Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1071

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
16/00079
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:5630
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De krachtens AOW aan belanghebbende toegekende partnertoeslag, die op haar verzoek is uitbetaald aan haar broer, is terecht in de belastingheffing van belanghebbende betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0447
V-N Vandaag 2017/432

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 16/00079

uitspraakdatum: 14 februari 2017

Uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 december 2015, zaaknummer LEE 15/2148, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Tegelijkertijd is bij beschikking € 82 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 december 2016 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en haar broer [A] . Namens de Inspecteur is [B] verschenen.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Gedurende het gehele jaar 2013 staat op het woonadres van belanghebbende, naast belanghebbende, ook haar broer [A] ingeschreven. De broer heeft dan de 65-jarige leeftijd nog niet bereikt. De Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) heeft belanghebbende, die wel al de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, in 2013 een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW-uitkering) met zogenoemde partnertoeslag toegekend.

2.2.

Belanghebbende heeft op 18 maart 2014 haar aangifte IB/PVV 2013 ingediend. Onder de rubriek ‘Pensioen lijfrente of andere uitkering’ heeft belanghebbende vermeld:

Naam uitkeringsinstantie(s)

Ingehouden loonheffing

Pensioen e.d.

Pensioen, AOW, WAO, bijstand etc uit vroegere db

[C] LEVENSVERZEKERING

1.093

5.772

SOCIALE VERZEKERINGSBANK

752

9.352

STICHTING [D] PENSIOENFONDS

2.568

13.481

Belanghebbende heeft gebruik gemaakt van de ‘vooraf ingevulde aangifte van de Belastingdienst’ maar zij heeft de vooraf ingevulde gegevens op het punt van de AOW-uitkering gewijzigd.

2.3.

Bij brief van 29 oktober 2014 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld de loongegevens op het punt van de AOW-uitkering als volgt te wijzigen:

loonheffing

Loon

Sociale verzekeringsbank

1.504

18.704

2.4.

Met dagtekening 10 januari 2015 heeft de Inspecteur de onderhavige aanslag IB/PVV 2013 opgelegd. De Inspecteur heeft de aanslag na bezwaar van belanghebbende gehandhaafd.

2.5.

Tot de gedingstukken behoort een brief van de SVB van 15 augustus 2012 gericht aan haar broer [A] , met de volgende inhoud:

Mevrouw [X] heeft ons gevraagd om haar AOW-pensioen en toeslag gesplitst te betalen.

Vanaf augustus 2012 maken wij de toeslag over op uw bankrekeningnummer [00000] . Op uw bankafschrift herkent u de betaling aan de omschrijving AOW-toeslag. (…).

3 Het geschil

3.1.

In geschil is of de krachtens AOW aan belanghebbende toegekende partnertoeslag terecht in haar aanslag IB/PVV over 2013 is begrepen.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat zij ten onrechte belasting over de partnertoeslag moet betalen terwijl zij de partnertoeslag feitelijk niet heeft ontvangen. Zij wijst erop dat zij ten tijde van het aan de SVB gerichte verzoek tot gesplitste betaling ervan is uitgegaan dat haar broer belasting verschuldigd zou zijn over de aan hem uitbetaalde partnertoeslag. Verder wijst belanghebbende erop dat de SVB de partnertoeslag direct heeft verrekend met schulden van haar broer aan de SVB, met welke verrekening zij niet heeft ingestemd.

3.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de AOW-uitkering terecht voor het gehele bedrag, dus inclusief partnertoeslag, bij belanghebbende als inkomen in aanmerking is genomen. Het laten uitbetalen van de partnertoeslag aan haar broer en de verrekening daarvan met zijn schulden maken dit volgens Inspecteur niet anders.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en kennelijk tot vermindering van de aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.693.

3.5.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Voor de AOW zijn belanghebbende en haar broer voor het jaar 2013 ingevolge artikel 1, derde lid, onder a van die wet als gehuwden aangemerkt. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de AOW had belanghebbende recht op de zogenoemde partnertoeslag.

4.2.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende degene is die in 2013 in fiscale zin de partnertoeslag heeft genoten. Belanghebbende had in 2013 immers, anders dan haar broer die destijds de 65-jarige leeftijd nog niet bereikt had, recht op de volledige AOW-uitkering, inclusief de partnertoeslag. Dat belanghebbende de SVB heeft verzocht de partnertoeslag rechtstreeks te laten uitkeren aan haar broer doet daaraan niet af. Voor de broer ontstond door het verzoek geen zelfstandig wettelijk recht op de partnertoeslag. De omstandigheid dat de SVB de partnertoeslag zonder belanghebbendes instemming heeft verrekend met de door de broer aan de SVB verschuldigde bedragen waardoor de partnertoeslag feitelijk niet aan hem is uitbetaald, staat evenmin aan de belasting van de partnertoeslag bij belanghebbende in de weg.

4.3.

Voor zover belanghebbende stelt dat de SVB ten onrechte heeft nagelaten haar over de belastbaarheid van de partnertoeslag te informeren en ten onrechte heeft nagelaten te wijzen op de mogelijkheid van verrekening van de partnertoeslag met schulden van haar broer merkt het Hof op dat het niet bevoegd is om het handelen van de SVB te beoordelen. Evenmin is het Hof bevoegd te beoordelen of belanghebbende in aanmerking komt voor kwijtschelding van de onderhavige aanslag. Aan het Hof staat alleen de onderhavige aanslag ter beoordeling. Belanghebbende heeft geen andere grieven aangevoerd die de rechtmatigheid van die aanslag aantasten, zodat het Hof het hoger beroep ongegrond zal verklaren.

4.4.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de toepasselijke bepalingen onjuist zijn toegepast, is het hoger beroep ook in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 14 februari 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma)

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 15 februari 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.