Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10979

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
200.181.654
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:5972
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verwijtbaar aan de accountant dat geen goodwill is opgenomen in de jaarrekening. De opdracht aan de accountant ten aanzien van de jaarrekeningen was beperkt en omvatte geen volledige controle van de getrouwheid van die cijfers, nu de ondernemer zelf verantwoordelijk was voor de getrouwheid van de aangeleverde cijfers. Ook valt niet in te zien waarom hij had moeten waarschuwen voor het ontbreken van goodwill in deze jaarrekeningen, nu het ontbreken daarvan juist in het belang was van de toenmalige vennoten, die op dat moment nog zijn opdrachtgever waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.181.654

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/166337 HA ZA 15-3)

arrest van 12 december 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. K. Mercanoglu,

tegen:

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[geïntimeerde 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats]
2. [geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk: [geïntimeerden] en afzonderlijk respectievelijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ,

advocaat: mr. N.E.N. de Louwere.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 22 april 2015 en 9 september 2015 die de rechtbank Overijssel heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 december 2015,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.12 van het vonnis van 9 september 2015. Ter wille van de leesbaarheid van dit arrest zijn deze feiten hieronder grotendeels dienovereenkomstig nogmaals weergegeven.

3.2

[appellant] is in oktober 2005 in loondienst getreden van v.o.f. [v.o.f.] . Deze v.o.f. exploiteerde een eetcafé in [vestigingsplaats] . Vennoten waren de heren [vennoot 1] en [vennoot 2] .

[geïntimeerde 1] was sinds 2004 het vaste accountantskantoor van [v.o.f.] . [geïntimeerde 2] was in dienst van [geïntimeerde 1] en was de behandelend accountant.

3.3

Het was de bedoeling dat [appellant] de onderneming zou overnemen. Per 31 maart 2006 is [vennoot 2] uitgetreden. Op dat moment was echter bekend dat de gemeente [gemeente] mogelijk een onteigeningsprocedure zou starten. [appellant] en [vennoot 1] hebben daarop besloten de juridische eigendom van het eetcafé bij [vennoot 1] te laten, om de eventuele onteigeningsvergoeding niet in gevaar te brengen. Met ingang van 1 april 2006 heeft [vennoot 1] de onderneming juridisch als eenmanszaak voortgezet, terwijl [appellant] feitelijk de onderneming voerde.

3.4

De onteigeningsprocedure is gevoerd op naam van [vennoot 1] . Bij eindvonnis van 20 februari 2008 heeft de rechtbank Almelo de schadeloosstelling die door de gemeente aan [vennoot 1] moest worden betaald, als volgt vastgesteld:

  • -

    vermogensschade € 50.000,--

  • -

    financieringsschade € 69.612,50

  • -

    wegvallen speelautomaten € 70.000,--

  • -

    bijkomende schade € 90.500,--

  • -

    belastingschade nihil/p.m.

  • -

    schade parkeerheffing nihil

Totaal € 280.112,50 + p.m.

3.5

De rechtbank heeft geen bedrag voor goodwill toegekend. Zij overwoog daartoe:

“12. Volgens de deskundige was het financiële resultaat van de onderneming van [vennoot 1] zodanig dat er over 2004, 2005, 2006 geen sprake is geweest van overwinst, uitgaande van de door de fiscus gehanteerde (gecorrigeerde) cijfers, de personele bezetting en de arbeidsinzet van de ondernemer. Aldus was volgens de deskundige geen sprake van goodwill. [vennoot 1] heeft dit bestreden en daar tegen aangevoerd dat gekeken moet worden naar hetgeen een redelijk handelend koper voor de goodwill zou betalen, de onteigening weggedacht, waarvoor de winstverwachting ten tijde van de verkoop en de mogelijkheden om wist te behalen van belang zijn. [vennoot 1] wijst op de netto-winst over 2006 en de positieve financiële ontwikkeling, de lening en de bonus van Heineken, de maatstaf voor de beloning van de vennoot en het personeelsbestand.

