Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10399

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
200.189.585
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:7249, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gebrek aan vloerverwarming. Vervangende schadevergoeding (6:87 BW); maatstaf: waardevermindering uitgedrukt in herstelkosten. Bijkomende kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.189.585

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, C/05/253827)

arrest van 28 november 2017

in de zaak van

1 [appellant] , en

2. [appellante],

beiden wonende te [plaatsnaam] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna: [appellant] (in mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. S.G. Volbeda,

tegen:

de vennootschap onder firma

[geïntimeerde]

,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] (in vrouwelijk enkelvoud),

advocaat: mr. D.D. Senders.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 mei 2016 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 6 juli 2016;

- de memorie van grieven (met productie);

- de memorie van antwoord (met producties).

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.9 van het tussenvonnis van 30 juli 2014 en van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverweging 3.1 en 3.2 van het eindvonnis van 14 oktober 2015 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, in de onderhavige zaak.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. [appellant] heeft [geïntimeerde] op 9 november 2011 opdracht gegeven om voor een bedrag van € 11.200 een tegelvloer en vloerverwarming in zijn woning aan te brengen. In januari 2012 is deze opdracht door [geïntimeerde] uitgevoerd. Voor het leveren en monteren van de vloerverwarming – bestaande uit zes groepen met in totaal ongeveer 600 meter slang – heeft [geïntimeerde] de eenmanszaak [eenmanszaak X] van [persoon 1] (hierna [persoon 1] ) ingeschakeld. Op 18 mei 2012, circa twee weken na ingebruikname van de vloerverwarming, wordt een lekkage geconstateerd in één van de groepen. Deze groep is vervolgens afgekoppeld. [persoon 1] heeft partijen nadien in kennis gesteld van een brief van 26 januari 2012 van de leverancier van de verwarmingsslangen waarin wordt verzocht om retourzending van enkele typen slang met een productiedatum vanaf 2 oktober 2010 vanwege een productiefout. Uit onderzoek van het door [appellant] ingeschakelde bedrijf [B.V. 1] (hierna [B.V. 1] ), vastgelegd in een rapport van 3 januari 2013, blijkt dat de bij [appellant] gemonteerde verwarmingsslangen als productiedatum 1 november 2011 vermelden. In de overige groepen is tot op 31 december 2012 geen nieuwe lekkage opgetreden. [B.V. 1] heeft de kosten voor gehele vervanging van de vloerverwarming inclusief (her)montage van keuken, gashaard, opslag en tijdelijke huisvesting begroot op € 29.198, inclusief btw. [appellant] heeft in eerste aanleg kort samengevat verzocht om voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] jegens hem tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tot levering en aanleg van de vloerverwarming en te bepalen dat [geïntimeerde] de door [appellant] geleden schade, nader op te maken bij staat, moet vergoeden, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en [persoon 1] in vrijwaring opgeroepen.

3.2

De rechtbank heeft in de hoofd- en vrijwaringszaak een deskundigenbericht bevolen. In zijn rapport van 11 juni 2015 heeft de door de rechtbank benoemde deskundige onder meer te kennen gegeven dat ten tijde van zijn onderzoek twee van de zes groepen lekten, met als meest waarschijnlijke oorzaak een productiefout, waardoor de slangen verweken en in de lengterichting opscheuren. Omdat niet te voorspellen is of en wanneer dit proces van verweken en scheuren plaats zal vinden, acht de deskundige het zeer voor de hand liggend dat in de toekomst meer groepen zullen gaan lekken en dienen om problemen in de toekomst te voorkomen de verwarmingsslangen van alles zes de groepen vervangen te worden. De kosten voor het vervangen van de tegelvloer en de vloerverwarming worden door de deskundige beraamd op € 25.998, inclusief btw (eerste optie) of bij wijze van alternatief, door in plaats van de gehele vloer te slopen de verwarmingsslangen (van alle zes groepen) in te frezen in de huidige vloer en een nieuwe tegelvloer te verlijmen over het bestaande werk, op € 12.555, inclusief btw en een bedrag van € 200 voor het inkorten van deuren (tweede optie). De rechtbank heeft de bevindingen van de deskundige overgenomen en in de hoofdzaak voor recht verklaard dat [geïntimeerde] jegens [appellant] toerekenbaar is tekort geschoten. Voor de vaststelling van de schade van [appellant] heeft de rechtbank de tweede optie tot uitgangspunt genomen en de kosten daarvan bepaald op € 11.280, met veroordeling van [geïntimeerde] in de deskundigenkosten en met compensatie van de proceskosten. In de vrijwaringszaak heeft de rechtbank [persoon 1] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen al datgene waartoe [geïntimeerde] in de hoofdzaak is veroordeeld.

