Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10770

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-12-2017
Datum publicatie
07-12-2017
Zaaknummer
200.218.573/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak, Wwz. Ernstig duurzaam verstoorde arbeidsverhouding tussen leerkracht op een school en de bovenschoolse directeur. Geen voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Herplaatsing ligt niet in de rede nu leerkracht ook op andere locaties van de school met deze directeur te maken zal krijgen. School is geen billijke vergoeding verschuldigd nu de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de school. Hof is niet gebonden aan de uitspraak van de klachtencommissie voor het bijzonder onderwijs omdat het hof een eigen beoordeling aanlegt of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de zijde van de school.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1470
AR 2017/6451
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.218.573/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Zwolle, 5616705)

beschikking van 4 december 2017

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerster, tevens verzoekster in het voorwaardelijke tegenverzoek,

hierna: [verzoekster] ,

advocaat: mr. H.J. Brouwer,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Vereniging voor Protestants Christelijk Onderwijs te Hasselt,

gevestigd te Hasselt,

verweerster in hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoekster, tevens verweerster in het voorwaardelijke tegenverzoek,

hierna: VPCO,

advocaat: mr. J.S.C. Liebrand-Bos.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van
31 maart 2017 die de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle verder: de kantonrechter - heeft gegeven.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, binnengekomen bij de griffie van het hof op 29 juni 2017;
- het verweerschrift van VPCO met producties;

- de van de zijde van [verzoekster] op 26 oktober 2017 ontvangen producties 11 tot en met 15, de op 27 oktober 2017 ontvangen productie 16 en de op 31 oktober 2017 ontvangen productie 17;

- de van de zijde van VPCO op 27 oktober 2017 ontvangen producties 15 tot en met 21;

- de mondelinge behandeling op 3 november 2017 waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op
18 december 2017 of zoveel eerder als mogelijk is.

2.3

[verzoekster] heeft in hoger beroep het hof verzocht om de beschikking van 31 maart 2017 te vernietigen en opnieuw rechtdoende uitvoerbaar bij voorraad te beschikken en VPCO te veroordelen om binnen twee dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking:

1. Dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] met VPCO niet wordt ontbonden en derhalve dat de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2017 voortduurt;

2. Subsidiair: dat wanneer de door de Rechtbank Overijssel uitgesproken ontbinding in stand blijft, [verzoekster] naast de wettelijk verschuldigde transitievergoeding in aanmerking komt voor een billijke vergoeding ex 7:671b lid 8 sub c BW ten laste van VPCO ten bedrage van

€ 50.000,-;

3. VPCO te veroordelen in de proceskosten van dit geding en het geding in eerste aanleg.

3 De feiten

3.1

In hoger beroep staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast.

3.2

VPCO is een vereniging die primair onderwijs aanbiedt op vier verschillende schoollocaties in (de omgeving van) Hasselt. Met ingang van 1 september 2011 is de heer [B] (hierna: [B] ) door het bestuur van de vereniging als algemeen bovenschools directeur over de vier scholen aangesteld. Daarnaast heeft elke school een eigen schooldirecteur. Op dit moment is dat voor de CBS Prins Willem Alexanderschool (hierna aangeduid als ‘Prins Willem Alexanderschool’ of kortweg ‘de school’) de heer [C] (hierna: [C] ).

3.3

[verzoekster] , geboren [in] 1975, is [in] 1996 bij VPCO in dienst getreden als groepsleerkracht tegen een salaris van laatstelijk € 2.421,73 per maand, exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering, bij een deeltijdfactor van 69,55%. [verzoekster] is tot op heden voornamelijk werkzaam geweest in de onderbouw van de Prins Willem Alexanderschool.

3.4

Op 20 maart 2014 heeft [verzoekster] een e-mailbericht gestuurd naar twee bestuursleden van VPCO, waarin zij zich in negatieve bewoordingen uitlaat over [B] (productie 7 bij verzoekschrift in eerste aanleg). In verband hiermee heeft [verzoekster] op 28 mei 2014 van het bestuur een besluit tot berisping ontvangen. Dit betreft een disciplinaire maatregel als bedoeld in artikel 3.17 cao PO (collectieve arbeidsovereenkomst primair onderwijs).