13. De rechtbank is van oordeel dat de vaststelling van de schadeloosstelling bemoeilijkt wordt door het feit dat zijdens [vennoot 1] wisselende cijfers en feiten gepresenteerd worden, bijvoorbeeld ten aanzien van de bedrijfsresultaten, de correcties daarop en de inzet van [vennoot 1] en andere personeelsleden. De deskundige heeft daarover tijdens het pleidooi een uiteenzetting gegeven (zie notie ten behoeve van het pleidooi). De rechter-commissaris en de deskundige heeft [vennoot 1] er ter gelegenheid van de descente in april 2007 op gewezen dat hij ten behoeve van het deskundigenonderzoek de juiste (financiële) gegevens dient te verschaffen. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om thans uit te gaan van hetgeen de deskundige heeft opgemerkt over de bedrijfsresultaten over 2004, 2005 en 2006 en de correctie daarop in verband met het overmatige aantal uren van de vennoten dan wel extra personeelskosten indien alleen [appellant] de feitelijke ondernemer zou zijn, de bijzondere bate wegens kwijtschelding van de schuld aan Heineken en zijn visie op de zogenaamde “bonus”, waarvan de deskundige heeft gesteld dat het in werkelijkheid gaat om aflossingen. (…) De rechtbank is er alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende, waaronder het onteigende object, de wijze van exploitatie en de bedrijfsresultaten, niet van overtuigd dat – de onteigening weggedacht – een redelijk handelend ondernemer [vennoot 1] een bedrag wegens goodwill zou hebben betaald. (…)”

3.6

Het door [vennoot 1] ingestelde cassatieberoep heeft, wat dit onderdeel betreft, niet tot cassatie kunnen leiden en is door de Hoge Raad zonder motivering afgedaan onder toepassing van artikel 81 RO.

3.7

Een voorschot op de schadeloosstelling is uitgekeerd in de loop van 2007 en in
maart 2008 is het restant uitbetaald.

[vennoot 1] en [appellant] hadden afgesproken dat [vennoot 1] 25% daarvan zou ontvangen en [appellant] 75%.

3.8

Over de afwikkeling van de (te) ontvangen schadeloosstelling heeft [geïntimeerde 2] namens [geïntimeerde 1] bij brief van 22 november 2007 het volgende aan [vennoot 1] en
[appellant] geschreven.

“Voor [vennoot 1] heeft een situatie waarin de onderneming wordt gedreven voor rekening van [appellant] geen financieel voor- of nadeel.

Voor [appellant] zou in die situatie een rente- en tariefsvoordeel te behalen zijn door de vorming van een herinvesteringreserve en hij zou als ondernemer gebruik kunnen maken van de ondernemersfaciliteiten.

De voordelen zijn echter relatief gering.

Aangezien de onteigeningsadviseur, [onteigeningsadviseur] en mevrouw Mr. D.K. ten Cate van Kienhuis Hoving Advocaten geen stelling wensen in te nemen over de consequenties van overname van de onderneming door [appellant] en gelet op de onzekerheid aangaande het standpunt van de fiscus adviseren wij u de schadevergoeding fiscaal af te wikkelen door middel van een tantième aan de [appellant] .”

3.9

[appellant] heeft € 225.290,- ontvangen in de vorm van een tantième. Hierover is volgens [geïntimeerde 1] € 28.255,- aan inkomensbelasting betaald (12%).

3.10

In het derde kwartaal van 2008 heeft [appellant] de relatie met [geïntimeerde 1] beëindigd en zich tot een andere adviseur ( [adviseur] ) gewend.