3.3

Tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn vorderingen richten zich de grieven van [appellant] . De grieven (genummerd I-IX, waarbij grief V ontbreekt) komen er in de kern op neer dat de omvang van de schade van [appellant] moet worden bepaald aan de hand van de eerste door de deskundige genoemde hersteloptie: sloop van de bestaande vloer en het maken van een nieuwe opbouw. Volgens [appellant] is de tweede door de deskundige genoemde optie (handhaven bestaande vloer en nieuwe vloerverwarmingsslangen infrezen), waarvan de rechtbank is uitgegaan, geen volwaardig alternatief voor herstel van zijn schade omdat het resultaat niet beantwoordt aan hetgeen partijen zijn overeengekomen, minder esthetisch is en de optie bouwtechnisch niet kan worden uitgevoerd omdat door de hardheid van de tegels frezen niet mogelijk zou zijn. Daarnaast klaagt [appellant] dat de kosten voor opslag en het verplaatsen van de inboedel, tijdelijke huisvesting (recreatiewoning) en extra reis- en telefoonkosten wel voor vergoeding in aanmerking dienen te komen, zoals ook de deskundige heeft vastgesteld. De grieven I-IV en VI lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.4

In hoger beroep is niet langer in geschil dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming door [geïntimeerde] jegens [appellant] op de voet van artikel 6:74 BW. De tekortkoming bestaat eruit dat [geïntimeerde] ter uitvoering van de overeenkomst van partijen een gebrekkige vloerverwarming heeft verschaft, doordat de geleverde vloerverwarmingsslangen kunnen verweken en opscheuren en lekkage kan ontstaan. In twee groepen is lekkage ontstaan. Deze groepen zijn buiten werking gesteld. In de overige vier groepen is de kans op lekkage zeer groot. De vloerverwarming voldoet daarom niet aan hetgeen [appellant] daarvan op grond van de overeenkomst met [geïntimeerde] mocht verwachten. [appellant] verlangt geen nakoming of herstel in de zin van art. 7:759 lid 2 BW, maar vordert vervangende schadevergoeding (art. 6:87 BW). Om de omvang van deze schade te bepalen geldt als maatstaf dat het nadeel dat [appellant] als gevolg van de gebrekkige prestatie (een ondeugdelijke vloerverwarming) in zijn vermogen lijdt, gelijk wordt gesteld met de waardevermindering welke het desbetreffende vermogensbestanddeel (de woning) door die beschadiging ondergaat. Volgens vaste rechtspraak kan, wanneer herstel van de zaak mogelijk en verantwoord is, deze waardevermindering in het algemeen worden gesteld op de naar objectieve maatstaven berekende kosten welke met het herstel zullen zijn gemoeid. Het bedrag van de herstelkosten dient in dat geval als methode om de waardevermindering (de schade) in geld uit te drukken. Of herstel daadwerkelijk zal plaatsvinden doet in beginsel niet ter zake.