3.5

In het rapport van de onderwijsinspectie van 17 november 2015 wordt de school als ‘zwak’ beoordeeld (productie 11 bij verzoekschrift in eerste aanleg). Tussen schoolleiding en inspectie is overeengekomen dat reeds in juni 2016 een herbeoordeling zal plaatsvinden. Binnen deze relatief korte periode moeten de bevindingen die tot het oordeel ‘zwak’ hebben geleid, worden verbeterd. Onder het kopje ‘belangrijkste bevindingen’ vermeldt het rapport:

- De eindopbrengsten van 2013, 2014 en 2015 (…) zijn van onvoldoende niveau. (…)

- In de kleutergroepen dient geborgd te worden dat alle (tussen)doelen planmatig aan bod komen;

- de school heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt: (…).

3.6

Met een bezoek aan de school heeft de schoolinspecteur op 19 november 2015 de uitslag van het rapport van de inspectie aan de leerkrachten van de school meegedeeld. In verband daarmee was ook [B] die dag op de school aanwezig.

3.7

Op 3 december 2015 schrijft [verzoekster] een e-mail met daarbij een brief aan [B] (productie 13 bij verzoekschrift in eerste aanleg). De brief is mede ondertekend door haar collega [D] . Het bestuur heeft deze brief nadien aangemerkt en behandeld als een klacht van [verzoekster] . In deze brief schrijft [verzoekster] onder meer:

Op 19 november 2015 hadden wij na afloop van de toelichting van de inspecteur van onderwijs, een gesprek.

Dit gesprek is als erg intimiderend ervaren. De toon en inhoud van uw woorden gaan in onze beleving alle grenzen te buiten en passen niet in een professionele werkomgeving (…)

U rekende het ons persoonlijk aan, dat de Inspecteur onze school als zwak heeft beoordeeld. (…)

Ook de manier waarop u het lokaal van mevrouw [verzoekster] binnen kwam, waarbij u meteen op boze toon vroeg of mevrouw [verzoekster] zich niet schaamde voor het feit dat we als school zwak zijn beoordeeld was erg intimiderend. Hierop gaf mevrouw [verzoekster] aan dat ze de heer [C] bij het gesprek wilde hebben. Vervolgens greep u mevrouw [verzoekster] bij de bovenarmen beet en sprak de woorden “Nu doen we het op mijn manier”.

3.8

Op 17 december 2015 vindt naar aanleiding van deze brief een gesprek plaats tussen [verzoekster] en haar gemachtigde en twee afgevaardigden van het schoolbestuur (bestuurslid de heer [E] , bijgestaan door mr. Boellaard-Hovius). [verzoekster] verklaart dan zelf dat het incident plaatsvond toen zij alleen met [B] in haar lokaal was. Het bestuur gaat vervolgens over tot nader onderzoek naar aanleiding van de klacht van [verzoekster] . Bij brief van 20 april 2016 schrijft het bestuur onder meer:

Nu sprake is van uiteenlopende verklaringen en er geen getuigen zijn geweest van het door u weergegeven incident, ziet het bestuur geen grond om over te gaan tot het nemen van nadere maatregelen.

3.9

Op 10 maart 2016 vindt op de school een teamoverleg plaats met de leerkrachten. Tijdens dat overleg uit [verzoekster] kritiek op de aan de school toegewezen intern begeleider. Het optreden van [verzoekster] tijdens dit overleg is aanleiding voor een gesprek op 4 april 2016 met [C] en [F] (de HR adviseur).

