Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10403

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
200.204.055
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:791, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voeging aan de zijde van een niet-verschenen gedaagde. Verzet of hoger beroep voor niet-verschenen gedaagde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.204.055

(zaaknummer rechtbank Gelderland 5261330)

arrest in kort geding van 28 november 2017

in de zaak van

[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in verzet,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. S.G. Blasweiler,

tegen:

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats]

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in verzet,

hierna: [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. B.J. Blindenbach.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 9 september 2016 die de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 6 oktober 2016,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord met productie.

2.2

Vervolgens hebben [geïntimeerden] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep - kort samengevat - het vonnis van 9 september 2016 te vernietigen en de vordering van [appellant] in verzet alsnog toe te wijzen met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten:

3.1

[geïntimeerden] zijn eigenaar van een chalet te [vestigingsplaats] . Zij bieden dit aan voor verhuur aan derden.

3.2

[appellant] heeft interesse getoond in de huur van het chalet. Medio maart 2016 heeft een bezichtiging plaatsgevonden waarbij [geïntimeerden] , [appellant] en zijn moeder, [moeder appellant] , aanwezig zijn geweest.

3.3

Partijen zijn een huurovereenkomst aangegaan voor de huur van het chalet in de periode 1 april 2016 tot en met 30 september 2016 tegen een huurprijs van € 625 per maand. [appellant] heeft een bedrag aan borgsom van € 500 contant betaald waarvoor hij een kwitantie heeft ontvangen en ondertekend. Een van de overeenkomst opgemaakte huurovereenkomst is later ondertekend door [moeder appellant] .

3.4

[moeder appellant] heeft vanaf eind maart 2016 het gehuurde chalet bewoond met haar dochter en heeft zich op dat adres ingeschreven. Bij brief van 1 juni 2016 van gemeente [vestigingsplaats] is haar aangezegd dat zij een recreatiewoning bewoont in strijd met het bestemmingsplan en is haar een last onder dwangsom opgelegd. Zij heeft het gehuurde inmiddels verlaten.

3.5

[appellant] en/of [moeder appellant] hebben naast de betaalde borgsom van € 500 geen betalingen meer aan [geïntimeerden] verricht.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Bij dagvaarding in kort geding van 30 mei 2016 hebben [geïntimeerden] [appellant] gedagvaard en gevorderd hem te veroordelen het chalet te ontruimen wegens ernstige overlast en wanbetaling en voorts de achterstallige huur te voldoen. Bij e-mailbericht van 2 juni 2016 heeft [moeder appellant] verzocht zich te mogen voegen aan de zijde van [appellant] . Op 3 juni 2016 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellant] is niet verschenen. Bij vonnis in kort geding van 20 juni 2016, met zaaknummer 5110905, heeft de kantonrechter, recht doende als voorzieningenrechter, in het incident [moeder appellant] toegestaan zich in het geding te voegen aan de zijde van [appellant] . In de hoofdzaak heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [appellant] de contractuele wederpartij is bij de huurovereenkomst, verstek verleend tegen [appellant] , [appellant] veroordeeld om het chalet binnen 14 dagen te ontruimen en aan [geïntimeerden] een bedrag van € 1.550 te betalen alsmede € 625 voor iedere maand vanaf 1 juni 2016 tot de ontruiming. [appellant] is ook veroordeeld in de kosten van [geïntimeerden] .

4.2

Bij dagvaarding van 28 juni 2016 hebben [appellant] en [moeder appellant] een executie kort geding gestart tegen [geïntimeerden] tot schorsing van het vonnis van 20 juni 2016. Bij vonnis in kort geding van 5 juli 2016 is die vordering afgewezen. [moeder appellant] heeft het chalet op 6 juli 2016 verlaten.

4.3

Bij verzetdagvaarding van 28 juni 2016 is [appellant] in verzet gekomen van het vonnis van 20 juni 2016 bij de kantonrechter te Arnhem. Bij vonnis in verzet van 20 juli 2016, zaaknummer 5224540, heeft de kantonrechter geoordeeld dat het verzet van een vonnis in kort geding moet worden gedaan bij de voorzieningenrechter en de zaak verwezen naar de voorzieningenrechter.

4.4

De mondelinge behandeling voor de voorzieningenrechter heeft op 9 september 2016 plaatsgevonden. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van dezelfde datum geoordeeld dat [appellant] niet in zijn verzet kan worden ontvangen. Door de voeging van [moeder appellant] is zij partij geworden in de hoofdzaak. [moeder appellant] is verschenen waardoor het vonnis van 20 juni 2016 naar analogie van artikel 140 Rv een vonnis op tegenspraak betreft waartegen slechts hoger beroep en geen verzet open staat. [appellant] is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering en veroordeeld in de proceskosten.

5 Debeoordelingvanhetkortgedinginhogerberoep

5.1

Het hoger beroep keert zich tegen de niet-ontvankelijkheidverklaring van [appellant] in zijn verzet. In zijn eerste grief betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat [moeder appellant] zich aan de zijde van [appellant] heeft gevoegd en inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vordering. In het kader van de vraag of [appellant] in zijn verzet kan worden ontvangen, dient het hof ervan uit te gaan dat [moeder appellant] bij e-mail van 2 juni 2016 verzocht heeft zich te voegen op de voet van artikel 217 Rv en dat de vordering tot voeging in het vonnis van 20 juni 2016 met zaaknummer 5110905 is gehonoreerd. [appellant] is in die procedure niet verschenen. Of en zo ja, in hoeverre [moeder appellant] zich heeft geschaard aan de zijde van [appellant] kan in zoverre in het midden blijven.

5.2

Bovendien, ook indien er van zou worden uitgegaan dat [moeder appellant] zich niet heeft willen voegen, zoals zij heeft verzocht, maar tussenkomen als bedoeld in artikel 217 Rv, maakt dat voor de uitkomst van deze procedure niet uit. Ook door tussenkomst wordt een partij immers procespartij in de hoofdzaak.

5.3

De overige grieven keren zich tegen het oordeel over de ontvankelijkheid van [appellant] . Het hof oordeelt dat [moeder appellant] als gevoegde partij aan de zijde van gedaagde [appellant] , procespartij is geworden in de hoofdzaak. Zij is verschenen. Tegen [appellant] is (rechtmatig) verstek verleend. Een redelijke uitleg van artikel 140 Rv brengt in dit geval dan mee dat [moeder appellant] moet worden gelijkgesteld aan een medegedaagde. Artikel 140 Rv bepaalt:
“1. Zijn er meer gedaagden en is tenminste een van hen in het geding verschenen, dan wordt, indien ten aanzien van de niet verschenen gedaagden de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, tegen dezen verstek verleend en tussen de eiser en de verschenen gedaagden voortgeprocedeerd. (…)
3. Tussen alle partijen wordt één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.”
Op de voet hiervan geldt het vonnis van 20 juni 2016 als een vonnis op tegenspraak. Tegen een vonnis op tegenspraak staat voor alle partijen slechts hoger beroep open en geen verzet. De voorzieningenrechter heeft [appellant] dus terecht niet ontvangen in zijn verzet.

5.4

Hierop strandt het betoog van [appellant] . Overige stellingen behoeven geen bespreking meer omdat die, indien besproken, niet tot een ander oordeel zullen leiden.

Slotsom

5.5

Het hoger beroep faalt, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op € 314 aan griffierecht en op € 894 aan salaris advocaat (1 punt x tarief II).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 9 september 2016;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 314 voor griffierecht en op € 894 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, F.J. de Vries en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 november 2017.