3.5

Partijen twisten in hoger beroep over de aard en omvang van de herstelkosten die [geïntimeerde] aan [appellant] moet vergoeden. Een eerste geschilpunt betreft de wijze van herstel van de vloerverwarmingsslangen. Het hof is met [appellant] van oordeel dat met het oog op de opheffing van het gebrek aan de vloerverwarming, het uitgangspunt moet zijn dat de vloertegels worden verwijderd en de slangen worden vervangen. Op die manier wordt op concrete en directe wijze een toestand bereikt zoals die er zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Met de tweede hersteloptie wordt die toestand niet bereikt: de verwarmingsslangen komen anders te liggen en de vloer komt – ook na aanpassing van de deuren en gordijnen – zichtbaar hoger te liggen. De kosten voor het slopen van de tegelvloer en vloerverwarming (€ 750) en het opnieuw leveren en aanbrengen van de vloerverwarming (€ 1.350) komen derhalve voor vergoeding in aanmerking.

3.6

Een tweede geschilpunt betreft de vraag of de nieuw aan te brengen vloer ook onder het keukenblok en de gashaard moet worden aangebracht met als gevolg dat deze moeten worden verwijderd en opnieuw moeten worden geplaatst. De deskundige heeft de kosten van de- en hermontage van de keuken en opslag beraamd op € 2.800 en van de gashaard op € 7.973. [geïntimeerde] heeft zich tegen vergoeding van deze kosten verzet met een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Op de zitting in hoger beroep heeft hij toegelicht dat de nieuwe tegelvloer zodanig kan worden aangelegd dat in visueel opzicht niet tot nauwelijks verschil ontstaat tussen de nieuwe en de bestaande vloer. De nieuwe vloertegels kunnen tegen de gashaard aan worden gelegd, waarbij het mogelijk is deze visueel te laten doorlopen, en bij de keuken kan de plint verwijderd worden en kunnen de nieuwe tegels tot de pootjes van het keukenblok doorlopen. De nieuwe vloer zal maximaal 3 mm hoger komen te liggen. [appellant] heeft gesteld dat als de tegels op hetzelfde niveau worden gelegd, de tegels onder de gashaard en het keukenblok niet doorlopen, waardoor in esthetisch opzicht een waardevermindering optreedt. Hij handhaaft daarom zijn verzoek tot volledige vervanging van de vloer.

Het hof is van oordeel dat het esthetische gebrek dat ontstaat doordat de nieuwe vloertegels onder het keukenblok en de gashaard (mogelijk) niet doorlopend kunnen worden aangesloten op de bestaande vloer, van een te geringe betekenis is om de kosten van het verwijderen en terugplaatsen van de keuken en de gashaard te kunnen rechtvaardigen. Daartoe overweegt het hof dat als niet, dan wel onvoldoende, weersproken vaststaat dat de nieuwe tegels rond de gashaard en in de keuken, die zijn geplaatst nadat de vloerverwarming en tegelvloer door [geïntimeerde] waren aangelegd, zodanig kunnen worden gelegd dat in visueel opzicht geen verschil merkbaar is tussen de nieuwe en de bestaande vloer. Het bezwaar van [appellant] dat dit verschil wel kenbaar wordt wanneer het keukenblok en de gashaard worden weggehaald, legt naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal, met name omdat het keukenblok en de gashaard (bestaande uit twee losse componenten en één vast component van hardsteen dat heel moeilijk te verwijderen is) duurzaam met de woning verenigd zijn, zodat verwijdering daarvan niet erg voor de hand ligt. De omstandigheid dat potentiële kopers van de (te koop staande) woning in het geval zij een nieuw keukenblok en gashaard willen plaatsen gedwongen zijn een nieuwe vloer aan te schaffen, omdat de herstelde vloer op die plaatsen niet doorloopt, en als gevolg daarvan waardedaling van de woning is opgetreden, is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Daar komt bij dat [geïntimeerde] terecht heeft opgemerkt dat deze situatie kan worden ondervangen door extra tegels aan te schaffen en deze te bewaren voor het geval daaraan behoefte ontstaat. Met het oog hierop zal het hof de kosten die de deskundige heeft begroot voor het leveren en aanbrengen van een (volledige) tegelvloer met plinten ad € 9.300 geheel toewijzen. Het hof passeert daarbij de stelling van [geïntimeerde] dat de prijs van de tegels inmiddels veel lager is geworden bij gebrek aan enige onderbouwing daarvan. De kosten van de- en hermontage van de keuken en opslag (€ 2.800) en de gashaard (€ 7.973) komen niet voor vergoeding in aanmerking. De kosten voor schilderwerk en divers kitwerk (€ 1.750) dienen, naar door partijen niet is bestreden, wel te worden vergoed.

