Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10937

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
200.184.563/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:453, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot herbegraving. Ouders van overleden vrouw hebben haar begrafenis verzorgd. De echtgenoot van de overleden vrouw zat op dat moment gedetineerd op verdenking van doodslag op de vrouw. Na zijn detentie – de verdenking bleek ongegrond- heeft hij tevergeefs getracht van de ouders toestemming te krijgen voor de herbegraving van zijn overleden vrouw op een andere begraafplaats. De rechtbank heeft de vordering van de man tot herbegraving afgewezen. Ook het hof wijst de vordering af.

De weigering van de ouders berust naar het oordeel van het hof niet op een onevenredige afweging van de daarbij betrokken belangen.

Evenmin is die weigering op andere gronden onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.184.563

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/141624/ HA ZA 15-124)

arrest van 12 december 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.H.A. van der Grinten,

tegen:

1 [geïntimeerde1] ,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerden,
in eerste aanleg: gedaagden,

hierna: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. R. Glas.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

8 juli 2015 en 23 december 2015 die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 19 januari 2016,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord,

- de schriftelijke pleidooien, waarbij door [appellant] nog één productie is overgelegd.

2.2

Na de schriftelijke pleidooien hebben partijen (aanvullend) de stukken gefourneerd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] in hoger beroep strekt tot vernietiging van het vonnis van 23 december 2015 en toewijzing van zijn (oorspronkelijke) vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de kosten van beide instanties, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.15 van het (bestreden) vonnis van 23 december 2015, nu tegen de vaststelling van die feiten geen grieven zijn gericht en het hof ook anderszins niet is gebleken van bezwaren daartegen. Aangevuld met enkele feiten waar in hoger beroep eveneens van kan worden uitgegaan, zijn de feiten als volgt.

3.2

[appellant] is in 2003 gehuwd met [C] (hierna verder te noemen: [C] ). [C] was de dochter van [geïntimeerde1] en zijn echtgenote, [geïntimeerde2] . [appellant] en [C] hebben in 2011 een zoon gekregen, [D] .

3.3

[In] 2014 is [C] overleden. Ten tijde van haar overlijden was [C] 35 weken zwanger van een meisje. Met het overlijden van [C] is ook dit (ongeboren) meisje, met de naam [E] overleden.

3.4

Op de dag van het overlijden van [C] heeft [appellant] zijn schoonvader [geïntimeerde1] , die emeritus-predikant is, gevraagd de kerkdienst ter gelegenheid van de uitvaartceremonie van [C] te leiden. [geïntimeerde1] heeft hiermee ingestemd.

3.5

[appellant] is op 23 juni 2014 omstreeks 16.30 uur op last van de officier van justitie aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de dood van [C] . Dezelfde dag, omstreeks 22.00 uur, is [appellant] weer heengezonden.

3.6

Op 24 juni 2014 heeft sectie plaatsgevonden op het lichaam van [C] . Naar aanleiding van de (voorlopige) bevindingen van de patholoog-anatoom is [appellant] dezelfde dag op last van de officier van justitie opnieuw aangehouden en vervolgens overgebracht naar de Penitentiaire Inrichting (PI) Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven.

3.7

Tijdens zijn voorlopige hechtenis in Norgerhaven , heeft [appellant] een handgeschreven verklaring opgesteld, gedateerd 5 juli 2014, die luidt als volgt:

"Geachte lezer, instantie,

Ik geef nadrukkelijk geen toestemming voor het begraven van mijn vrouw en ongeboren dochter (…). Mijn vrouw wilde graag op de begraafplaats in Noordlaren begraven worden en hoe dan ook expliciet niet op het Selwerderhof in Groningen , ook al ligt daar familie van haar. Mocht het niet mogelijk zijn mijn vrouw en dochter in Noordlaren (Drenthe) te begraven dan is een alternatief de begraafplaats aan de rand van Helpman waar ook oorlogsslachtoffers liggen."

Deze schriftelijke verklaring is als zodanig niet ter kennis gebracht aan [geïntimeerden] c.s.