3.10

Op 22 april 2016 schrijft Boellaard-Hovius namens het schoolbestuur aan de gemachtigde van [verzoekster] een uitgebreide brief die eindigt met:

De signalen over gevoelens van onveiligheid en de achterdocht die daarmee gepaard gaat maken duidelijk dat mevrouw [verzoekster] niet bij machte is haar functioneren in het verbetertraject of haar verdere rol in de school te scheiden van de escalatie op 17 november 2015 en het feit dat ook toen de kwestie rond de berisping opnieuw een rol heeft gespeeld.

Dit blijkt ook door haar gedrag in het kader van de voorbereiding van het bezoek van de inspecteur maar ook door haar gedrag in het team. Het team van de Prins Willem Alexanderschool is een klein team dat wordt gehinderd door de wijze waarop mevrouw [verzoekster] in het team functioneert. Tijdens de meest recente teamvergadering neemt mevrouw [verzoekster] volstrekt geen deel aan het overleg in het team en neemt zij een houding aan waaruit blijkt dat het hele teamoverleg haar tegen staat. Gebleken is dat de overige teamleden last hebben van dit onprofessionele gedrag.

Op grond daarvan concludeert het bestuur dat van een functionele samenwerking geen sprake kan zijn en feitelijk sprake is van een onwerkbare situatie waarbij op ieder moment opnieuw sprake kan zijn van een nieuwe escalatie.

3.11

Bij brief van 27 april 2016 schrijft Boellaard-Hovius in een brief aan [verzoekster] dat aan haar aansluitend op de mei-vakantie, derhalve met ingang van 9 mei 2016, een time-out wordt verleend:

Deze time-out brengt met zich mee dat het u tot nader orde niet is toegestaan de school/schoolplein te bezoeken of contact op te nemen met de teamleden, inclusief de directeur van de Prins Willem Alexanderschool. Omdat de time-out wordt verleend in opdracht van het schoolbestuur, is van ongeoorloofde afwezigheid geen sprake en zal uw salaris worden doorbetaald alsof u daadwerkelijk uw werkzaamheden verricht.

3.12

Op 27 juni 2016 vindt de herbeoordeling van de Onderwijsinspectie plaats en scoort de school voldoende, zodat de beoordeling ‘zwak’ komt te vervallen.

3.13

In het najaar van 2016 vinden er gesprekken plaats onder leiding van een mediator. Deze gesprekken hebben niet geleid tot een oplossing van het geschil tussen [verzoekster] en de schoolleiding.

3.14

Bij brief van 17 november 2016 heeft (de gemachtigde van) [verzoekster] haar klacht met betrekking tot het voorval op donderdag 19 november 2015 voorgelegd aan de Landelijke Klachtencommissie voor het bijzonder onderwijs in Den Haag.

3.15

Deze commissie heeft de klacht van [verzoekster] op 24 oktober 2017 grotendeels gegrond verklaard (productie XVII bij brief zijdens [verzoekster] van 30 oktober 2017).

4 De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

VPCO heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden, primair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW dan wel subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW, zonder toekenning van een transitievergoeding of een billijke vergoeding.

4.2

[verzoekster] heeft verweer gevoerd en zich primair op het standpunt gesteld dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Subsidiair, in geval van toewijzing van de ontbinding, heeft zij aanspraak gemaakt op de transitievergoeding en verzocht om een billijke vergoeding van € 50.000,- wegens ernstig verwijtbaar handelen door VPCO.

4.3

De kantonrechter heeft overwogen dat geen opzegverbod gold, geoordeeld dat de gedragingen van [verzoekster] niet een ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen in de zin van de e-grond rechtvaardigen, maar dat er wel sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van VPCO in redelijkheid niet gevergd kan worden dat het dienstverband met [verzoekster] nog langer wordt voortgezet. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst daarom op de g-grond ontbonden met ingang van 1 mei 2017 en het verzoek van VPCO in zoverre toegewezen. De kantonrechter heeft verder bepaald dat aan [verzoekster] een transitievergoeding toekomt van € 23.725,06 bruto en VPCO veroordeeld tot betaling van dit bedrag. Voor toekenning van een billijke vergoeding heeft de kantonrechter geen aanleiding gezien. Ten slotte heeft de kantonrechter de proceskosten aldus gecompenseerd dat ieder van partijen haar eigen kosten draagt.