3.7

Het derde geschilpunt betreft de vraag of de door de deskundige opgenomen kosten voor opslag en verplaatsen van de inboedel, tijdelijke huisvesting (recreatiewoning) en extra reis- en telefoonkosten voor vergoeding in aanmerking komen. Met betrekking tot deze kosten overweegt het hof dat [appellant] erkent dat hij destijds tijdens de aanleg van de vloerverwarming en nieuwe vloer in de woning op de bovenverdieping heeft verbleven. Waarom dat thans niet meer mogelijk zou zijn, is door [appellant] niet (concreet) onderbouwd. Het hof wijst daarom de kosten voor tijdelijke huisvesting en extra reis- en telefoonkosten af. Het hof is van oordeel dat de kosten voor opslag en verplaatsen van de inboedel wel voor vergoeding in aanmerking komen. Uit de door [appellant] overgelegde foto’s blijkt dat het gaat om grote meubels, waarvan niet aanstonds duidelijk is dat deze naar boven kunnen worden gebracht en daar, in aanmerking genomen dat [appellant] tijdens de werkzaamheden op de bovenverdieping zal verblijven, kunnen worden opgeslagen. Naar het oordeel van het hof had [geïntimeerde] zijn stelling dat dit eerder wel zou zijn gebeurd nader (concreet) moeten toelichten, hetgeen hij in onvoldoende mate heeft gedaan.

3.8

Het voorgaande voert tot de slotsom dat de grieven I en II slagen, in die zin dat naar het oordeel van het hof de navolgende kosten als schade voor vergoeding in aanmerking komen:

Slopen van de tegelvloer en vloerverwarming € 750,00

Leveren en aanbrengen tegelvloer en plinten. excl. sloop
en vloerverwarming € 9.300,00
Leveren en aanbrengen van de vloerverwarming
Verdeler handhaven € 1.350,00
Schilderwerk en divers kitwerk (beschadiging wanden) € 1.750,00
Opslag en verplaatsen boedel € 875,00
Totaal € 14.025,00 incl. btw

Het hof merkt op dat genoemd bedrag niet veel afwijkt van de oorspronkelijke aanneemsom van € 11.200,00, waaraan ter opheffing van het nadeel nog schilder- en reparatiewerk zijn toegevoegd en een vergoeding wegens bijkomende kosten. Vaststaat voorts dat ter opheffing van het gebrek tenminste de bestaande vloer moet worden opengebroken, de vloerverwarmingsslangen moeten worden vervangen en een nieuwe vloer moet worden gelegd. Het betoog van [geïntimeerde] dat gezien de lage aanneemsom en de aanwezigheid van minder verstrekkende alternatieven (volledige of gedeeltelijke) vergoeding van de kosten op grond van de eerste hersteloptie verre van proportioneel zou zijn, althans in strijd met de redelijkheid of billijkheid of in elk geval tot matiging noopt, stuit hier op af. De stelling dat [appellant] bij een schadeberekening aan de hand van hersteloptie 1 er financieel op vooruit zou gaan, mist feitelijke onderbouwing.

3.9

Voor zover in de grieven (I-II en IV en VI) wordt betoogd dat [appellant] recht heeft op vergoeding van meer of andere herstelkosten (tot in totaal een bedrag van € 25.998,00), falen deze grieven op de reeds hiervoor genoemde gronden. Grief III wordt verworpen bij gebrek aan belang, nu de rechtbank en ook het hof, in lijn met het oordeel van de deskundige, er vanuit gaan dat alle vloerverwarmingsslangen moeten worden vervangen. Dat de rechtbank anders zou hebben geoordeeld, berust kennelijk op een misverstand.