3.8

Op 9 juli 2014 is de voorlopige hechtenis van [appellant] opgeheven en is hij op vrije voeten gesteld. In een op 11 juli 2014 beschikbaar gekomen rapport van de forensisch patholoog wordt over de doodsoorzaak van [C] vermeld dat “de bevindingen in zijn totaliteit zeer sterk [wijzen] in de richting van een dramatische complicatie van de zwangerschap dan wel een dramatisch verlopen ziekelijke afwijking tijdens de zwangerschap”.

3.9

Het stoffelijk overschot van [C] is op 2 juli 2014 vrijgegeven door het Openbaar Ministerie. [geïntimeerde1] heeft daarna opdracht gegeven tot de begrafenis van [C] en haar laten begraven in een dubbelgraf op begraafplaats Selwerderhof te Groningen, een begraafplaats in het noorden van de stad, waar ook al andere leden van de familie [geïntimeerde1] waren begraven. De begrafenis heeft op 11 juli 2014 plaats gevonden. [appellant] en zijn zoon [D] waren daarbij niet aanwezig.

3.10

Als opdrachtgever tot de begrafenis is [geïntimeerde1] rechthebbende op het graf waarin [C] (en haar (ongeboren) dochter [E] ) begraven liggen.

3.11

Na een eerste bezoek aan het graf van [C] heeft [appellant] (het recht op) twee dubbele graven op begraafplaats Esserveld te Groningen, gelegen aan de rand van de wijk Helpman, gereserveerd.

3.12

Op 8 augustus 2014 heeft [appellant] de burgemeester van Groningen verzocht op grond van de Wet op de lijkbezorging (Wlb) vergunning te verlenen voor het opgraven van (de stoffelijke resten van) [C] , teneinde haar te kunnen herbegraven op begraafplaats Esserveld te Groningen. Bij besluit van 4 november 2014 heeft de burgemeester dit verzoek afgewezen. In dit besluit heeft de burgemeester [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:

"De wet geeft mij geen mogelijkheden aan uw verzoek te voldoen. Ingevolge artikel 29, eerste lid van de Wet op de lijkbezorging, mogen resten van een overledene slechts worden opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin deze zijn begraven, en, indien het een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf. In dit geval is er sprake van een particulier graf waarvoor toestemming van de rechthebbende op dat graf is vereist om een vergunning voor opgraving te kunnen verlenen. Uw schoonvader de heer [geïntimeerde1] is de opdrachtgever geweest voor de uitvaart en daardoor rechthebbende van het graf geworden. Gezien de omstandigheden destijds is het grafrecht conform de wet aan uw schoonvader gegeven. Wettelijk gezien zijn er geen mogelijkheden dit weer terug te nemen en aan iemand anders te geven. Voor het verkrijgen van de door de wet vereiste toestemming hebben wij contact opgenomen met dhr. [geïntimeerde1] . Deze heeft daarbij nadrukkelijk aangegeven geen toestemming voor opgraving te willen geven. (….). Als gemeente kunnen wij in deze situatie helaas niets voor u betekenen. Het is in dergelijke gevallen aan de familie van de overledene om hier in onderling overleg goed uit te komen. Lukt dat niet dan is de gang naar de burgerlijke rechter de enige mogelijkheid die u dan rest."

3.13

Bij brief van 16 december 2014 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 november 2014 van de burgemeester van Groningen. Op verzoek van [appellant] heeft de burgemeester de behandeling van dit bezwaarschrift voor onbepaalde tijd aangehouden, in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure.

3.14

In de periode van medio december 2014 tot eind februari 2015 heeft [appellant] aan [geïntimeerde1] een aantal malen verzocht om toestemming te verlenen voor het opgraven van (het stoffelijk overschot van) [C] , teneinde haar te kunnen herbegraven op begraafplaats Esserveld. [geïntimeerde1] heeft deze verzoeken telkens afgewezen.

3.15

Bij brief van 1 april 2015 heeft het Openbaar Ministerie aan (de raadsman van) [appellant] laten weten dat de strafzaak tegen [appellant] zal worden geseponeerd, aangezien [appellant] achteraf ten onrechte als verdachte van doodslag van [C] is aangemerkt.