3.11

[geïntimeerde 1] heeft zich in 2009 tot de rechtbank gewend met een vordering jegens [appellant] tot betaling van haar facturen. In die procedure heeft [geïntimeerde 1] zich op het standpunt gesteld dat de kwaliteit van de door [geïntimeerde 1] verrichte werkzaamheden inferieur is. De rechtbank heeft deze stelling van [appellant] gepasseerd en hem veroordeeld tot betaling van de facturen van [geïntimeerde 1] . Dit vonnis is in hoger beroep grotendeels in stand gelaten.

3.12

Bij klaagschrift van 4 juni 2010 heeft [appellant] een klacht ingediend tegen [geïntimeerde 2] bij de klachtencommissie NIVRA-NOvAA.

De klachtencommissie heeft 2 van de 7 klachten gegrond verklaard. Zij overwoog:

“Klachtonderdeel 2: Verweerder heeft klager uitsluitend geadviseerd om de schadeloosstelling via een tantième-uitkering aan klager te doen toekomen. Dit advies is volgens klager geen goed advies, verweerder had bovendien meerdere alternatieven moeten aandragen hetgeen hij volgens klager niet heeft gedaan.

(…)
De klachtencommissie kan het advies van verweerder in het licht van de eigendomssituatie van de onderneming volgen. Dat het verwerken van de schadeloosstelling via een tantième-uitkering in de conceptcijfers voor klager, zoals hij aangeeft, onwenselijke gevolgen heeft gehad en om die reden in zijn ogen een slecht advies was, heeft mede te maken met het feit dat verweerder zonder overleg met klager de conceptcijfers ter beschikking heeft gesteld aan de belastingdienst. Dit aspect wordt echter bij dit klachtonderdeel buiten beschouwing gelaten en komt aan de orde bij klachtonderdeel 7.

Wel is de klachtencommissie gebleken dat verweerder aangaande de verwerking van de schadeloosstelling niet schriftelijk heeft gecommuniceerd. De klachtencommissie is van mening dat het door de Accountants-Administratieconsulent in acht te nemen beginsel van zorgvuldigheid in de zin van de Verordening gedragscode met zich meebrengt dat verweerder zijn bevindingen en adviezen met betrekking tot het vraagstuk rondom het verwerken van de schadeloosstelling in de jaarrekening schriftelijk aan klager had behoren te communiceren, onder vermelding van de consequenties die de uiteindelijk gemaakte keuze van de tantième-uitkering met zich mee zouden brengen. In elk geval had verweerder een en ander duidelijk schriftelijk in zijn dossier moeten vastleggen, hetgeen voor zover de klachtencommissie is gebleken niet is gebeurd. De klachtencommissie acht dit klachtonderdeel gegrond.”

Klachtonderdeel 7 is door de Klachtencommissie aldus geïnterpreteerd dat dit mede inhield dat [geïntimeerde 2] zonder overleg met [appellant] inzage in de jaarstukken heeft verschaft aan de belastingdienst. De Klachtencommissie overweegt hierover:

“Tijdens de behandeling van de klacht is door klager echter benadrukt dat de versnelde invordering heeft plaatsgevonden doordat verweerder, zonder overleg met klager, inzage aan de belastingdienst had verstrekt in de concept jaarrekeningen 2006 en 2007. De klachtencommissie begrijpt dit klachtonderdeel dan ook mede zo dat klager daarmee tevens bedoeld heeft te klagen over het zonder zijn toestemming inzage geven in de concept jaarrekeningen aan de belastingdienst. Verweerder heeft verzuimd om toestemming aan klager te vragen alvorens de belastingdienst inzage te verlenen in de concept jaarrekeningen. Door dit na te laten heeft verweerder, naar de mening van de klachtencommissie, in strijd gehandeld met het door hem als Accountant-Adviseur in acht te nemen fundamenteel beginsel van geheimhouding als bedoeld in de Verordening gedragscode. De klachtencommissie acht dit klachtonderdeel dan ook gegrond.”

