Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10965

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
17/00686
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:2659, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Eigen woning? Bestemd voor verkoop?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2983
V-N 2018/12.14.23
Vp-bulletin 2018/18
Viditax (FutD), 15-12-2017
FutD 2017-3159
NTFR 2017/3145
NLF 2018/0005 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/00686

uitspraakdatum: 5 december 2017

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 mei 2017, nummer AWB 16/6487, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

In 2007 heeft belanghebbende de woning [a-straat] 2034 te [Z] (hierna: de woning) gekocht voor € 210.000. Vanaf dat moment heeft hij in de woning gewoond. De woning is gefinancierd met een hypothecaire lening die op 1 januari 2013 en op 31 december 2013 € 206.000 bedroeg. In het onderhavige jaar 2013 heeft belanghebbende op deze lening € 10.299,96 aan rente betaald. De WOZ-waarde van de woning voor het jaar 2013 is € 209.000.

2.2.

Belanghebbende is op 4 juni 2010 in het huwelijk getreden met [A] (hierna: de echtgenote). De echtgenote woonde in [B] en is daar na het huwelijk blijven wonen. Aanvankelijk is belanghebbende in de woning blijven wonen. In 2013 is hij verhuisd naar de woning van de echtgenote in [B] . Sinds augustus 2015 verblijft belanghebbende weer in de woning. In de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA) is vermeld dat belanghebbende tot 13 maart 2013 en vanaf 19 augustus 2016 op het adres van de woning woonde en dat hij van 13 maart 2013 tot 19 augustus 2016 in [B] op hetzelfde adres als zijn echtgenote woonde.

2.3.

Op 6 oktober 2014 schrijft [C] ( [D] makelaardij) per e-mail aan belanghebbende onder meer:

“ik krijg van u een aanvraag voor de verkoop van uw woning.

Omdat het handig is een afspraak te maken hiervoor stel ik voor dat u mij belt op een geschikt moment.”

2.4.

Tot de gedingstukken behoort de volgende verklaring met dagtekening 13 juni 2016:

“Hiermee verklaar ik , dhr/mevr

[E]

Zijnde de overburen van dhr [X] en woonachtig op [a-straat] 2055 , dat de woning aan de [a-straat] 2034

Gedurende de periode 2013‑2014 niet bewoond werd en leeg stond ,

En dat dhr [X] medio 2015 de woning weer heeft betrokken”

2.5.

Tot de gedingstukken behoort een verklaring van [F] met dagtekening 26 oktober 2016, die onder meer als volgt luidt:

“In het jaar 2013 heb ik [X] enkele keren geholpen met het voor verkoop toonbaar maken van zijn woning aan de [a-straat] 2034 [Z] .

Bij een van deze gelegenheden was [X] niet aanwezig en trof ik tussen de post een briefje aan met daarin een telefoonnummer en een verzoek om te worden teruggebeld indien er belangstelling was om het pand te verkopen.

Ik heb het briefje aan [X] overhandigd. Enige tijd later begreep ik van hem dat hij na het nummer gebeld te hebben tot zijn spijt geen overeenstemming had kunnen bereiken over de koopsom.”

2.6.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2013 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.755, als volgt gespecificeerd:

Loon uit tegenwoordige arbeid

€ 32.461

Loon uit vroegere arbeid

€ 6.393

Eigenwoningforfait

nihil

Hypotheekrente

€ 10.299

Belastbare inkomsten uit eigen woning

-/- € 10.299

Betaalde premies inkomensvoorzieningen

-/- € 1.180

Kosten levensonderhoud kinderen

-/- € 4.620

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 22.755

2.7.

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag de aftrek voor eigenwoningrente niet geaccepteerd en het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op (€ 22.755 + € 10.299 =) € 33.054.

3 Het geschil

3.1.

In geschil is of de woning in het onderhavige jaar voor belanghebbende een eigen woning was. Belanghebbende stelt primair dat de woning na zijn vertrek te koop stond, zodat deze op grond van artikel 3.111, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) als eigen woning is aan te merken. Subsidiair stelt belanghebbende dat hij tot 1 april 2013 in de woning woonde, zodat deze gedurende die tijd op grond van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 een eigen woning was.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de aanslag.

3.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende stelt dat de woning in 2013 te koop stond. Hij wijst erop dat de huizenmarkt in 2013 erg slecht was. De woning zou wellicht kunnen worden verkocht voor € 189.000. Hij wilde de woning graag verkopen om verlost te zijn van dubbele woonlasten, maar hij wilde geen grote restschuld accepteren. Om de verkoopbaarheid van de woning te vergroten is hij de woning zelf gaan opknappen. Omdat zowel zijn financiële mogelijkheden als zijn beschikbare tijd beperkt waren, is ook het opknappen beperkt gebleven. Wel heeft hij in 2013 een aanvang gemaakt met het toonbaar maken van de woning voor de verkoop. Voorts wijst belanghebbende erop dat een potentiële koper een briefje in de brievenbus van de woning heeft gedaan met het verzoek contact op te nemen. Belanghebbende vond het bod van € 170.000 van deze potentiële koper echter te laag en het is niet tot een verkoop gekomen.

4.2.

Het Hof stelt vast dat belanghebbende de woning in 2013 niet actief te koop heeft aangeboden. Hij wilde de woning wel verkopen, maar niet voor een prijs die overeenkwam met de marktwaarde op dat moment. Hij heeft wel enige activiteiten ontplooid om de woning beter verkoopbaar te maken, maar deze activiteiten waren in 2013 zeer beperkt van omvang. Ook daarna heeft belanghebbende gedurende de tijd dat de woning tot halverwege 2015 leeg stond, slechts enkele verbeteringen aangebracht. Uiteindelijk is de woning ook niet actief te koop aangeboden. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de woning in 2013 bestemd was voor verkoop.

4.3.

Belanghebbende stelt subsidiair dat hij tot 1 april 2013, althans tot 13 maart 2013 in de woning woonde. Hij wijst erop dat hij tot 13 maart 2013 in de GBA stond ingeschreven op het adres van de woning. Het Hof acht, gelet op de verklaringen ter zitting en de inschrijving in de GBA aannemelijk dat belanghebbende tot 13 maart 2013 (dus 72 dagen in 2013) in de woning woonde. Dat belanghebbende daar langer woonde, acht het Hof niet aannemelijk.

4.4.

Dat leidt ertoe dat het belastbare inkomen uit werk en woning moet worden vastgesteld op € 31.269, als volgt berekend:

Belastbaar inkomen uit werk en woning volgens aanslag

€ 33.054

Bij: Eigenwoningforfait 0,6% x € 209.000 x 72 / 365

€ 247

+

Af: Hypotheekrente € 10.299 x 72 / 365

€ 2.032

-/-

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 31.269

4.5.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd zodat het hoger beroep in zoverre slechts gegrond is voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de aanslag betreft.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Omdat het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, bepaalt het Hof dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt.

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 246 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt (bezwaarschrift)  wegingsfactor 1  € 246), € 990 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 495) en € 990 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 495), ofwel in totaal op € 2.226.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

– vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.269,

– vermindert het verzamelinkomen dienovereenkomstig,

– vermindert de belastingrente dienovereenkomstig,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.226 en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 46 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 124 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. A. van Dongen en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 5 december 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De voorzitter,

(C.E. te Brake)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 december 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.