Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10964

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
16/01517
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:6082, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2985
V-N 2018/12.14.7
Viditax (FutD), 15-12-2017
FutD 2017-3188
NTFR 2017/3156
NLF 2017/3004 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 16/01517

uitspraakdatum: 5 december 2017

Uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 november 2016, nummer UTR 15/6448, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Almere (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag vernietigd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2017. De zaken met rolnummers 16/01373 en 16/01517 zijn, met instemming van partijen, gelijktijdig behandeld. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is houder van het voertuig met kenteken [00-YY-YY] (hierna: de auto).

2.2.

Op 23 augustus 2015 om 19.11 uur stond de auto geparkeerd aan de Makelaarstraat te Almere op een plaats waar op dat tijdstip uitsluitend tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.

2.3.

Ter voldoening van de parkeerbelasting heeft belanghebbende de auto op 23 augustus 2015 om 18.53 uur via een applicatie op haar mobiele telefoon aangemeld bij Parkmobile. Daarbij heeft zij het kenteken [01-YY-YY] ingevoerd, dus een ander kenteken dan van de auto.

2.4.

Omdat de parkeercontroleur meende dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan, is de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

2.5.

Parkmobile heeft voor het parkeren van het voertuig met kenteken [01-YY-YY] op 23 augustus 2015 van 18.53 uur tot 20.39 uur een bedrag van € 4,50 in rekening gebracht.

2.6.

Bij brief met als dagtekening 7 september 2015 heeft mr. drs. [A] namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend, waarin hij heeft vermeld dat belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan. Bij het bezwaarschrift heeft hij een betalingsbewijs gevoegd. De gemachtigde heeft verzocht om een proceskostenvergoeding.

2.7.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag vernietigd en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

2.8.

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar in beroep gekomen. Ter zake van dit beroep heeft de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 167. Volgens op 24 oktober 2017 aan de griffier van het Hof telefonisch verstrekte informatie van de Rechtbank is geen vermindering van het griffierecht verleend.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de heffingsambtenaar een proceskostenvergoeding aan belanghebbende had moeten toekennen. Voorts is in geschil of de Rechtbank een te hoog bedrag aan griffierecht heeft geheven.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vergoeding van de gemaakte proceskosten, alsmede tot vergoeding van de geheven griffierechten.

3.3.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

Belanghebbende voert onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 november 2014, 201400648/1/A3, ECLI:NL:RVS:2014:4135, aan dat de Rechtbank het verweerschrift buiten beschouwing had moeten laten, omdat vanwege het ontbreken van een originele handtekening niet kan worden vastgesteld of het verweerschrift is ingediend door een daartoe bevoegde persoon.

4.2.

Het Hof stelt vast dat het verweerschrift bij de Rechtbank de handtekening bevat van [B] en dat het verweerschrift is afgedrukt op briefpapier van de gemeente Almere. Bij het zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken gevoegd, waaronder een Aanwijzingsbesluit heffings- en invorderingsambtenaar Almere. In dit besluit is de afdelingsmanager Basisregistratie Personen & Belastingen op het gebied van heffen aangewezen als de heffingsambtenaar als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet.

4.3.

Geen rechtsregel vereist dat een verweerschrift is voorzien van een originele, met pen geplaatste, handtekening (vgl. HR 2 juni 2017, nr. 17/00343, ECLI:NL:HR:2017:957). De Rechtbank had naar het oordeel van het Hof geen reden eraan te twijfelen dat het verweerschrift door een daartoe bevoegde persoon was ingediend en heeft dan ook terecht acht geslagen op het verweerschrift.

Proceskostenvergoeding bezwaar

4.4.

Aangezien vaststaat dat belanghebbende de voor het parkeren van de auto verschuldigde belasting heeft betaald, brengt toepassing van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen mee dat naheffing niet mogelijk is (HR 26 februari 2016, nr. 15/03528, ECLI:NL:HR:2016:316). De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag naar het oordeel van het Hof dan ook terecht vernietigd.

4.5.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

4.6.

In de toelichting op het amendement dat heeft geleid tot artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is opgemerkt (Kamerstukken II, 2000-2001, 27.024, nr. 14, blz. 1-2):

“Dit amendement bewerkstelligt dat de kosten die een burger redelijkerwijs heeft moeten maken voor de behandeling van een bezwaar- of administratief beroepschrift, door de overheid worden vergoed, wanneer de overheid het besluit herroept wegens de onrechtmatigheid ervan. Die onrechtmatigheid moet wel aan de overheid te wijten zijn. (…)

Wordt een besluit niet herroepen, dan komen de gemaakte kosten voor rekening van de belanghebbende. Loutere vormfouten of motiveringsgebreken leiden niet tot een vergoedingsplicht. Het woord «herroepen» impliceert dat het oorspronkelijke besluit inhoudelijk onjuist moet zijn geweest. Indien de onjuistheid van het besluit te wijten is aan de belanghebbende, bijvoorbeeld omdat hij niet tijdig de juiste gegevens heeft verschaft, bestaat uiteraard geen recht op vergoeding.”

4.7.

