Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10755

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
07-12-2017
Zaaknummer
200.207.872/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte. Ten onrechte ontbinding en ontruiming nu huurachterstand grotendeels onder Wsnp valt.

Verhuurder heeft geen informatieplicht aan saneringsbewindvoerder. Geen schending van art. 7:252 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.207.872/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4725077 CV EXPL 16-95)

arrest van 5 december 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in het verzet en in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M. Schuring,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser in conventie, gedaagde in het verzet en verweerder in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het verstekvonnis van

28 oktober 2015 en de vonnissen van 27 januari 2016 en 1 november 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 4 januari 2017;

- de verstekverlening tegen [geïntimeerde] ;

- de memorie van grieven met een productie van [appellant] ;

- een akte van [appellant] .

2.2

Vervolgens heeft [appellant] het procesdossier gefourneerd voor arrest.

3. De feiten

3.1

[appellant] heeft met ingang van 12 maart 2012 van [geïntimeerde] kamer D3 gehuurd in het pand [a-straat] te [A] . De aanvangshuurprijs bedroeg € 440,- per maand, te vermeerderen met € 40,- als voorschot voor gas, water en elektra, bij vooruitbetaling te voldoen uiterlijk op de eerste van de maand.

In de huurovereenkomst is onder artikel 1 opgenomen dat de wettelijk toegestane huurverhogingen van toepassing zijn.

3.2

[geïntimeerde] heeft bij brief en e-mailbericht van 1 mei 2012 aan [appellant] meegedeeld dat hij van plan is de maandelijkse huurprijs per 1 juli 2012 te verhogen met € 10,- naar € 490,-, hetgeen valt binnen het wettelijke vastgestelde percentage van 2,3%.

3.3

Bij brief en e-mailbericht van 1 mei 2013 is een huurverhoging aangezegd van € 18,- per 1 juli 2013 waarmee de huur € 508,- wordt, wat valt binnen het wettelijk vastgestelde percentage van 4%.

3.4

Op 29 april 2014 heeft [geïntimeerde] een huurverhoging aangezegd van € 19,- per 1 juli 2014, waarmee de nieuwe huur € 527,- wordt, hetgeen valt binnen het wettelijke vastgestelde percentage van 4%.

3.5

Op dezelfde wijze heeft [geïntimeerde] op 1 mei 2015 een huurverhoging aangezegd met € 12,- tot € 539,- per 1 juli 2015, vallend binnen het wettelijke vastgestelde percentage van 2,5%.

3.6

Bij vonnis van 7 oktober 2014 is [appellant] toegelaten tot schuldsanering op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp), met benoeming van [C] tot schuldsaneringsbewindvoerder.

3.7

Bij dagvaarding van 14 augustus 2015 heeft [geïntimeerde] ontbinding en ontruiming gevorderd wegens wanbetaling en aanspraak gemaakt op betaling van € 1.995,- huurachterstand over mei, juni, juli en augustus 2015, te vermeerderen met € 23,97 wettelijke rente berekend tot en met 13 augustus 2015, wettelijke rente vanaf dagvaarding en € 286,95 buitengerechtelijke kosten, alsmede betaling van € 537,- voor iedere maand waarin [appellant] vanaf september 2015 het gehuurde in bezit houdt.

Bij verstekvonnis van 28 oktober 2015 is het gevorderde toegewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.8

Op 7 december 2015 heeft de gemachtigde van [appellant] aan [geïntimeerde] meegedeeld dat [appellant] op dat moment tenminste € 500,- teveel heeft voldaan, verzocht het teveel betaalde terug te betalen en kenbaar te maken dat [geïntimeerde] niet zal overgaan tot executie van het verstekvonnis.

Per e-mailbericht van 8 december 2015 is namens [geïntimeerde] bericht dat [appellant] inmiddels aan het vestekvonnis heeft voldaan, dat er geen sprake meer is van een huurachterstand en dat het dossier is gesloten.

