Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10851

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
11-12-2017
Zaaknummer
21-000288-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Zaak van de “basketbalcoach” Mijdrecht, verdachte van ontucht. Het hof wijst een tussenarrest dat verdachte wordt opgenomen in het Pieter Baan Centrum voor nader onderzoek naar zijn psychische gesteldheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000288-17

Uitspraak d.d.: 5 december 2017

TEGENSPRAAK

Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 6 januari 2017 met parketnummer 16-705278-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

thans verblijvende in [detentie] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 november 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.W.H. Peters, naar voren is gebracht.

Procesverloop en verzoeken

De raadsman van verdachte heeft bij schriftuur van 27 februari 2017 een tweetal onderzoekswensen ingediend, te weten het ter terechtzitting horen van psychiater

R.J.H. Winter en rechtspsycholoog J. van der Sleen. Deze onderzoekswensen zijn per

e-mailbericht van 9 mei 2017 nader onderbouwd. Op 24 mei 2017 heeft de raadsman de onderzoekswens met betrekking het horen van rechtspsycholoog J. van der Sleen ingetrokken. Op 11 oktober 2017 heeft de raadsman met betrekking tot verdachte twee gedragskundige rapportages van psychiaters R.J.H. Winter en G.H.E. van Hoecke aan het hof doen toekomen.

Het verzoek van de raadsman tot het horen van psychiater R.J.H. Winter is ter terechtzitting van het hof van 21 november 2017 besproken.

De raadsman heeft op deze zitting aan de hand van een pleitnota aanvullend verzocht alle gedragsdeskundigen ter terechtzitting te horen over de door hen over verdachte uitgebrachte rapportages.

Het gaat om de volgende gedragsdeskundigen:

 M.D. Beijer-Holtman, GZ-psycholoog en/of E.J. Muller, klinisch-psycholoog;

 drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater;

 R.J.H. Winter, psychiater, en

 G.H.E. van Hoecke, psychiater.

De raadsman heeft aangevoerd dat, in het kader van de oordeelsvorming omtrent een aan verdachte op te leggen behandeling, al dan niet in de vorm van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, het van belang is dat deze gedragsdeskundigen hun bevindingen nader toelichten aan het hof. Een nadere onderzoek met daarbij klinische observatie is niet nodig gelet op de rapportage die al aanwezig is.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht het ter terechtzitting horen van de door de raadsman verzochte gedragsdeskundigen prematuur. Zij heeft in plaats daarvan gevorderd dat verdachte multidisciplinair wordt onderzocht in het Pieter Baan Centrum, met daarbij een klinische observatie en een milieuonderzoek. De advocaat-generaal heeft hierbij onder meer gewezen op de vele, ernstige feiten die aan verdachte ten laste zijn gelegd, en op de omstandigheid dat de aard van het recidiverisico bij de huidige stand van het dossier nog niet met voldoende mate van zekerheid kan worden onderbouwd. De advocaat-generaal heeft daarnaast gevorderd dat, afhankelijk van de bevindingen en uitkomsten van dit onderzoek, daaropvolgend aanvullend een rapportage door de reclassering wordt uitgebracht.

Overwegingen

Tijdens de beraadslaging in raadkamer is gebleken dat nader onderzoek nodig is, aangezien bij het hof onvoldoende inzicht bestaat in de persoon van verdachte en zijn psychische gesteldheid, ook ten tijde van de tenlastegelegde feiten.

Het hof acht het om die reden wenselijk dat naar de persoon van verdachte een multidisciplinair onderzoek wordt verricht, met daarbij een klinische observatie en een milieuonderzoek, en dat hierover gerapporteerd wordt.

Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat dit nadere onderzoek

meerwaarde heeft. Hierbij overweegt het hof dat het, als het komt tot een bewezenverklaring van één of meer tenlastegelegde feiten, zal moeten beraadslagen over de strafbaarheid van verdachte en over de oplegging van een straf en/of maatregel. Ten behoeve van die beraadslaging beschikt het hof, gelet op de inhoud van de verschillende rapporten en de op onderdelen uiteenlopende conclusies en adviezen van de gedragsdeskundigen, op dit moment over onvoldoende informatie. Ten opzichte van de reeds uitgevoerde onderzoeken heeft een onderzoek door het Pieter Baan Centrum meerwaarde doordat ook een milieuonderzoek wordt uitgevoerd en sprake is van langdurige observatie van verdachte.

Het hof zal om voorgaande reden de stukken in handen stellen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof, met het verzoek zorg te dragen voor het doen onderzoeken van verdachte in het Pieter Baan Centrum. Ter zitting van het hof is door de raadsman te kennen gegeven dat verdachte zal meewerken aan dit onderzoek.

Het hof laat hierbij de mogelijkheid aan de raadsheer-commissaris om, afhankelijk van de resultaten van voormeld onderzoek, een daaropvolgend nader onderzoek naar verdachte te gelasten in de vorm van een door de reclassering op te stellen maatregelrapport.

Het vorenstaande houdt in dat het hof het verzoek van de raadsman tot het ter terechtzitting horen van de gedragsdeskundigen niet toewijst. Het hof acht dit, gelet op het nog te verrichten nadere onderzoek, op dit moment niet noodzakelijk.

Om de klemmende redenen dat het zittingsrooster van het hof een eerdere behandeling van de zaak niet toelaat en de onderzoekshandelingen naar verwachting niet binnen een maand zullen zijn voltooid, zal het onderzoek langer dan een maand, maar niet langer dan drie maanden worden geschorst.

BESLISSING

Het hof:

Verzoekt de raadsheer-commissaris zorg te dragen voor opname van verdachte in het Pieter Baan Centrum met voormeld doel, waarbij het hof de mogelijkheid aan de raadsheer-commissaris laat een eventueel daaropvolgend nader onderzoek naar verdachte te gelasten in de vorm van een door de reclassering op te stellen maatregelrapport.

Stelt daartoe de stukken in handen van de raadsheer-commissaris.

Houdt de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aan, voor langer dan een maand, doch korter dan drie maanden, om de klemmende redenen dat het zittingsrooster van het hof een eerdere behandeling van de zaak niet toelaat en de onderzoekshandelingen naar verwachting niet binnen een maand zullen zijn voltooid.

Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting.

Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van verdachte, alsmede aan de benadeelde partijen en de raadsvrouw.

Aldus gewezen door

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. A.H. Garos en mr. J.D. den Hartog, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.S. Helmus, griffier,

en op 5 december 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 5 december 2017.

Tegenwoordig:

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. C.C.M. Poland, advocaat-generaal,

mr. D. Mientjes, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het tussenarrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.