Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10615

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
200.198.503/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling in strijd met zwaarwegende belangen van de minderjarige. Risico op escalaties tussen ouders en hun families. Vader heeft geen inzicht willen geven in zijn strafrechtelijke verleden en heden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2018/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.198.503/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/407865/FL RK 16-62)

beschikking van 30 november 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.P. Smits te Amstelveen,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Nieuwendijk te Almere.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 14 maart 2017 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een brief van 14 juni 2017 van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) met als productie het raadsrapport van 14 juni 2017;

- een journaalbericht van 29 september 2017 van mr. Smits met productie(s);

- een journaalbericht van 30 oktober 2017 van mr. Nieuwendijk met productie(s).

1.3

Op 9 november 2017 is de mondelinge behandeling voortgezet ten overstaan van een andere samenstelling van het hof dan ten tijde van de vorige zitting van 14 februari 2017. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de raad was mevrouw [B] aanwezig. Mr. Smits heeft het woord gevoerd mede aan hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 14 maart 2017, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In die beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag of er een omgangsregeling mogelijk is tussen de vader en [de minderjarige] en zo ja, welke omgangsregeling het meest in het belang van [de minderjarige] is. Het hof heeft overwogen dat daarbij acht dient te worden geslagen op de veiligheid van de moeder en [de minderjarige] en de betrouwbaarheid van de vader.

2.3

De raad heeft in zijn raadsonderzoek van 14 juni 2017 geconcludeerd dat omgang tussen de vader en [de minderjarige] in strijd is met haar zwaarwegende belangen. De raad heeft tijdens het onderzoek onvoldoende zicht kunnen krijgen op het functioneren van de vader, omdat hij weigerde relevante informatie te verstrekken. Hoewel de vader mede blijkens het Justitieel documentatiesysteem een belast verleden heeft en sprake is van een proeftijd voor een delict tot januari 2018, wil hij daarover geen openheid van zaken geven. Zo wil de vader de diagnose van [C] niet met de raad delen. Ook heeft de vader geen antwoord willen geven op vragen over zijn strafrechtelijk verleden. Evenmin heeft hij informatie verstrekt over de nog openstaande zaken waarbij het meest recente feit in 2016 zou hebben plaatsgevonden. De raad heeft daarom geen inschatting kunnen geven over de leerbaarheid en betrouwbaarheid van de vader, zijn agressie- en emotieregulatie en in hoeverre hij zijn gedrag heeft veranderd. Het gebrek aan zicht op de vader is voor de raad een belangrijke contra-indicatie voor het hervatten van het contact tussen de vader en [de minderjarige] . Ook is de ernstige relatieproblematiek tussen de ouders een aanzienlijke belemmering voor contactherstel. [de minderjarige] is inzet van de strijd tussen de ouders en hun families vanwege de manier waarop de ouders omgaan met het oplossen van conflicten. Daarbij is nog altijd sprake van bedreigingen van beide kanten en is er recent door de vader een verzoek tot vervolging van de broer van de moeder ingediend bij het hof. De raad heeft er dan ook geen vertrouwen in dat de ouders en hun families hun houding op korte termijn zullen verbeteren.

2.4

Evenals de raad acht het hof het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] onder de huidige omstandigheden in strijd met zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . Het hof onderschrijft de visie van de raad zoals deze blijkt uit het raadsrapport van 14 juni 2017, neemt deze over en maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne. Hoewel het voor een evenwichtige identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] in beginsel in haar belang is omgang te hebben met beide ouders, zijn er grote zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] indien zij omgang heeft met de vader vanwege het risico op escalaties tussen de ouders en hun families. Met de raad is het hof van oordeel dat gekozen moet worden voor de minste van twee kwaden en dat is geen omgang tussen [de minderjarige] en de vader. Hetgeen de vader heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

2.5

Het hof deelt de visie van de raad dat het zeer in het belang van [de minderjarige] is dat zij in staat wordt gesteld om een realistisch beeld over haar vader te vormen. De moeder heeft aangegeven dat zij (mede) in dat verband hulpverlening bij [D] voor [de minderjarige] heeft aangevraagd en zal inschakelen. Het hof acht het positief dat de moeder oog lijkt te hebben voor de positie van de vader in het leven van [de minderjarige] . Het hof gaat ervan uit dat de moeder zich zal (blijven) inspannen om [de minderjarige] een reëel beeld van de vader te laten vormen, nu dit belangrijk is voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . Het hof deelt daarbij ook de visie van de raad dat het voor [de minderjarige] belangrijk is dat zij, als zij daar behoefte aan heeft, op enigerlei wijze in contact kan komen met haar vader.

3 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 2 juni 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, M.P. den Hollander en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. I.M. Klaver als griffier, en is op 30 november 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.