3.16

Bij brief van 17 april 2015 heeft [geïntimeerde1] aan [appellant] laten weten dat de beslissing van het Openbaar Ministerie voor hem geen aanleiding vormt om zijn standpunt over het opgraven van (de stoffelijke resten van) [C] te herzien.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] opdraagt hem binnen 14 dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis schriftelijk en ondubbelzinnig toestemming als bedoeld in artikel 29 lid 1 Wlb te verlenen ten behoeve van de herbegraving van [C] met [E] ;
II. bepaalt dat het in deze zaak te wijzen vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot verlening van de onder I. gevorderde toestemming indien [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] de gevorderde toestemming niet binnen de hun bij vonnis opgedragen termijn hebben verleend;
III. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te veroordelen in de volledige kosten van het geding ex artikel 1019h Rv, daaronder begrepen de volledige kosten van juridische bijstand, alsmede de nakosten.

4.2

[appellant] heeft aan die vorderingen ten grondslag gelegd dat [geïntimeerden] c.s. misbruik van bevoegdheid maken (artikel 3:13 BW), dan wel anderszins onrechtmatig handelen (artikel 6:162 BW), door in hun hoedanigheid van rechthebbende op het graf van [C] vast te houden aan hun weigering om mee te werken aan de opgraving van het stoffelijk overschot van [C] en [E] .

4.3

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis (onder meer) overwogen dat hetgeen [appellant] ter onderbouwing van zijn vorderingen heeft gesteld op zichzelf nog geen grond kan opleveren voor het oordeel dat [geïntimeerden] c.s. misbruik maken van hun bevoegdheid om geen toestemming te geven voor het opgraven van het stoffelijk overschot van [C] (en [E] ) en dat evenmin is gebleken dat die weigering anderszins onrechtmatig zou zijn. Vervolgens zijn de vorderingen van [appellant] afgewezen.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellant] is tegen het bestreden vonnis opgekomen onder aanvoering van 10 grieven (genummerd 1 tot en met 10). De grieven bestrijden vanuit verschillende invalshoeken het oordeel van de rechtbank dat de weigering van [geïntimeerden] c.s. om hun medewerking te verlenen aan opgraving van het stoffelijk overschot van [C] (en [E] ), geen misbruik van bevoegdheid oplevert en evenmin anderszins onrechtmatig is.

De grieven beogen dat geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

5.2

Centraal in deze, voor alle betrokkenen emotionele en pijnlijke, zaak staat de vraag of [geïntimeerden] c.s., en meer in het bijzonder [geïntimeerde1] als rechthebbende op het graf, verplicht dienen te worden om hun medewerking te verlenen aan het opgraven van het stoffelijk overschot van [C] (en haar ongeboren dochter), opdat haar stoffelijk overschot op een andere begraafplaats - de begraafplaats in Noordlaren of als dan niet mogelijk blijkt de begraafplaats Esserveld te Groningen -, kan worden herbegraven.

5.3

Artikel 29, lid 1, van de Wet op de lijkbezorging (hierna: Wlb) bepaalt: “Een lijk wordt slechts opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het is begraven, en, indien het een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf.”

5.4

Bij de beoordeling van de vraag of [geïntimeerden] c.s., als rechthebbende op het graf, hun toestemming dienen te geven voor het opgraven van het stoffelijk overschot van [C] geldt het volgende beoordelingskader.

Voorop staat dat het [geïntimeerden] c.s. in beginsel vrij staat om naar eigen inzicht hun toestemming wel of niet te geven. De bevoegdheid om die toestemming te weigeren kan echter worden misbruikt in geval van onevenredigheid tussen het belang van [geïntimeerden] c.s. bij die weigering en het belang dat door die weigering wordt geschaad (art. 3:13 BW).

Gelet op de omstandigheid dat het hier gaat om de uitoefening van een bevoegdheid die het stoffelijk overschot betreft van een overleden persoon, wordt die belangenafweging in de eerste plaats bepaald door het respect voor de overledene en het uit artikel 29 van de Wlb blijkende algemene belang dat het stoffelijke overschot dat is begraven met rust wordt gelaten en niet onnodig wordt opgegraven. Bovendien kan het openen van een graf en het opgraven van het stoffelijk overschot van een familielid zeer ingrijpend zijn voor nabestaanden. Dat brengt mee dat slechts in uitzonderlijke gevallen de weigering van een rechthebbende op het graf om toestemming te verlenen voor opgraving van het stoffelijk overschot misbruik van recht zal opleveren, zoals het bestaan van een zwaarwegend belang dat noodzaakt tot opgraving (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BO2416).