5 De beoordeling in het hoger beroep

5.1

Onder aanvoering van de volgende drie grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, is [verzoekster] tegen het oordeel van de kantonrechter in hoger beroep gekomen.

Grief 1: De rechtbank heeft terecht een ernstig verstoorde arbeidsverhouding geconstateerd, maar heeft ten onrechte aangenomen dat deze verstoring duurzaam is.

Grief 2: Zo de arbeidsverhouding onherstelbaar verstoord is, dan is dat volledig aan VPCO als werkgever te wijten. VPCO heeft ernstig verwijtbaar gehandeld. De rechtbank heeft dit niet, dan wel onvoldoende, onderkend.

Grief 3: De rechtbank heeft niet onderkend dat [verzoekster] een billijke vergoeding ex artikel 7:671b lid 8 BW toekomt.

5.2

VPCO heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [verzoekster] niet-ontvankelijk is in haar verzoeken, omdat op grond van artikel 7:683 lid 3 BW in hoger beroep alleen kan worden verzocht om herstel van de arbeidsovereenkomst of tot het toekennen van een billijke vergoeding.

Juist is dat het hof de beslissing van de kantonrechter tot ontbinding niet kan vernietigen, zoals [verzoekster] heeft verzocht. Het hof zal het vervolgens primair gedane verzoek van [verzoekster] (zoals weergegeven in rov. 2.3) echter lezen als een verzoek tot herstel, nu die bedoeling blijkt uit de toelichting op grief 1 (bijvoorbeeld in randnummer 30), waarin [verzoekster] heeft gesteld dat zij van mening is dat de verhoudingen vanwege de opstelling van VPCO ernstig zijn verstoord maar dat deze verstoring niet onherstelbaar is. VPCO heeft deze bedoeling ook begrepen, gelet op haar verweerschrift in hoger beroep (bijvoorbeeld in de randnummers 59 en 64 tot en met 82). Het subsidiaire verzoek (indien terecht is ontbonden, naast de wettelijke transitievergoeding toekenning van een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van VPCO) is helder geformuleerd en niet voor misverstand vatbaar.

Het beroep van VPCO op niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] wordt daarom verworpen.

5.3

Op grond van artikel 7:671b lid 1 BW in verbinding met artikel 7:669 lid 1 en lid 3 aanhef en onder g BW kan de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsverhouding te laten voortduren en herplaatsing niet mogelijk is of niet in de rede ligt. VPCO betoogt dat hiervan sprake is. [verzoekster] meent daarentegen dat de verhoudingen door de opstelling van VPCO ernstig verstoord zijn, maar dat deze verstoring niet onherstelbaar is. Ter zitting heeft [verzoekster] op de vraag van het hof hoe zij terugkeer op de school voor zich ziet nu de mediation is mislukt en zij (nog steeds) met [B] te maken zal hebben, geantwoord dat zij [B] eigenlijk nooit dan wel sporadisch ziet. Voor het geval [B] iets met haar zou willen bespreken, dan kan dat mits er iemand bij dat gesprek komt zitten, gelet op de zeer intimiderende wijze waarop [B] haar toespreekt. Pas als alles goed is uitgesproken, kan zij één op één met hem aan tafel zitten. Met de collega’s ervaart zij geen problemen en ook de ouders zijn tevreden, aldus [verzoekster] .

[B] heeft ter zitting betwist dat [verzoekster] hem nooit/sporadisch zag. Hij houdt (vanwege zijn functie als algemeen bovenschoolse (in dit geval vier scholen) directeur) bij toerbeurt gedurende één jaar kantoor op een van de scholen. Volgens [B] zag [verzoekster] hem dagelijks. Volgens [B] is het verder ondenkbaar dat er in de toekomst steeds iemand bij de gesprekken met [verzoekster] komt zitten. Desgevraagd gaf [C] (de directeur van de school) ter zitting te kennen een herstel van het dienstverband met [verzoekster] niet te zien zitten. Volgens [C] wilde [verzoekster] niets van hem aannemen en op alles wat hij naar voren bracht, reageerde zij steevast met: “dat zijn de woorden van [B] ” of “dat komt zeker weer bij [B] vandaan”. [verzoekster] heeft dit op haar beurt betwist en gesteld dat zij geen problemen met [C] heeft.