4 De beoordeling in eerste aanleg

4.1

[appellant] is tijdig in verzet gekomen. In conventie heeft hij zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat huurverhogingen niet zijn overeengekomen. Later heeft hij aangevoerd dat de bewindvoerder geen brieven van [geïntimeerde] heeft ontvangen en dat de aanzeggingen niet voldoen aan het bepaalde in artikel 7:252 lid 2 sub a en e BW, zodat de huur niet rechtsgeldig is verhoogd. Hij is door het verzuim benadeeld. Bovendien vertoont de woonruimte gebreken zodat huurverhoging niet gerechtvaardigd is.

Voorts heeft hij aangevoerd dat huurschuld, opgebouwd tot 7 oktober 2014, door de bewindvoerder op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen is geplaatst.

De huurachterstand moet volgens [appellant] berekend worden vanaf 7 oktober 2014 en volgens hem heeft hij sindsdien meer betaald dan hij verschuldigd is, zodat het verstekvonnis moet worden vernietigd. In reconventie vordert hij het teveel betaalde terug, onder bepaling dat hij al hetgeen hij sedert 28 oktober 2015 aan [geïntimeerde] heeft voldaan mag verrekenen met de maandelijkse huur.

4.2

[geïntimeerde] heeft erop gewezen dat [appellant] huur heeft betaald inclusief de verhogingen. De kosten van het verstekvonnis dienen voor rekening van [appellant] te blijven.

4.3

De kantonrechter heeft geconcludeerd dat niet in geschil is dat [appellant] aan het verstekvonnis heeft voldaan en dat [geïntimeerde] ook niet tot ontruiming is overgegaan.

[appellant] stelt dat hij teveel heeft betaald en gaat daarbij, net als [geïntimeerde] , uit van een aanvangshuurprijs van € 480,-. De kantonrechter neemt dat bedrag ook tot uitgangspunt. [appellant] heeft op zichzelf gelijk dat in de aanzeggingen van huurverhoging niet de geldende huurprijs staat vermeld en niet is gewezen op de mogelijkheid daartegen bezwaar te maken, maar [appellant] heeft de huurverhogingen stilzwijgend aanvaard door deze van tijd tot tijd te voldoen en hij heeft in correspondentie in 2014 over de hoogte van de huur en de huurachterstand niet tegen de daarin vermelde huurverhogingen geprotesteerd. Ook heeft hij na het verstekvonnis zonder voorafgaand protest de (op de verhoogde huurprijs gebaseerde) betalingsachterstand voldaan.

4.4

De kantonrechter heeft het verzet ongegrond verklaard, de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

De conclusie van de memorie van grieven luidt, kort weergegeven, dat het hof het vonnis van 1 november 2016 en het verstekvonnis van 28 oktober 2015 vernietigt, voor recht verklaart dat de huur niet is verhoogd en [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling aan [appellant] van

€ 2.182,20, dan wel € 676,97 indien de huur is verhoogd, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

5.2

Bij akte van 28 februari 2017 heeft [appellant] te kennen gegeven dat hij zijn vordering met € 736,- wenst te verhogen tot respectievelijk € 2.918,20 of € 1.412,97. Tegen [geïntimeerde] is in hoger beroep echter verstek verleend. Niet is gebleken dat [appellant] deze vermeerdering van eis per exploot kenbaar heeft gemaakt aan [geïntimeerde] , zoals artikel 130 lid 3 Rv eist. Dat artikel is op grond van artikel 353 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. Het hof laat daarom de vermeerdering van eis buiten beschouwing.

5.3

Volgens [appellant] heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat hij zich niet kan beroepen op artikel 7:252 lid 4 BW (grief I). Ook is de kantonrechter ten onrechte voorbij gegaan aan de consequenties van het feit dat de Wsnp op hem van toepassing is (grief II). Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

5.4

Het hof stelt voorop dat juist is dat schulden wegens huurachterstand uit de periode vóór 7 oktober 2014 onder de schuldsaneringsregeling vallen en dus niet opgeëist kunnen worden zolang die regeling van toepassing is. [geïntimeerde] dient die schuld bij de Wsnp-bewindvoerder in te dienen (zie artikel 299 Fw, tweede lid). Mocht de schuldsanering eindigen met een schone lei, dan kan ook daarna een vordering tot betaling van (het restant van) die oude huurschuld niet meer toegewezen worden.