3.13

Bij brief van 18 juli 2011 heeft [appellant] [geïntimeerde 2] aansprakelijk gesteld voor de geleden schade, begroot op € 393.387,-. [geïntimeerde 2] heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg kort samengevat gevorderd:

I. hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van een bedrag van € 371.387,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2011;

II. hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van € 76.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2014;

III. hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten en de nakosten en de wettelijke rente daarover.

4.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 9 september 2015 [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering jegens [geïntimeerde 2] en het gevorderde jegens [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellant] is met zeven grieven opgekomen tegen het vonnis van 9 september 2015. Hij heeft de vernietiging van dit vonnis gevorderd en gevorderd dat het hof, opnieuw recht doende, de in de inleidende dagvaarding geformuleerde vorderingen van [appellant] zal toewijzen en [geïntimeerden] alsnog zal veroordelen tot hetgeen door [appellant] wordt gevorderd, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide procedures.

5.2

In zijn eerste grief voert [appellant] aan dat de rechtbank hem ten onrechte in zijn vordering jegens [geïntimeerde 2] niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens [appellant] was [geïntimeerde 2] aangezocht om de feitelijke advisering te doen, omdat hij de onderneming al langer adviseerde en de jaarcijfers van de onderneming opmaakte.

[geïntimeerden] heeft ten verwere aangevoerd dat een specifieke relatie tussen [geïntimeerde 2] en [appellant] ontbreekt.

Het hof is van oordeel dat, gelet op hetgeen [appellant] aan zijn vordering jegens [geïntimeerde 2] ten grondslag heeft gelegd, tegen de achtergrond van het bepaalde in artikel 7:404 BW, de rechtbank de vordering van [appellant] tegen [geïntimeerde 2] inhoudelijk had moeten beoordelen en hem daarin niet niet-ontvankelijk had mogen verklaren. De eerste grief slaagt in zoverre, terwijl de inhoudelijke beoordeling van de vordering jegens [geïntimeerde 2] hieronder zal plaatsvinden.

5.3

Gelet op de inhoud van de overige grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, zal het hof overgaan tot een beoordeling van de door [appellant] jegens [geïntimeerde 2] en [geïntimeerden] ingestelde vorderingen en hetgeen [appellant] daaraan ten grondslag heeft gelegd. Het gaat daarbij om het verwijt van [appellant] dat [geïntimeerden] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant in het kader van een zorgvuldige uitoefening van zijn taak mag worden verlangd. De verwijten die [appellant] in dit kader aan het adres van [geïntimeerden] maakt (en in hoger beroep in zijn grieven heeft uiteengezet) zijn als volgt weer te geven:

- [geïntimeerden] had zich bewust moeten zijn van het grote belang van de getrouwheid van de jaarcijfers van [appellant] , van een goedkeurende verklaring en van adequate informatieverstrekking aan de rechtbank;

- [geïntimeerden] had voldoende controlemaatregelen moeten nemen en waarschuwingen moeten geven die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem konden worden gevergd ter voorkoming van vermogensschade;

- [geïntimeerden] had het aan [appellant] uitgebrachte advies op schrift moeten stellen;

- [geïntimeerde 2] heeft steeds wisselende jaarcijfers aan de rechtbank aangeleverd, als gevolg waarvan de rechtbank niet van de juistheid van deze cijfers heeft kunnen uitgaan en het was aan [geïntimeerde 2] om de vennoten te waarschuwen voor de gevolgen daarvan;

- [geïntimeerde 2] had een spontane informatieplicht en een zelfstandige onderzoeksplicht ten aanzien van het aanleveren van de jaarcijfers voor de vaststelling van de goodwill;

- de adviezen van [geïntimeerde 2] ten aanzien van de herinvesteringsreserve zijn ondeskundig geweest als gevolg waarvan [appellant] schade heeft geleden.