5.4

Het hof heeft ter zitting geconstateerd dat partijen het over de meeste zaken die tussen hen spelen niet eens zijn. Het begint, kort gezegd, in 2011. [B] heeft toen in een van de vergaderingen van het bestuur de rol van de echtgenoot van [verzoekster] bij een voorgenomen detachering van [B] uiteengezet (de heer [G] was destijds bestuurslid van de school De Hoeksteen waarvan [B] directeur was) alsmede gemeld dat [G] één van de kandidaten voor een vacature op die school was, maar toen is afgewezen. [verzoekster] was van mening dat er geen enkele aanleiding was om over haar echtgenoot en haarzelf binnen het bestuur te spreken. Als productie 3 bij verweerschrift in hoger beroep is een mail van de heer [H] (de voorzitter van VPCO) overgelegd waarin [H] uitlegt dat [B] vond dat het bestuur op de hoogte moest zijn, omdat hij [verzoekster] in zijn nieuwe functie weer op de school, waar hij kantoor zou houden, tegen zou komen. Ook beschrijft [H] dat hij in het voorjaar/de zomer van 2012 op verzoek van mevrouw [I] (de toenmalige directeur van de school) met haar gesprekken heeft gevoerd, waarbij [I] haar zorgen uitte over verhalen die [verzoekster] vertelde over de persoon en het verleden van [B] , gebaseerd op de tijd dat [B] directeur was van De Hoeksteen. Ook nadien hebben er gesprekken tussen [H] en [I] plaatsgevonden, waarbij [B] in een kwaad daglicht werd geplaatst en de geruchten steeds maar weer uit de hoek van [verzoekster] bleken te komen, aldus [H] .

Ter zitting heeft [verzoekster] niet ontkend dat zij jegens [I] haar zorgen heeft geuit, maar zij betwist dat zij met anderen over [B] heeft gesproken. Op 20 maart 2014 heeft [verzoekster] het in 3.4 genoemde e-mailbericht gestuurd naar twee bestuursleden van VPCO. In deze brief schrijft zij onder meer:

Mijn man heeft in het bestuur van De Hoekstee (…) gezeten ten tijde dat Dhr. [B] daar directeur was. Daar zijn soortelijke dingen gebeurd als die nu in Hasselt gebeuren. En ook in Vroomshoop heeft hij onrust veroorzaakt. Dhr. [B] manipuleert mensen. Hij zoekt de zwakste schakels uit en belooft hen dingen, zodat ze loyaal aan hem worden. (…)

Ik vertel u dit alles in volste vertrouwen, dat dit geheim blijft, maar met de hoop dat u deze informatie gebruikt om de oren en ogen wijdt open te houden. (…) Uiteraard ben ik bereid om mondeling dingen toe te lichten indien u dat wenst.”.

[verzoekster] is hiervoor berispt (zie 3.4). Hoewel [verzoekster] achteraf betreurt dat zij (in een opwelling) deze e-mail aan [H] heeft gestuurd, vindt zij dat [H] , door de e-mail met de overige bestuursleden en met [B] te delen, de vertrouwelijkheid schond en hiermee schade heeft aangericht, die zij nu juist wilde voorkomen.

