Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10680

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
WAHV 200.185.000
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het beroep niet tijdig beslissen als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, Awb heeft op grond van artikel 4:19, eerste lid, Awb mede betrekking op de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom, voor zover die wordt betwist. De gemachtigde heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het niet vaststellen van de dwangsom door de officier van justitie, zodat de hoogte

en de verschuldigdheid van een dwangsom bij de kantonrechter niet is betwist. Daarmee is de dwangsom geen onderwerp van geschil geworden zodat die in hoger beroep niet meer kan worden getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.185.000

5 december 2017

CJIB 183399284

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant

van 14 oktober 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,
kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom van het horen is afgezien. De kantonrechter had diens beslissing daarom moeten vernietigen.

2. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn administratief beroepschrift niet heeft verzocht om te worden gehoord, zodat de officier van justitie er op grond van artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van kon afzien de gemachtigde te horen. De officier van justitie had op grond van artikel 7:26, eerste lid, van de Awb moeten aangeven waarom van het horen is afgezien. Dat dit is nagelaten, behoeft echter – gelet op artikel 6:22 van de Awb – niet tot vernietiging van diens beslissing te leiden, nu het hof aannemelijk acht dat de betrokkene door dit motiveringsgebrek niet is benadeeld (vgl. het arrest van het hof van 13 februari 2017, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2017:1044).

3. De gemachtigde betoogt dat de officier van justitie heeft beslist op het administratief beroep zonder eerst de gemachtigde gelegenheid te bieden beroepsgronden aan te voeren.

4. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift geen gronden heeft aangevoerd, en evenmin heeft verzocht om een termijn daarvoor.
Bij beslissing van 3 maart 2015 is het administratief beroep ongegrond verklaard.

5. Het is vaste rechtspraak van het hof dat bij het ontbreken van beroepsgronden slechts een termijn voor het indienen daarvan behoeft te worden gegeven wanneer uit het beroepschrift uitdrukkelijk en zonder voorbehoud blijkt van de wens daartoe (vgl. het arrest van het hof van 22 december 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:10365). Nu de gemachtigde niet heeft verzocht om een termijn voor het indienen van gronden, heeft de officier van justitie het beroep ongegrond kunnen verklaren zonder de gemachtigde eerst de gelegenheid te bieden gronden in te dienen.

6. Overigens stelt het hof vast dat zich bij de stukken een brief van de officier van justitie d.d. 17 februari 2015 bevindt, waarin de gemachtigde de gelegenheid wordt geboden om binnen vier weken beroepsgronden in te dienen. Bij brief van 17 maart 2015 heeft de gemachtigde de ontvangst van die brief bevestigd, zodat zijn verweer op dit punt niet alleen juridisch niet slaagt, maar ook feitelijke grondslag mist.

7. De gemachtigde stelt verder dat de kantonrechter ten onrechte niet de door de officier van justitie verschuldigde dwangsom heeft vastgesteld.

8. Het beroep bij de kantonrechter richt zich tegen het niet nemen van een beslissing door de officier van justitie. Gelet op artikel 6:20, derde lid, Awb, wordt dit beroep geacht te zijn gericht tegen de vervolgens alsnog door de officier van justitie genomen beslissing.
Artikel 4:19, eerste lid, van de Awb brengt mee dat dit beroep mede betrekking heeft op de verschuldigdheid en de hoogte van de vaststelling van de dwangsom, voor zover die wordt betwist.

9. De gemachtigde heeft in de procedure bij de kantonrechter geen verweer gevoerd ten aanzien van het niet vaststellen van een dwangsom door de officier van justitie. Het kennelijke oordeel van de officier van justitie dat geen dwangsom was verschuldigd, is dus in de procedure bij de kantonrechter niet betwist. Gelet daarop was de kantonrechter niet gehouden een dwangsom vast te stellen.

10. De gemachtigde verzoekt het hof alsnog vast te stellen dat de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd aan de betrokkene.

11. Hiervoor is reeds gewezen op artikel 4:19, eerste lid, Awb. Uit die bepaling volgt dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie alleen dan mede betrekking heeft op de hoogte (dan wel de verschuldigdheid) van een dwangsom, wanneer die wordt betwist.
De gemachtigde heeft omtrent de verschuldigdheid van de dwangsom bij de kantonrechter niets aangevoerd. Het beroep is dus beperkt tot de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Artikel 4:19, eerste lid, Awb is daarom niet van toepassing. Dat brengt mee dat de verschuldigdheid van een dwangsom geen onderwerp van geschil is geworden zodat die in hoger beroep niet meer kan worden getoetst (vgl. ABRvS, 16 april 2014, r.o. 6, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2014:1290).

12. Ten aanzien van de opgelegde sanctie wordt ongemotiveerd betwist dat de gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd, is verricht. Het is vaste rechtspraak dat een enkele ontkenning van de gedraging niet leidt tot twijfel aan de verklaring van de verbalisant, zodat vaststaat dat de gedraging is verricht.

13. Nu geen van de bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter slaagt, zal die beslissing worden bevestigd.

14. Voor de verzochte proceskostenvergoeding is geen aanleiding, nu de bezwaren van de gemachtigde niet leiden tot het vernietigen van enige beslissing.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.