5.4

Bij de beoordeling van de handelwijze van [geïntimeerden] geldt als uitgangspunt dat [geïntimeerden] reeds voordat [appellant] – aanvankelijk als werknemer in oktober 2005 en met ingang van 1 april 2006 als de persoon die feitelijk de onderneming [v.o.f.] dreef – de vaste accountant was van [v.o.f.] . Eén van deze vennoten, [vennoot 1] , was, volgens de tijdens het pleidooi van de zijde van [geïntimeerden] afgelegde en door [appellant] onvoldoende weersproken, verklaring, de opdrachtgever van [geïntimeerden] en niet [appellant] . Per 31 maart 2006 is één van de vennoten van [v.o.f.] , [vennoot 2] uitgetreden, zodat het voor deze vennoot – gelet op de belastingheffing over de stakingswinst die [vennoot 2] verschuldigd zou worden – van belang was om de belastbare winst en de (boek)waarde van de onderneming zo laag mogelijk te houden. Hetzelfde geldt voor de andere vennoot, [vennoot 1] , die feitelijk eveneens per 1 april 2006 ophield met het ondernemerschap. Tegen die achtergrond valt te begrijpen dat – zoals [geïntimeerden] heeft aangevoerd – de opdracht aan [geïntimeerden] voor de berekening van de belastbare winst over de jaren 2004 en 2005 van [v.o.f.] – in welke jaren [appellant] nog niet de (feitelijke) ondernemer was – er toe strekte om zo min mogelijk goodwill in de jaarrekeningen op te nemen en de belastbare winst op een zo laag mogelijk bedrag te stellen. Over het jaar 2006 is voorts slechts een concept-jaarrekening door [geïntimeerden] opgesteld, die nooit definitief is gemaakt vanwege de overgang naar een ander(e) account(skantoor). [appellant] heeft in het licht van deze feiten en omstandigheden onvoldoende toegelicht dat [geïntimeerden] het verwijt valt te maken dat hij, in strijd met deze belangen van de vennoten [vennoot 2] en [vennoot 1] die zijn feitelijke opdrachtgever waren, niet tot een hogere belastbare winst en/of een hogere (boek)waarde van de onderneming en daarmee tot de creatie van goodwill was gekomen. Dit klemt te meer nu vast staat dat op verzoek van [vennoot 1] bezwaar was gemaakt tegen de door de Belastingdienst op basis van de door hem gecorrigeerde cijfers opgelegde aanslagen.

5.5

Verder staat in de onderhavige zaak, mede gelet op hetgeen tijdens het pleidooi door partijen is verklaard, vast dat de opdracht aan [geïntimeerden] niet het afgeven van een zogenaamde accountantsverklaring ten aanzien van de jaarrekeningen van [v.o.f.] omvatte, doch slechts het samenstellen van de jaarrekeningen van [v.o.f.] aan de hand van de door de ondernemer zelf daartoe ter beschikking gestelde financiële gegevens. Aldus was de opdracht aan [geïntimeerden] ten aanzien van de jaarrekeningen beperkt en omvatte deze geen volledige controle van de getrouwheid van die cijfers, nu de ondernemer zelf verantwoordelijk was voor de getrouwheid van de aangeleverde cijfers. Tekenend in dit verband is dat [geïntimeerde 2] tijdens het pleidooi, onvoldoende weersproken, heeft verklaard dat de aanvankelijk aangeleverde cijfers op een – fiscaalrechtelijk gezien – te lage bruto-winstmarge sloten, waarna hij in overleg moest treden met de vennoten om een voor de fiscus acceptabele bruto-winstmarge in de jaarrekeningen op te nemen. Dat de Belastingdienst vervolgens nog een nadere correctie heeft toegepast op de aangeleverde cijfers valt, in het licht van deze omstandigheden, [geïntimeerden] dan ook niet te verwijten. Blijkens de verklaring van [appellant] tijdens het pleidooi heeft zijn adviseur in het kader van de onteigeningsprocedure, [onteigeningsadviseur] , de cijfers daarna zelf aangepast met het oog op de vergoeding die [appellant] wenste te ontvangen uit hoofde van de onteigeningsprocedure. Dat de rechtbank vervolgens in de onteigeningsprocedure heeft geattendeerd op de als gevolg van deze handelwijze steeds wisselende cijfers valt dan niet aan [geïntimeerden] toe te rekenen.