In september 2014 vindt onder externe begeleiding van de heer [J] een gesprek plaats tussen [verzoekster] en [B] waarbij het doel was om te komen tot een functionele, werkbare arbeidsverhouding (productie 11 bij verweerschrift in hoger beroep). Op 19 november 2015 wordt de school door de onderwijsinspecteur geïnformeerd over de kwaliteit van het onderwijs, alsmede dat de school het predicaat ‘zwak’ krijgt. De school wordt in de gelegenheid gesteld de onderwijskwaliteit te verbeteren; in juni 2016 zal de school opnieuw worden geïnspecteerd. Na afloop van deze informatiebijeenkomst heeft in het klaslokaal van [verzoekster] een gesprek tussen [B] en [verzoekster] plaatsgevonden, dat door [verzoekster] als zeer intimiderend is gekenschetst. [B] heeft een andere lezing gegeven van de feiten zoals die zich op 19 november 2015 hebben voorgedaan. [verzoekster] heeft over hetgeen op die datum is gebeurd een klacht ingediend, welke klacht door het bestuur van VPCO ongegrond is verklaard. [verzoekster] heeft, ter voorkoming van overschrijding van de klachttermijn, haar klacht bij brief van 17 november 2016 voorgelegd aan de Landelijke Klachtencommissie voor het bijzonder onderwijs in Den Haag.

In het kader van de verbeterplannen vinden gesprekken plaats tussen [verzoekster] , haar collega in de onderbouw/kleutergroepen (mevrouw [D] ), [C] en de intern begeleider, de heer [K] . Onder meer wordt afgesproken dat [K] in de klassen van [verzoekster] en [D] komt kijken om te bezien of de verbeterplannen voldoende worden nagekomen/toegepast. [verzoekster] heeft zich naderhand tijdens een teamoverleg op 10 maart 2016, zoals VPCO stelt en [verzoekster] betwist, laatdunkend over [K] uitgelaten. Ook verzette zij zich volgens VPCO tegen de veranderingen, noodzakelijk om het predicaat ‘voldoende’ te krijgen. Volgens [verzoekster] ging het bij de kleuterbouw enkel om het administratief borgen van een reeds in gang gezet proces, terwijl volgens VPCO wezenlijke veranderingen dienden plaats te vinden om van het predicaat ‘zwak’ af te komen.

Op 4 april 2016 vindt, onder meer naar aanleiding van het verschil in inzicht over de verbeterplannen en hetgeen tijdens het teamoverleg is voorgevallen, een gesprek plaats tussen [verzoekster] , [C] en een HR-medewerker. In een volgend gesprek op 7 juli 2016 wordt besloten een mediationtraject te starten. Na aanvankelijke onenigheid over de vraag hoe de opdracht aan de mediator moest luiden, zijn in het najaar van 2016 mediationgesprekken gevoerd. Over de strekking van die gesprekken verschillen partijen ook van mening. [verzoekster] stelt dat in de gesprekken de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst centraal stond, terwijl VPCO dit betwist. Partijen proberen nog gezamenlijk tot een oplossing te komen, maar de voorwaarden die daaraan door [verzoekster] worden gesteld (met name rectificatie van de brief van 9 mei 2016 aan de ouders (productie 27 bij verzoekschrift) inhoudende dat haar functioneren geen aanleiding is geweest voor het oordeel van de onderwijsinspectie en dat de brief is voortgekomen uit een conflict tussen [verzoekster] en [B] alsmede een schriftelijk excuus van [B] voor zijn handelwijze op 19 november 2015) zijn voor VPCO niet acceptabel.

5.5

Het hof constateert dat de voortdurend terugkerende spanningen tussen [verzoekster] enerzijds en [C] en [B] anderzijds ertoe hebben geleid dat VPCO een terugkeer van [verzoekster] niet meer ziet zitten. Uit de correspondentie van beide partijen alsmede uit hetgeen op de zitting naar voren is gekomen blijkt voldoende van de moeizame relatie die partijen al jaren onderhouden. Het hof constateert ook dat het partijen niet meer is gelukt om de verschillen in de beleving van hetgeen op 19 november 2015 is voorgevallen te overbruggen.

De gedachte van [verzoekster] dat de situatie werkbaar blijft indien er steeds een derde aanwezig is bij contact tussen haar en [B] is, naar het oordeel van het hof, irreëel.