Ook de rechtbank en partijen zijn van dit kader uitgegaan.

5.5

[appellant] heeft als belang voor het opgraven van het stoffelijk overschot van [C] samengevat en in de kern het volgende aangevoerd.
Volgens de Wlb dient lijkbezorging plaats te vinden aan de hand van de wens of de vermoedelijke wens van de overledene (art. 18 Wlb). De wens dan wel vermoedelijke wens van [C] was om begraven te worden op de begraafplaats in Noordlaren, althans op een begraafplaats die wat sfeer en uitstraling betreft daarmee overeenkomt, zoals begraafplaats Esserveld te Groningen. Begraafplaats Selwerderhof heeft die sfeer en uitstraling niet; het is een grote, drukbezochte begraafplaats langs de ringweg in Groningen.

Het strookt met het respect voor [C] om haar te laten herbegraven op een begraafplaats die wel overeenkomt met haar (vermoedelijke) wens. Zij zou (vermoedelijk) ook gewild hebben dat zij zou worden begaven op een plek waar zij door [appellant] en [D] met een vredig gevoel zou kunnen worden bezocht en herdacht, en dat zowel [appellant] als [D] naast haar begraven zouden kunnen worden. Op Selwerderhof is dit niet mogelijk. Bovendien wordt [appellant] door de keus van [geïntimeerden] c.s. voor die begraafplaats gedwongen te kiezen voor een graf dat niet overeenstemt met zijn wens omtrent het karakter daarvan, nu hij naast [C] en hun dochter begraven wil worden.

Een herbegraving biedt [appellant] en [D] tevens de mogelijkheid om een uitvaartceremonie ter nagedachtenis van [C] te laten plaatsvinden. Ook dat is in overeenstemming met haar (vermoedelijke) wens, nu [appellant] en [D] geheel buiten haar begrafenis op Selwerderhof zijn gehouden. [geïntimeerden] c.s. hebben [C] echter op Selwerderhof laten begraven ondanks een verbod daartoe van [appellant] en zijn mededeling dat als [C] daar toch mocht worden begraven hij haar zou laten herbegraven.

Uit het regime van de Wlb volgt dat de (vermoedelijke) wens van de overledene het zwaarst te wegen belang is en dat de echtgenoot van de overledene geacht kan worden die wensen het beste te kennen.
Deze omstandigheden bij elkaar genomen vormen een zwaarwegend belang voor herbegraving van [C] , aldus [appellant] .

5.6

Volgens [appellant] is het herbegraven van het stoffelijk overschot van [C] ook niet in strijd met het belang van grafrust. In zijn visie is van grafrust geen sprake zolang [C] niet is begraven op een begraafplaats die overeenkomt met haar (vermoedelijke) wens. Voor zover niettemin toch van grafrust kan worden gesproken geldt bovendien dat haar graf toch nog geopend zal dienen te worden om de lichaamsdelen bij te kunnen plaatsen waar het NFI nog over beschikt. Ook zal het opgraven van het stoffelijk overschot op een zorgvuldige en prudente wijze door een daarin gespecialiseerd bedrijf geschieden.
Door desondanks hun toestemming te weigeren voor het opgraven van het lichaam van [C] maken [geïntimeerden] c.s. misbruik van hun bevoegdheid en handelen zij (anderszins) onrechtmatig, aldus [appellant] .

5.7

Het hof overweegt dat, anders dan [appellant] kennelijk van opvatting is, het (wettelijk) voorschrift dat lijkbezorging dient te geschieden overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden (art. 18 lid 1 Wlb), niet (geheel) samenvalt met het respect voor de overledene die betracht dient te worden als het gaat om de vraag of het stoffelijk overschot van een reeds begraven overledene opgegraven dient te worden.
Een belangrijk verschil tussen de beide momenten is dat op het tweede moment de lijkbezorging reeds heeft plaatsgevonden. Het respect voor de overledene dient daarmee niet (alleen) te worden beoordeeld vanuit het perspectief wat de overledene (vermoedelijk) zou hebben gewild voordat de begraving (of crematieceremonie) heeft plaatsgevonden, maar (ook) vanuit het perspectief wat deze (vermoedelijk) zou hebben gewild uitgaande van de situatie dat de begraving reeds heeft plaatsgevonden. Toegesneden op de onderhavige situatie: zou [C] (vermoedelijk) ook hebben gewild dat zij zou worden herbegraven op de begraafplaats in Noordlaren dan wel de begraafplaats Esserveld te Groningen nadat haar overschot reeds was bijgezet op de begraafplaats Selwerderhof.