Voor huurtermijnen die opeisbaar worden na toepassing van de Wsnp is [appellant] wel aansprakelijk te houden. Omdat de huur over oktober 2014 uiterlijk op 1 oktober 2014 betaald diende te zijn, is voor de vraag of [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan wanbetaling tijdens de schuldsanering relevant of [appellant] nalatig is geweest met huurbetaling over de periode vanaf november 2014, waarbij eventuele betalingen tussen 1 en 7 oktober 2014 strekken tot aflossing van de huurschuld die onder de schuldsanering valt, tenzij bij betaling uitdrukkelijk is aangegeven dat deze betrekking heeft op de dan nog toekomstige huurtermijn over november 2014.

[geïntimeerde] heeft, zie onder 3.7, in eerste aanleg gesteld dat zijn vordering betrekking had op te weinig betaalde huur in enkele maanden in 2015, dus daarvoor kan [appellant] wel aangesproken worden. Het hof zal hierna onderzoeken of de vordering van [geïntimeerde] juist was.

5.5

Anders dan [appellant] betoogt, is het niet de taak van een verhuurder om de schuldsaneringsbewindvoerder van de huurder te informeren over eventuele huurverhogingen tijdens de schuldsanering onder de werking van de Wsnp. Mogelijk verwart [appellant] het saneringsbewind met een meerderjarigenbeschermingsbewind, waarbij de beschermde in beginsel handelingsonbevoegd is met betrekking tot de onder dat bewind gestelde goederen. Zonder beschermingsbewind is [appellant] zelf verantwoordelijk voor betaling van de lopende huur tijdens de schuldsanering en hij dient, in het kader van zijn informatieplicht, ook zelf die informatie aan de schuldsaneringsbewindvoerder te verschaffen die relevant is voor zijn inkomenspositie en het vrij te laten bedrag.

Voor zover [appellant] dus meent dat de aangezegde huurverhogingen niet geldig zijn aangezegd omdat dergelijke berichten geadresseerd moeten worden aan de saneringsbewindvoerder, falen de grieven.

5.6

Volgens [appellant] kan uit het feit dat hij af en toe meer heeft betaald dan € 480,- niet worden afgeleid dat hij de huurverhogingen geaccepteerd heeft. Juist omdat hij er niet van in kennis is gesteld dat hij de huurverhoging kon weigeren, mogen die betalingen hem niet tegengeworpen worden.

Het hof verwerpt het beroep op schending van artikel 7:252 BW. In de huurovereenkomst zelf is immers, zie onder 3.1, opgenomen dat de wettelijke huurverhogingen van toepassing zullen zijn. Het hof ziet niet in waarom dit huurverhogingsbeding niet, en een indexclausule wel geldig zou zijn. Daarmee komt, mede gelet op artikel 7:248 BW, het hof niet toe aan toetsing aan het door [appellant] genoemde wetsartikel.

Volledigheidshalve ( [appellant] merkt daarover niets op, ondanks de overweging van de kantonrechter dat partijen volgens hem zijn uitgegaan van huurverhoging over de totale prijs inclusief voorschot) overweegt het hof dat de aangezegde huurverhogingen onder 3.2 tot en met 3.5 corresponderen met het genoemde percentage, berekend over de 'kale huur'. Van benadeling van [appellant] is niet gebleken.

[geïntimeerde] heeft dan ook terecht mogen uitgaan van de door hem gestelde betalingsverplichtingen van [appellant] per 1 juli van elk jaar. De gevorderde verklaring voor recht is niet toewijsbaar.