De Hoge Raad heeft in het arrest over de vraag of de herroeping van het besluit is te wijten aan een, aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid geoordeeld (HR 18 juni 2010, nr. 09/00370, ECLI:NL:HR:2010:BM7705):

“3.5.1. Bij belastingen die bij wege van aanslag geheven worden, vormt de aangifte een belangrijk hulpmiddel bij de aanslagregeling, waaraan de inspecteur echter niet gebonden is. In verband hiermee behoort de inspecteur met een normale zorgvuldigheid van de aangifte kennis te nemen en de daarin voorkomende gegevens te vergelijken met informatie (…) die hij tot zijn beschikking heeft. Deze onderzoeksplicht van de inspecteur vloeit ook voort uit de eis van een zorgvuldige voorbereiding van besluiten, die is neergelegd in artikel 3:2 van de Awb.

3.5.2

Indien de inspecteur de in 3.5.1 bedoelde normale zorgvuldigheid niet betracht en als gevolg daarvan een te hoge aanslag oplegt, is sprake van een aan die inspecteur te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, van de Awb.”

4.8.

Belanghebbende is van mening dat de heffingsambtenaar een proceskostenvergoeding voor de behandeling van het bezwaar had moeten toekennen, omdat de heffingsambtenaar onrechtmatig heeft gehandeld. Zij stelt daartoe dat de heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Bij het gebruik van Parkmobile had de heffingsambtenaar rekening moeten houden met de mogelijkheid van een verschrijving bij het invoeren van het kenteken, aldus belanghebbende.

4.9.

De heffingsambtenaar brengt hiertegen in dat de parkeercontroleur wel kan zien of voor een bepaald kenteken parkeerbelasting is voldaan, maar dat hij geen overzicht heeft van alle kentekens waarvoor in een bepaalde zone parkeerbelasting is voldaan. De omstandigheid dat belanghebbende een verkeerd kenteken heeft ingevoerd, kan derhalve niet aan hem worden toegerekend zodat de naheffingsaanslag niet is herroepen wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid.

4.10.

Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar de normale zorgvuldigheid betracht bij het vaststellen van de naheffingsaanslag. Hiertoe overweegt het Hof als volgt. De parkeerbelasting wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte (artikel 6 van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2015 van de gemeente Almere). Belanghebbende heeft in haar aangifte het kenteken [01-YY-YY] vermeld. De heffingsambtenaar beschikte ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag niet over informatie waaruit volgde dat belanghebbende voor het parkeren van de auto, die immers een ander kenteken heeft, parkeerbelasting had voldaan. Hij kon daarover redelijkerwijs ook niet beschikken. De heffingsambtenaar is niet verplicht om, zoals belanghebbende stelt, een nader onderzoek in te stellen voordat hij een naheffingsaanslag oplegt. Het Hof is van oordeel dat de naheffingsaanslag niet is herroepen wegens een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid zodat hij belanghebbendes verzoek om vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar terecht heeft afgewezen.

Door de Rechtbank geheven griffierecht

4.11.

Belanghebbende stelt dat de Rechtbank een te hoog bedrag aan griffierecht heeft geheven, namelijk € 167 in plaats van € 45. De heffingsambtenaar heeft zich daarover niet uitgelaten. Het geschil waarover de Rechtbank diende te oordelen heeft betrekking op een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting. De grondslag voor deze gemeentelijke belasting is gelegen in artikel 225 van de Gemeentewet. Artikel 231 van de Gemeentewet bepaalt dat de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen geschiedt met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als ware die belastingen rijksbelastingen. Dat betekent dat het griffierecht voor het jaar 2015 op grond van artikel 8:41, eerste lid, onderdeel a, van de Awb in verbinding met artikel 2 van de tot de Awb behorende Regeling verlaagd griffierecht € 45 bedraagt. De Rechtbank heeft bij de mondelinge behandeling van het beroep, noch in de uitspraak en ook niet nadien (ambtshalve) een vermindering van het griffierecht verleend. Het Hof zal daarom doen wat de Rechtbank had behoren te doen en de griffier gelasten het teveel geheven griffierecht van € 122 aan belanghebbende terug te betalen.

Slotsom


Op grond van het onder 4.11 overwogene is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart op grond van een fout van de Rechtbank die de heffingsambtenaar niet heeft uitgelokt, bepaalt het Hof dat de griffier aan belanghebbende het bij het Hof betaalde griffierecht vergoedt.

Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken, zulks overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht. Gelet op de omstandigheid dat het hoger beroep enkel gegrond is omdat de Rechtbank een te hoog bedrag aan griffierecht heeft geheven, zal het Hof de voor vergoeding in aanmerking komende kosten op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht verminderen door een wegingsfactor van 0,25 toe te passen.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken aldus vast op € 247,50 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 0,25  € 495 (bedrag 2017)).

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover de Rechtbank daarin niet heeft gelast dat de griffier het van belanghebbende teveel geheven griffierecht van € 122 aan haar terugbetaalt,

– gelast dat de griffier aan belanghebbende het teveel geheven griffierecht van € 122 terugbetaalt,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 247,50, en

– gelast dat de griffier aan belanghebbende het bij het Hof betaalde griffierecht van € 124 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 5 december 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige

belastingkamer,

(E.D. Postema) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 december 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.