5.8

De stellingen van [appellant] zijn niet op deze afweging toegespitst; zij missen het perspectief van wat [C] (vermoedelijk) zou hebben gewild uitgaande van de situatie dat zij reeds op Selwerderhof ligt begraven. Voor zover ervan dient te worden uitgegaan dat in de stellingen van [appellant] besloten ligt dat het dan de (vermoedelijke) wens van [C] zou zijn geweest om te worden herbegraven, kan [appellant] daarin niet gevolgd worden. [geïntimeerden] c.s. hebben onweersproken aangevoerd dat [C] een christelijke geloofsovertuiging had, dat zij overeenkomstig die overtuiging is begraven (“in de handen van God als haar Schepper [is] gelegd”) en dat [C] volgens haar geloofsovertuiging niet nogmaals “in de handen van haar Schepper [kan] worden gelegd”.

[appellant] heeft daarmee niet voldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat herbegraving overeenstemt met de (vermoedelijke) wens van [C] . Daarmee is eveneens niet voldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat herbegraving strookt met het respect voor de overledene.

5.9

Hier komt bij dat het opgraven van het stoffelijk overschot van [C] inbreuk maakt op de grafrust. Anders dan kennelijk [appellant] meent, dient onder grafrust niet te worden verstaan de rust die bestaat doordat de overledene is begraven op de plek van haar voorkeur, maar dat het graf waarin de overledene is begraven zoveel mogelijk met rust gelaten dient te worden. Het opgraven van het stoffelijk overschot van [C] maakt daarop inbreuk. Daar doet niet aan af dat een opgraving en herbegraving zorgvuldig en prudent zullen worden uitgevoerd.
Dat, zoals [appellant] heeft aangevoerd, ook zonder herbegraven, de kist van [C] nog geopend zou moeten worden om lichaamsdelen van haar bij te plaatsen, is vanuit een oogpunt van grafrust van een andere orde dan dat haar stoffelijk lichaam opgegraven zou moeten worden. Dat geldt temeer nu [appellant] niet heeft weersproken dat het bij het bijplaatsen alleen gaat om biopten die zijn gebruikt voor het forensisch onderzoek.

5.10

Behalve het algemene belang dat grafrust geëerbiedigd dient te worden tenzij een zwaarwegend belang tot opgraving noodzaakt, komt hier bij dat [geïntimeerden] c.s. (onweersproken) hebben aangevoerd dat hun geloofsovertuiging zich verzet tegen herbegraving. Alleen al daarmee staat genoegzaam vast dat het opgraven van het stoffelijk overschot van [C] en haar (ongeboren) dochter erg ingrijpend zou zijn voor [geïntimeerden] c.s.

Ook dat belang dient meegewogen te worden.

5.11

De omstandigheid dat [appellant] door de begraving van [C] op Selwerderhof zou worden gedwongen tot een door hem ongewenste grafkeus, vormt niet een (zelfstandig) belang waaraan in deze zaak doorslaggevend gewicht toekomt; het heeft niet direct betrekking op de (vermoedelijke) wil van [C] . Daar komt bij dat, gelet op de (nog betrekkelijk) jonge leeftijd van [appellant] , ongewis is wat zijn uiteindelijke wens zal zijn omtrent de plek waar hij begraven zou willen worden.

5.12

Het vorenstaande wegend is het hof niet van oordeel dat de weigering van [geïntimeerden] c.s. om toestemming te verlenen voor het opgraven van het stoffelijk overschot van [C] (en haar ongeboren dochter) berust op een onevenredige afweging van de daarbij betrokken belangen, zodat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid. In de stellingen van [appellant] komt onvoldoende tot uitdrukking dat het ook de (vermoedelijke) wens van [C] zou zijn geweest om te worden herbegraven, terwijl daarnaast het algemene belang en ook het belang van [geïntimeerden] c.s. zijn gediend met het respecteren van de grafrust.