5.6

Tegen de achtergrond van deze uitgangspunten valt [geïntimeerden] niet te verwijten dat er geen goodwill in de jaarrekeningen van [v.o.f.] was opgenomen. Ook valt niet in te zien waarom hij had moeten waarschuwen voor het ontbreken van goodwill in deze jaarrekeningen, nu het ontbreken daarvan juist in het belang was van de toenmalige vennoten van [v.o.f.] , die op dat moment nog zijn opdrachtgever waren. Zoals hierboven opgemerkt kan [geïntimeerden] evenmin een verwijt worden gemaakt over de getrouwheid van de jaarcijfers, nu de vennoten die deze cijfers aanleverden daarvoor primair verantwoordelijk waren en niet [geïntimeerden]

5.7

Bij het vorenstaande komt dat [appellant] , tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerden] , onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om de conclusie te kunnen schragen dat er daadwerkelijk goodwill in [v.o.f.] aanwezig was ten tijde van de onteigeningsprocedure. Tijdens het pleidooi is immers door [appellant] verklaard dat hij zelf geen bedrag als goodwill voor [v.o.f.] heeft betaald, maar dat hij alleen een bedrag heeft betaald om de schulden van [v.o.f.] te kunnen aflossen, om er op die wijze voor te zorgen dat de onderneming overeind zou blijven en behoed zou worden voor een faillissement voordat de onteigeningsprocedure zou zijn afgerond. De door hem afgeloste schulden zijn vervolgens ook terugbetaald uit de afkoopsom die in het kader van de onteigeningsprocedure was ontvangen. Deze feiten worden nog ondersteund door de verklaring namens [geïntimeerden] tijdens het pleidooi dat, zelfs als je uitging van de hoogste aangeleverde cijfers, er nog steeds geen sprake was van goodwill in de onderneming.

5.8

Het aan het adres van [geïntimeerden] gemaakte verwijt dat de rechtbank in het kader van de onteigeningsprocedure heeft geoordeeld dat er steeds wisselende jaarcijfers werden aangeleverd, zodat op basis daarvan de vaststelling van de schadeloosstelling werd bemoeilijkt, dient eveneens tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene te worden bezien. [geïntimeerde 2] heeft hierover tijdens het pleidooi nog opgehelderd dat hij niet in de gelegenheid was om andere cijfers ten behoeve van de onteigeningsprocedure aan te leveren, omdat hij ook hier afhankelijk was van zijn daadwerkelijke opdrachtgever die een ander belang had en omdat hij deze cijfers niet zomaar kon veranderen.

5.9

Gelet op het hiervoor overwogene, valt – zonder nadere motivering van de zijde van [appellant] die ontbreekt – ook niet in te zien dat op [geïntimeerden] een spontane informatieplicht rustte of een nadere onderzoeksplicht rustte ten aanzien van het aanleveren van de jaarcijfers voor de vaststelling van de goodwill.

