Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10649

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-12-2017
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
WAHV 200.205.856 t
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Geen terugwijzing, maar afdoening door het hof verlangd. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan om de betrokkene in de gelegenheid te stellen zijn draagkrachtverweer in verband met de zekerheidstelling te onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.205.856

4 december 2017

CJIB 190129393

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Tussenarrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 7 december 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,
kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Op 31 oktober 2017 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen, waarin hij aangeeft dat niet langer wordt verzocht om een behandeling ter zitting.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, van de WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld en niet gesteld of gebleken is dat dit verschoonbaar is.

2. De gemachtigde voert aan dat hij bij brief van 16 juni 2016 namens de betrokkene een draagkrachtverweer heeft gevoerd, maar dat de kantonrechter hier ten onrechte geen acht op heeft geslagen. De gemachtigde heeft een afschrift van deze brief als bijlage bij het hoger beroepschrift gevoegd.

3. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een zekerheidstelling ingevolge de WAHV in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter.

4. Op het voorgaande dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op de financiële omstandigheden van de betrokkene een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.

5. Dit brengt, ook gelet op het arrest van het hof van 17 februari 2014 (WAHV 200.133.496, ECLI:NL:GHARL:2014:1139) mee dat, indien een betrokkene in de procedure bij de kantonrechter met redenen omkleed aanvoert dat hij niet (terstond) in staat is zekerheid te stellen tot het totale van hem verlangde bedrag, de kantonrechter, tenzij hij het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid zal moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht.

Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in artikel 11, derde lid, van de WAHV in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zo nodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen hij alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen.

Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht ongegrond, dan dient de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn te gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.

6. Bij de stukken van het geding bevinden zich afschriften van twee brieven van de officier van justitie van 25 mei 2016 en 11 juni 2016, waarin aan de betrokkene mededeling is gedaan van de verplichting tot het stellen van zekerheid.

7. In de brief d.d. 16 juni 2016, waarvan een afschrift als bijlage bij het hoger beroepschrift is gevoegd, betoogt de gemachtigde met betrekking tot drie zaken, waaronder de onderhavige, dat de betrokkene verminderd draagkrachtig is, zodat hij niet aan de verplichting tot zekerheidstelling kan voldoen. Voorts vraagt hij namens de betrokkene om een nadere termijn om zijn draagkrachtverweer nader te kunnen onderbouwen. Deze brief bevindt zich niet in het dossier. De advocaat-generaal heeft in zijn verweerschrift echter aangegeven dat na raadpleging van de dossiers in de andere genoemde zaken is gebleken dat de betreffende brief op 21 juni 2016 door de CVOM is ontvangen, maar door een fout van de CVOM niet in het onderhavige dossier is gevoegd. Gelet hierop is het hof met de gemachtigde en de advocaat-generaal van oordeel dat er tijdig een draagkrachtverweer is gevoerd.

8. De kantonrechter heeft in reactie hierop niet gehandeld in overeenstemming met hetgeen onder 5. is overwogen. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Dit brengt mee dat de overige bezwaren van de gemachtigde tegen de beslissing van de kantonrechter geen bespreking meer behoeven.

9. Nu door de gemachtigde de behandeling van het beroep door het hof zelf is verlangd, zal het hof de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank, maar doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten de betrokkene in de gelegenheid stellen zijn draagkrachtverweer nader te onderbouwen.

10. Gelet op het voorgaande zal het hof, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, de betrokkene in de gelegenheid stellen om het hof te informeren omtrent zijn huidige financiële situatie. Deze informatie dient zoveel mogelijk onderbouwd te worden met schriftelijke stukken en betreft in ieder geval een overzicht van de inkomsten, de vaste lasten, de eventuele schulden en de aflossing daarvan.

Beslissing

Het gerechtshof:

stelt de betrokkene in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van dit arrest bovengenoemde informatie te verstrekken;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.