5.7

Het voorgaande brengt mee dat de maandelijkse huurprijs inclusief voorschot vanaf

1 november 2014 € 527,- bedroeg, en vanaf 1 juli 2015 € 539,-. Berekend tot en met

13 augustus 2015 (zoals is gedaan in de onder 3.7 bedoelde dagvaarding die tot het bestreden verstekvonnis heeft geleid) had [appellant] vanaf 7 oktober 2014 8 x 527 is 4.216,- plus 2 x 539 is 1.078, ofwel in totaal € 5.294,- moeten voldoen.

Tussen 7 oktober 2014 en 13 augustus 2015 heeft [appellant] , gelet op zijn productie 7 bij de verzetdagvaarding, € 4.900,- voldaan, zo volgt uit de bankafschrijvingen vanaf 3 november 2014 tot en met 30 juni 2015. Deze bedragen corresponderen geheel met de ontvangsten door [geïntimeerde] in die periode, vermeld op de bijlage bij de akte van [geïntimeerde] met stempel van 18 mei 2016 en herhaald in de bijlage bij zijn akte van 13 juli 2016. Hieruit volgt dat de (niet onder de schuldsanering vallende) huurachterstand ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding slechts € 394,- in hoofdsom bedroeg.

Ten onrechte is [appellant] in het verstekvonnis veroordeeld tot betaling van een hoger achterstallig bedrag aan huur met rente. Ook de incassokosten zijn over een te hoog bedrag berekend. De door het hof berekende achterstand was in verhouding tot de maandhuur ook te gering om ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen.

De kantonrechter heeft, oordelend in de verzetprocedure, ten onrechte het verzet ongegrond verklaard en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

5.8

Het hof zal het bestreden vonnis van 1 november 2016 vernietigen en alsnog het verzet gegrond verklaren, waarmee ook het verstekvonnis van 28 oktober 2015 vernietigd moet worden. Toewijsbaar is € 394,- in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum waarop [appellant] in verzuim was met stipte huurbetaling (per de eerste van iedere maand). Gelet op de 'veertiendagenbrief' van 15 juli 2015 is [appellant] , op basis van het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten, over de hoofdsom een bedrag van 15% ofwel € 59,10 aan incassokosten verschuldigd.

Het hof zal de proceskosten in de verzetprocedure compenseren omdat partijen over en weer op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld. Kosten die zijn veroorzaakt als gevolg van het verstek van [appellant] in eerste aanleg, zoals de kosten van betekening van het verstekvonnis, blijven voor rekening van [appellant] .

5.9

Omdat [geïntimeerde] in de verzetprocedure zijn vordering niet heeft vermeerderd met huurtermijnen die vanaf 13 augustus 2015 opeisbaar zijn geworden, kan het hof [geïntimeerde] niet veroordelen tot terugbetaling van € 676,97 als teveel betaalde huur, zoals [appellant] in hoger beroep vordert.

Partijen zullen zelf moeten uitrekenen welke gevolgen dit arrest heeft voor hun (terug-) betalingsverplichtingen, al dan niet na verrekening met nog openstaande huurtermijnen die niet onder de schuldsanering vallen.

Het hof beschouwt [appellant] in hoger beroep als de grotendeels in het gelijk te stellen partij. [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep (€ 313,- griffierecht en 1 punt, tarief I, voor salaris advocaat volgens liquidatietarief).

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Groningen van 1 november 2016 en doet opnieuw recht:

verklaart het verzet tegen het verstekvonnis van 28 oktober 2015 van de kantonrechter te Groningen gegrond en vernietigt dat verstekvonnis;

veroordeelt [appellant] tot betaling van € 394,- achterstallige huur berekend tot en met

13 augustus 2015, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf verzuim en met

€ 59,10 wegens buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [appellant] in de kosten voor zover veroorzaakt door zijn niet verschijnen, zoals de kosten van betekening van het verstekvonnis, en compenseert voor het overige de kosten van eerste aanleg, zodat iedere partij de aan eigen zijde gevallen kosten dient te dragen;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [appellant] vastgesteld op

€ 313,- griffierecht en € 634,- salaris advocaat volgens liquidatietarief;

verklaart de veroordelingen tot betaling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. J.H. Kuiper en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

5 december 2017.