3.10

Met het oog op de devolutieve werking zal het hof hierna ingaan op de overige in eerste aanleg door [geïntimeerde] gevoerde verweren.

3.11

Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] niet voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht, omdat [appellant] de schade bij zijn opstalverzekering had kunnen melden en deze bereid zou zijn geweest om na aanmelding de schade te vergoeden. Met dit betoog miskent [geïntimeerde] echter dat, zelfs indien dit juist zou zijn, de verzekeraar na uitkering aan [appellant] regres kan nemen op [geïntimeerde] , zodat het per saldo geen verschil maakt of [appellant] zich rechtstreeks wendt tot [geïntimeerde] of dat via zijn verzekeraar doet. Van het niet willen voorkomen of beperken van schade is geen sprake.

3.12

[geïntimeerde] heeft daarnaast in eerste aanleg een beroep gedaan op “nieuw voor oud”. Het hof ziet echter evenals de rechtbank geen aanleiding om een correctie toe te passen, ook niet op dit moment, omdat het vanwege de aard van het materiaal (een hardstenen vloer) niet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt in te zien dat thans sprake is van een (relevante) afschrijving van deze vloer. Een cijfermatige onderbouwing ontbreekt overigens eveneens.

3.13

Uit het voorgaande volgt dat de door [geïntimeerde] in eerste aanleg gevoerde weren niet tot een ander oordeel leiden dan hiervoor – op basis van de grieven van [appellant] – reeds is uiteengezet.

3.14

Met de grieven VII-IX klaagt [appellant] over het compenseren van de deskundigenkosten en de proceskosten in eerste aanleg. De grieven slagen. Het hof overweegt dat in eerste aanleg een belangrijk deel van het deel debat is gevoerd over de vraag of [geïntimeerde] jegens [appellant] tekort was geschoten. [appellant] is, mede op grond van het door de deskundige ingestelde onderzoek, in het gelijk gesteld. Daarnaast is een deel van de door hem gevorderde schade aan hem toegewezen. Naar het oordeel van het hof is [appellant] in eerste aanleg overwegend in het gelijk gesteld, zodat [geïntimeerde] moet worden veroordeeld in de proceskosten van [appellant] in eerste aanleg.

4 De slotsom

4.1

De grieven slagen voor zover het de hoogte van het aan [appellant] toegewezen bedrag aan schadevergoeding betreft en ter zake de deskundigenkosten en de proceskosten. Het bestreden vonnis zal voor zover gewezen tussen [appellant] en [geïntimeerde] (hoofdzaak) worden vernietigd, behoudens het bepaalde onder 4.1. Het hof zal opnieuw rechtdoende bepalen dat [geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag tot vergoeding van schade moet voldoen van € 14.025,00, inclusief btw, alsmede de volledige deskundigenkosten, inclusief de kosten van het incident, ten bedrage van € 5.594,50.

4.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van eerste aanleg veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 95,85

- griffierecht € 274,00

- salaris advocaat € 1.130,00 (2,5 punten x tarief € 452)

Totaal € 1.499,85

4.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4.4

Nu beide partijen in hoger beroep voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen [appellant] en [geïntimeerde] gewezen vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 14 oktober 2015 voor zover het de daarbij uitgesproken verklaring voor recht betreft;

vernietigt het tussen [appellant] en [geïntimeerde] gewezen vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 14 oktober 2015 voor het overige en in zoverre opnieuw recht doende:

1. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 14.025,00, inclusief btw;

2. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 5.594,50, inclusief btw, in verband met deskundigenkosten in de hoofdzaak en de kosten in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;

3. veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van eerste aanleg, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 369,85 voor verschotten en op € 1.130 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

4. verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5. bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van het hoger beroep draagt;

6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, B.J. Engberts en J.C. Tijink en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 november 2017.