Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10630

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-12-2017
Datum publicatie
11-12-2017
Zaaknummer
WAHV 200.174.606
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6:22 Awb. In de procedure bij de kantonrechter is een vormvoorschrift geschonden.

Nu de betrokkene daardoor niet is benadeeld, leidt dat niet tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter, maar blijft die beslissing in stand. Het verzoek om proceskosten wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.174.606

4 december 2017

CJIB 186498389

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel

van 27 juli 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 4 september 2017 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene is bij voornoemd tussenarrest in de gelegenheid gesteld gronden in te dienen tegen de beslissing van de officier van justitie. Bij faxbericht van

10 september 2017 is van die gelegenheid gebruikgemaakt.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de door de gemachtigde ingediende gronden.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”, welke gedraging zou zijn verricht op 18 november 2014 om 11.50 uur op de IJsselkade te Deventer met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

2. De gemachtigde van de betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. De betrokkene heeft geen mobiele telefoon vastgehouden, maar een telefoonhouder van het merk Samsung ("Vehicle Dock"). Hierin zat wel de mobiele telefoon bevestigd, maar het was niet de telefoon die de betrokkene vasthield, slechts de houder ervan. De gemachtigde heeft een afbeelding van de verpakking van een dergelijke telefoonhouder overgelegd.

3. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Gedragingsgegevens: Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp met zijn linkerhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof van het merk: Samsung (…).

Verklaring betrokkene: Jammer.”

5. Het hof ziet in hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat de betrokkene de telefoon met zijn hand vasthield. De stelling dat de betrokkene de telefoon niet rechtstreeks vasthield, maar enkel de houder waarin de telefoon was geplaatst, is daartoe onvoldoende. Daargelaten dat een dergelijke wijze van vasthouden (ook) moet worden aangemerkt als vasthouden in de zin van artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, gaat het hof uit van de verklaring van de verbalisant dat de betrokkene de telefoon zelf heeft vastgehouden. De administratieve sanctie is terecht opgelegd.

6. Zoals in het tussenarrest van 4 september 2017 is vastgesteld, heeft de kantonrechter ondanks een daartoe strekkend verzoek van de gemachtigde geen termijn gegeven om de beroepsgronden aan te vullen. In zijn beroepschrift bij de officier van justitie van 4 januari 2015 heeft de gemachtigde eveneens op nader aan te vullen gronden beroep ingesteld. Niet gebleken is dat de officier van justitie de gemachtigde een termijn heeft gegeven voor aanvulling van de beroepsgronden.

7. Ingevolge artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep kan worden ingesteld.

8. De gemachtigde heeft, behoudens een op geen enkele wijze gemotiveerde ontkenning dat de gedraging is verricht, niet in administratief beroep, niet in beroep bij de kantonrechter, noch in zijn hoger beroepschrift gronden ingediend tegen de oplegging van de administratieve sanctie. Pas nadat het hof hem daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld, heeft de gemachtigde de ontkenning dat de gedraging is verricht van een toelichting voorzien. Echter, niet redelijkerwijs valt in te zien waarom deze onderbouwing niet eerder in de procedures naar voren had kunnen worden gebracht. De wijze van procederen van de gemachtigde in dezen, waarbij hij steeds beroepschriften zonder enige onderbouwing heeft ingediend en ook niet ter zitting van de kantonrechter is verschenen om het beroep toe te lichten, heeft mede gelet op de inhoud van de pas in tweede instantie in hoger beroep naar voren gebrachte onderbouwing van het bezwaar tegen de administratieve sanctie, kennelijk uitsluitend het uitlokken van proceskostenvergoedingen tot doel. Al het vorenstaande in aanmerking genomen, bestaat in dit geval geen aanleiding voor vernietiging van de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie wegens schending van een vormvoorschrift, omdat niet gebleken is dat de betrokkene hierdoor is benadeeld. De beslissing van de kantonrechter zal worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek tot veroordeling in de proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.