april 2015 is [appellant X] in gebreke gesteld tot betaling van onder meer het bedrag van € 2.250,00. [appellant X] heeft geen gehoor gegeven aan de ingebrekestelling en is derhalve in verzuim. De ingebrekestelling voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, zodat [appellant X] buitengerechtelijke kosten aan [geïntimeerde Y] verschuldigd is. Ook dient [appellant X] de wettelijke rente aan [geïntimeerde Y] te vergoeden. Dat [appellant X] een vordering op [geïntimeerde Y] pretendeerde te hebben, doet hier niet aan af. De kantonrechter heeft [appellant X] terecht veroordeeld tot betaling buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

Ten aanzien van de hoogte van de buitengerechtelijke kosten overweegt het hof het volgende. Het besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De buitengerechtelijke kosten bedragen conform dit voornoemde besluit € 337,50. Artikel 2, derde lid, van het Besluit bepaalt dat de buitengerechtelijke kosten worden verhoogd met het percentage dat overeenkomt met het btw-percentage, indien de schuldeiser voor verkrijging van voldoening buiten rechte gebruik maakt van een dienst als bedoeld in de Wet op de Omzetbelasting 1968 ter zake waarvan op grond van die wet omzetbelasting is verschuldigd en de schuldeiser de hem in rekening gebrachte omzetbelasting niet op grond van genoemde wet kan verrekenen en dat ook nadrukkelijk verklaart en verklaart dat de kosten in verband daarmee zijn verhoogd. In de sommatiebrief van 13 april 2015 heeft de deurwaarder ten behoeve van [geïntimeerde Y] vermeld dat zij de btw niet kan verrekenen en dat om die reden de incassokosten met het btw-percentage worden verhoogd. De kantonrechter heeft [appellant X] derhalve terecht veroordeeld tot betaling van het btw-percentage over de buitengerechtelijke kosten. Het vorenstaande brengt mee dat ook deze grief faalt.

4.11

Tot slot faalt ook de derde grief. Deze grief richt zich tegen de proceskostenveroordeling in conventie. [appellant X] is als de in het ongelijk gestelde partij in eerste aanleg in conventie terecht veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant X] veroordelen in de kosten van het hoger beroep. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde Y] zullen worden vastgesteld op € 718,00 voor griffierecht en op € 1.264,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2 procespunten x tarief € 632,00).

5.3

Als niet weersproken zal het hof de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6
6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 24 mei 2016;


veroordeelt [appellant X] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde Y] vastgesteld op € 718,00 voor griffierecht en op € 1.264,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant X] in de nakosten, begroot op € 131,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,00 in geval [appellant X] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;
verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, I. Brand en B.J. Engberts en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 december 2017.