5.10

Het verwijt dat [appellant] maakt ten aanzien van het onjuiste fiscale advies dat aan hem zou zijn gegeven over de aanwending van de vergoeding die hij ontving naar aanleiding van de onteigeningsprocedure treft evenmin doel. [geïntimeerden] heeft er in dit kader op gewezen dat [appellant] niet de ondernemer was aan wie de schadeloosstelling werd uitgekeerd, terwijl hij op dat moment ook nog niet op eigen naam een andere onderneming dreef, zodat [appellant] fiscaalrechtelijk gezien geen recht op een herinvesteringsreserve geldend kon maken. Verder heeft de heer [X] namens [geïntimeerden] tijdens het pleidooi, onvoldoende weersproken, verklaard dat hij op 14 februari 2007 in het bijzijn van [appellant] telefonisch contact heeft gehad met [medewerker] van de Belastingdienst op 14 februari 2007 en dat hem daarbij is meegedeeld dat de Belastingdienst ook niet wilde meewerken aan de door [appellant] gewenste vorming van een herinvesteringsreserve ten gunste van een nieuw op te richten onderneming van hem. Door het leggen van contact met de Belastingdienst en het voorleggen van de vraag of de Belastingdienst medewerking wilde verlenen aan een andere wijze van belastingheffing dan volgens de letter van de wet mogelijk was, heeft [geïntimeerden] gedaan wat in zijn vermogen lag en aldus aan de norm van een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant voldaan. Dat de Belastingdienst mogelijkerwijs naderhand – in 2009 – tot een ander inzicht zou zijn gekomen, zoals [appellant] heeft gesteld maar [geïntimeerden] heeft betwist, maakt dit niet anders.

5.11

Verder wil het hof niet uitvlakken dat de accountantskamer van oordeel was dat [geïntimeerden] de aan [appellant] uitgebrachte advisering op schrift had moeten stellen, maar naar het oordeel van het hof brengt, tegen het licht van het hiervoor overwogene, de enkele omstandigheid dat [geïntimeerden] de advisering niet schriftelijk heeft vastgelegd, niet mee dat [geïntimeerden] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en dat [appellant] dientengevolge schade heeft geleden. Voorop staat immers dat het hof een eigen beoordeling aanlegt en niet is gehouden aan het oordeel van de klachtencommissie. Bovendien heeft [appellant] voor zijn stelling dat hij schade heeft geleden als gevolg van het feit dat het advies niet schriftelijk is verstrekt onvoldoende gemotiveerde feiten en omstandigheden aangedragen. De enkele omstandigheden dat [appellant] bij een schriftelijk advies een second-opinion had kunnen vragen en dat [geïntimeerde 2] bij een schriftelijk advies gedwongen zou zijn geweest een en ander op papier te onderbouwen, zijn onvoldoende om de schadevergoedingsvordering van [appellant] te kunnen dragen.

5.12

Nu geen van de aan het adres van [geïntimeerden] gemaakte verwijten doel treft (ook al slaagt de eerste grief, maar kan dat [appellant] gelet op hetgeen het hof overigens heeft overwogen niet baten) en ook voor het overige onvoldoende is onderbouwd dat [geïntimeerden] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk vakbekwaam accountant in het kader van een zorgvuldige uitoefening van zijn taak mag worden verlangd, kunnen de door [geïntimeerden] bij inleidende dagvaarding ingestelde vorderingen niet worden toegewezen. Dit betekent dat deze vorderingen moeten worden afgewezen. Het bestreden vonnis, waarbij [appellant] niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vorderingen jegens [geïntimeerde 2] , zal in zoverre worden vernietigd en de tegen [geïntimeerde 2] ingestelde vorderingen zullen eveneens worden afgewezen, terwijl het bestreden vonnis voor het overige zal worden bekrachtigd.

5.13

Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, omdat [appellant] onvoldoende onderbouwde feiten heeft gesteld om tot bewijs te worden toegelaten.

6 De slotsom

6.1

De grieven treffen geen doel, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, behoudens voor zover [appellant] daarbij niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering jegens [geïntimeerde 2] . Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [appellant] jegens [geïntimeerde 2] eveneens afwijzen.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep en in de nakosten veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 5.160,-

- salaris advocaat € 11.685,- (3 punten x tarief VII).

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel van 9 september 2015, behoudens voor zover daarbij [appellant] niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vorderingen jegens [geïntimeerde 2] en doet in zoverre opnieuw recht:

wijst het door [appellant] jegens [geïntimeerde 2] gevorderde af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 5.160,- voor verschotten en op € 11.685,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening,

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.B. Boorsma, A.A. van Rossum en L.F. Wiggers-Rust en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 december 2017.