5.13

[appellant] heeft verder geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de weigering op andere gronden onrechtmatig zou zijn.

Zijn, door [geïntimeerden] c.s. betwiste, stelling dat hij voorafgaand aan de begrafenis [geïntimeerden] c.s. zou hebben verboden om [C] op Selwerderhof te begraven, ziet niet op het respect voor de overledene in het kader van een beoordeling van de thans voorliggende vraag of het stoffelijk overschot ook herbegraven zou moeten worden. Daarmee komt aan die stelling geen doorslaggevend gewicht toe.

Bovendien kwam, als opdrachtgevers van de begrafenis, de bevoegdheid om de plaats van begrafenis te bepalen toe aan [geïntimeerden] c.s. en niet aan [appellant] . Dat [appellant] als gevolg van zijn detentie zelf niet in staat was om de opdracht tot die begrafenis te geven maakt, hoe schrijnend die situatie op zichzelf ook was, dat niet anders.
heeft in dit verband overigens niet weersproken dat [geïntimeerden] c.s. pas voor Selwerderhof hebben gekozen nadat zij eerst hadden onderzocht of begraven op de begraafplaats Noordlaren ook mogelijk was. Dat bleek echter niet mogelijk omdat daar alleen inwoners van de betreffende gemeente begraven kunnen worden. Ook heeft [appellant] niet weersproken dat [geïntimeerden] c.s. daarna nog hebben onderzocht of [C] zou kunnen worden begraven op de Zuiderbegraafplaats in de wijk Helpman te Groningen. Ook dat bleek echter niet het geval, omdat daar alleen nog kan worden bijgezet in familiegraven, terwijl daarnaast die begraafplaats op [geïntimeerden] c.s. een vervallen, trieste indruk maakte.
[appellant] heeft verder niet aangevoerd dat hij aan [geïntimeerden] c.s. (tijdig) kenbaar heeft gemaakt dat hij wenste dat [C] en haar (ongeboren) dochter op Esserveld begraven zouden worden.

5.14

[appellant] heeft verder nog aangevoerd dat de begrafenis mogelijk uitgesteld had kunnen worden, zodat hij daar dan meer bij betrokken had kunnen worden, maar ook die stelling maakt de beoordeling niet anders. Ook die stelling ziet niet op het respect voor de overledene in het kader van een beoordeling van de vraag of het stoffelijk overschot herbegraven zou moeten worden, zodat daaraan evenmin doorslaggevend gewicht kan worden toegekend.

Bovendien geldt ook voor die stelling dat aan [geïntimeerden] c.s. als opdrachtgevers van de begrafenis de bevoegdheid toekwam om het tijdstip van de begrafenis te bepalen. In dat verband wordt nog opgemerkt dat het stoffelijk overschot van [C] al op 2 juli 2014 was vrijgegeven en dat [appellant] niet (gemotiveerd) heeft weersproken dat inmiddels haar stoffelijk overschot in een zodanig slechte staat verkeerde dat het begraven daarvan niet langer kon worden uitgesteld.

5.15

Aldus komt het hof tot de slotsom dat ook in hoger beroep de vorderingen van [appellant] niet toegewezen dienen te worden.

Het is wrang dat de aanhouding van [appellant] en de onterecht gebleken verdenking dat hij de dood van [C] zou hebben bewerkstelligd, een voor alle nabestaanden passend en waardig afscheid van [C] heeft doorkruist en dat dit hun verhouding tot elkaar zwaar (heeft) belast. Partijen, als naaste nabestaanden van [C] , zullen moeten trachten daar een weg in te vinden. Een herbegraving van het stoffelijk overschot [C] (en haar ongeboren dochter) is daarvoor echter niet een geëigende oplossing.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. zullen worden vastgesteld op € 314,- aan verschotten (griffierecht) en € 1.788,- aan salaris advocaat

(2 punten x tarief II).

6.2

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

23 december 2015;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. vastgesteld op € 314,- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,--, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. O.E. Mulder en mr. A.G.J. van Wassenaer van Catwijck en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 december 2017.