Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10619

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
200.215.875/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag. Duidelijkheid en continuïteit wegen zwaarder dan het belang van de moeder bij het behoud van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.215.875/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/116989/FA RK 16-2510)

beschikking van 30 november 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.P. Zwarts te Arnhem,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Groningen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen: de GI,

en

[de pleegouders] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, van 15 februari 2017 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 11 mei 2017;
- een journaalbericht van mr. Zwarts van 13 juni 2017, met productie (s);

- het verweerschrift van de raad.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 3 november 2017 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaten mr. Zwarts en mr. S.M. Carabain-Klomp. Namens de raad is mevrouw [B] verschenen. Namens de GI is verschenen de heer [C] . Opgeroepen en niet verschenen zijn de pleegouders.

3 De feiten

3.1

Uit de moeder zijn geboren de minderjarige [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ), te [D] [in] 2012 en de minderjarige [de minderjarige2] (verder te noemen: [de minderjarige2] ), te [A] [in] 2013.

3.2

[de minderjarige1] staat onder toezicht sinds 14 maart 2012 en [de minderjarige2] sinds 22 januari 2014. Deze ondertoezichtstelling is jaarlijks verlengd. Sinds 10 februari 2015 is tevens een machtiging uithuisplaatsing voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] van kracht. De kinderen wonen sinds januari 2015 bij de pleegouders.

3.3

De moeder oefende alleen het ouderlijk gezag over de kinderen uit. In de bestreden beschikking van 15 februari 2017 is -uitvoerbaar bij voorraad- het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd, en de GI benoemd tot voogd over de kinderen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 februari 2017. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt om de beschikking te vernietigen, en primair om het verzoek tot beëindiging van het gezag af te wijzen, subsidiair om opdracht te geven tot een onderzoek ex artikel 810a R.

4.2

De raad voert verweer en verzoekt om de beschikking te bekrachtigen.

4.3

Het hof zal de grieven gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind geldt dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat – gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie – niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag.

5.4

De moeder voert aan dat zij positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt vanaf 2015. Zij heeft hard aan zichzelf gewerkt, hetgeen deels ook blijkt uit de rapportage van de raad. De moeder vindt dat zij geen kans heeft gekregen om te laten zien wat ze nu waard is. Zij heeft inmiddels, zo heeft zij ter zitting verklaard, een zoontje gekregen ( [E] , geboren [in] 2017), dat wel bij haar woont. De moeder verblijft op verzoek van de GI samen met hem in [F] ter beoordeling van het ouderschap van de moeder. Daarnaast heeft de moeder inmiddels een diploma in de zorg gehaald.
Verder is er volgens de moeder tijdens de ondertoezichtstelling geen enkele activiteit ondernomen om te werken aan terugkeer van de kinderen. De GI heeft van aanvang af aangegeven niet mee te willen werken aan een terugplaatsing bij de moeder en heeft daar verder ook niet meer voor opengestaan. De GI heeft nagelaten te investeren in terugkeer van de kinderen naar huis. Het is onjuist om zonder nader onderzoek, en zonder dat dit wordt uitgeprobeerd, vast te stellen dat de moeder nog steeds over onvoldoende vaardigheden beschikt om haar kinderen te kunnen opvoeden. Zij staat open voor een oplossing waarbij voor de pleegouders een grote rol blijft weggelegd, omdat de moeder de hechting van de kinderen aan hun pleegouders niet wil doorbreken. Zij kan er zelfs mee instemmen wanneer de kinderen in het pleeggezin blijven, mits de moeder het gezag kan behouden. Tot slot voert zij aan dat zij een nader onderzoek naar haar opvoedvaardigheden wil, uit te voeren door een deskundige van het NIFP. Dat een dergelijk onderzoek vertraging zou kunnen opleveren betekent niet dat dit de kinderen belast.

5.5

De raad geeft aan dat in het verleden, ook tijdens de periode van de ondertoezichtstelling, verschillende hulpverleningstrajecten zijn ingezet om de moeder te versterken in haar opvoedingsvaardigheden, en om een uithuisplaatsing te voorkomen, maar dat deze trajecten onvoldoende resultaat hebben opgeleverd. Hoewel de raad ziet dat de moeder positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt, betekent dit niet dat de kinderen kunnen worden teruggeplaatst. De kinderen hebben hun eigen ontwikkeling doorgemaakt en het is niet in hun belang om ze uit hun opvoedingssituatie te halen. De kinderen zijn ingegroeid in het pleeggezin. Met name [de minderjarige1] heeft gezien zijn gedrag veel structuur en duidelijkheid nodig. Terugplaatsing van de kinderen is niet in hun belang. Duidelijkheid en continuïteit wegen zwaarder dan het belang van de moeder bij het behoud van haar gezag. Om die reden heeft de raad niet gewacht tot er twee jaren zijn verstreken, maar is het verzoek al na anderhalf jaar ingediend. De raad ziet geen aanleiding voor nader onderzoek. Door het gelasten daarvan zou de onduidelijkheid en onzekerheid over het woonperspectief van de kinderen blijven voortduren. Het perspectief van beide kinderen ligt in het pleeggezin.

5.6

Het hof is evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en na eigen weging tot de zijne maakt, van oordeel dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 1:266 BW. Het hof constateert dat er wel degelijk gedurende de ondertoezichtstelling is onderzocht of terugkeer van [de minderjarige1] en/of [de minderjarige2] tot de mogelijkheden behoorde. De moeder is in de gelegenheid gesteld eerst het ouder/kind-traject bij [G] en daarna de ouder/kindbehandeling bij [H] te volgen. Daarbij is toen echter onvoldoende resultaat behaald. Nog daargelaten de vraag of de moeder inmiddels, gelet op de positieve ontwikkeling die zij heeft doorgemaakt, in staat is om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te verzorgen en op te voeden, is het hof van oordeel dat de voor de kinderen aanvaardbare termijn (als bedoeld in gemeld artikel) voor terugplaatsing bij hun moeder, mede gelet op de jonge leeftijd van de kinderen, inmiddels is verstreken. Hoewel het hof begrijpt dat de moeder veel van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] houdt, dienen bij de onderhavige beslissing de belangen van de kinderen de eerste overweging te vormen. De kinderen hebben een belaste voorgeschiedenis en vragen meer dan gemiddeld van een opvoeder. Zij verblijven al bijna drie jaren bij hun pleegouders en zijn daar gehecht. Het is in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zo snel mogelijk rust en stabiliteit te creëren door vast te leggen dat het perspectief van beide kinderen in het pleeggezin ligt.

5.7

Het hof wijst evenals de rechtbank het verzoek van de moeder tot benoeming van een deskundige af. Naar het oordeel van het hof kunnen de uitkomsten van een eventueel nader onderzoek naar de opvoedvaardigheden van de moeder niet leiden tot een andere beslissing in deze zaak, nu de aanvaardbare termijn als bedoeld in artikel 1:266 BW is verstreken. Het is in het belang van de kinderen dat duidelijkheid wordt gegeven over hun opvoedingsperspectief.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 15 februari 2017;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, W.P.M. ter Berg en C. Koopman, en is op 30 november 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.