Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10745

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
11-12-2017
Zaaknummer
WAHV 200.181.003
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6:22 Awb. In de procedure bij de officier van justitie is een vormvoorschrift geschonden.

Nu de betrokkene daardoor niet is benadeeld, kon de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie in stand laten. Het verzoek om proceskosten wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.181.003

6 december 2017

CJIB 187575773

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland

van 6 november 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De officier van justitie heeft het tegen de inleidende beschikking ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gemachtigde van de betrokkene geen gronden van het beroep heeft opgegeven. Bij de in hoger beroep bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep van de gemachtigde tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter het beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De gemachtigde stelt dat hij de verzuimbrief, waarin de officier van justitie de gelegenheid geeft het verzuim te herstellen, niet heeft ontvangen.

3. Het administratief beroepschrift van 7 maart 2015 bevat geen gronden van het beroep.

4. Het dossier bevat een afschrift van een aan de gemachtigde gerichte brief van de officier van justitie d.d. 16 april 2015, waarbij de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld om binnen vier weken na dagtekening van voormelde brief de gronden van het beroep op te geven. Daarin wordt de gemachtigde erop gewezen dat indien het verzuim niet wordt hersteld, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking op 11 juni 2015 niet-ontvankelijk verklaard.

5. Het verzendproces bij de CVOM is met betrekking tot de verzuimbrieven zodanig ingericht dat achteraf niet kan worden vastgesteld of een verzuimbrief daadwerkelijk is verzonden (vgl. de uitspraak van het hof van 1 april 2015, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2015:2418). Een deugdelijke verzendadministratie ontbreekt. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat de verzuimbrief van 16 april 2015 aan de gemachtigde is verzonden. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de gemachtigde niet is gewezen op het verzuim de gronden in te dienen en er niet op gewezen is dat, indien het verzuim niet (tijdig) wordt hersteld het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De beslissing van de officier van justitie om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren is derhalve in strijd met artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Het hof acht aannemelijk dat de gemachtigde door de schending van deze rechtsregel in dit geval niet is benadeeld. Daartoe stelt het hof vast dat in het administratief beroepschrift door de gemachtigde -als professioneel rechtsbijstandsverlener- niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is verzocht om een termijn voor het indienen van gronden. Dit betekent dat de officier van justitie in dit geval -aangezien de gemachtigde voldoende gelegenheid heeft gehad om de gronden in te dienen- zonder de gemachtigde te attenderen op het ontbreken van gronden en gelegenheid te bieden gronden in te dienen- het beroep ongegrond had kunnen verklaren. In dit verband wijst het hof op zijn arrest van 10 april 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2017:3062. De gemachtigde heeft voorts bij de kantonrechter noch in hoger beroep inhoudelijke bezwaren tegen de inleidende beschikking aangevoerd en evenmin aangevoerd dat er inhoudelijke bezwaren tegen de inleidende beschikking bestaan. Onder deze omstandigheden ziet het hof aanleiding voor het oordeel dat de beslissing van de officier van justitie -ondanks de schending van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht- met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht in stand kan worden gelaten.

7. Dit betekent dat de beslissing van de kantonrechter -zij het met verbetering van gronden- kan worden bevestigd.

8. Gegeven deze beslissing wijst het hof het verzoek tot vergoeding van proceskosten af.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.