5.6

Het hof oordeelt dat met het bovenstaande voldoende is aangetoond dat sprake is van een zodanig duurzaam verstoorde verhouding dat van VPCO redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Grief 1 van [verzoekster] faalt derhalve. Voorzetting van de arbeidsovereenkomst is dan niet meer aan de orde. Nu [verzoekster] ook op andere schoollocaties van VPCO te maken zal hebben met dezelfde bovenschoolse directeur [B] , ligt herplaatsing niet in de rede.

5.7

Met het voorgaande is niet komen vast te staan dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van VPCO. Anders dan [verzoekster] kennelijk (zie randnummers 1-7 van de pleitnota in hoger beroep van de gemachtigde van [verzoekster] ) voorstaat, is het hof niet gebonden aan de uitspraak van de klachtencommissie en legt hij een eigen beoordeling aan of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. In dit verband merkt het hof op dat bij de wijze waarop de klachtencommissie tot haar oordeel is gekomen vraagtekens kunnen worden geplaatst. Zowel bij klachtonderdeel A (het fysiek benaderen (vastpakken bij de bovenarm) als bij klachtonderdeel B (het intimiderend toespreken) heeft de klachtencommissie vastgesteld dat de lezing van partijen hierover sterk uiteenlopen. Om die reden acht zij de klacht onder A ongegrond, maar tegelijkertijd verklaart zij de klacht onder B gegrond omdat het intimiderend optreden van [B] (gelet op hetgeen zich allemaal heeft afgespeeld) ‘de Commissie niet onaannemelijk voorkomt’.

De onder 5.4 beschreven gebeurtenissen leiden evenmin tot het oordeel dat VPCO ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

Voor de door [verzoekster] op grond van artikel 7:671b lid 8 BW verzochte billijke vergoeding is dan ook geen plaats. De grieven 2 en 3 falen eveneens.

5.8

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de gemachtigde van [verzoekster] zijn pleidooi beëindigd met (onder meer) de conclusie dat, als herstel van de dienstbetrekking niet meer aan de orde kan zijn, het hof de door [verzoekster] gevraagde dan wel een door het hof te bepalen vergoeding naar billijkheid dient toe te kennen (p. 10 van de pleitnotitie). Namens VPCO is bezwaar gemaakt tegen dit verzoek omdat hiermee het verzoek in strijd met de tweeconclusieregel wordt aangevuld met een verzoek om een billijke vergoeding in plaats van herstel.

Het hof verwerpt dit bezwaar omdat in dit geval geen sprake is van een wijziging in strijd met de tweeconclusieregel. Indien de kantonrechter naar het oordeel van het hof ten onrechte ontbonden zou hebben, mag het hof -ook als de werknemer alleen om herstel heeft verzocht- ambtshalve een billijke vergoeding toekennen in plaats van de werkgever veroordelen tot herstel, indien herstel naar het oordeel van het hof in de concrete situatie niet mogelijk of niet redelijk is (zie bijvoorbeeld Kamerstukken I 2013/2014 33818 C p. 115).

En zo kan ook de werknemer die alleen herstel verzocht heeft, maar bijvoorbeeld inmiddels een nieuwe baan gevonden heeft of zich bedenkt naar aanleiding van informatie tijdens de mondelinge behandeling, in plaats daarvan om een billijke vergoeding vragen.

In dit geval echter heeft de kantonrechter terecht ontbonden, zodat het hof niet toekomt aan een billijke vergoeding in plaats van herstel.

5.9

Het hof verwerpt het hoger beroep. Het hof zal [verzoekster] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van de procedure in het hoger beroep, aan de zijde van VPCO te stellen op € 716,- voor griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief (2 punten x tarief II).

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle) van 31 maart 2017;

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van VPCO vastgesteld op € 716,- voor griffierecht en € 1.788,- voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief;

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A. van Rossum, mr. P.L.R. Wefers Bettink en

mr. M.E.L. Fikkers, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Fikkers en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 december 2017.