Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1037

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-02-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
WAHV 200.165.853
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding. Werkzaamheden gemachtigde kunnen niet redelijkerwijs geacht worden in het belang van de betrokkene te zijn verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.165.853

13 februari 2017

CJIB 177424237

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Limburg

van 5 februari 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
kantoorhoudende te [kantoorplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie had moeten vernietigen, nu de gemachtigde niet een termijn is gegeven om de beroepsgronden aan te vullen. Voorts stelt de gemachtigde dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de hoorplicht niet is geschonden en de beslissing van de officier van justitie deugdelijk is gemotiveerd.

2. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat het bezwaar- of beroepschrift ten minste de gronden van het bezwaar of beroep.

3. Het hof stelt vast dat in het beroepschrift tegen de inleidende beschikking wordt ontkend dat de gedraging is verricht en dat de betrokkene ter plaatse is geweest. Verder is gesteld dat de gemachtigde vanaf de datum van de ontvangst nog tenminste vier weken behoeft om de definitieve gronden van het beroep te formuleren. Tevens is verzocht om te horen.

4. De officier van justitie heeft het beroep bij beslissing van 6 maart 2014 ongegrond verklaard. Uit de stukken blijkt niet dat de gemachtigde van de betrokkene daaraan voorafgaand een termijn is gegeven om de beroepsgronden aan te vullen.

5. De kantonrechter heeft overwogen dat een betrokkene aan de hand van de gegevens in de inleidende beschikking voldoende in staat moet worden geacht binnen de beroepstermijn gronden tegen die beslissing te formuleren.

6. Het hof overweegt dat, indien een beroepschrift één of meer gronden bevat en uit het beroepschrift blijkt van de wens tot aanvulling van gronden, de indiener ervan als uitgangspunt daartoe in gelegenheid moet worden gesteld. Deze wens moet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gedaan. Deze uit beginselen van behoorlijke procesvoering voortvloeiende verplichting lijdt uitzondering indien een redelijk belang bij inwilliging ontbreekt (vgl. het arrest van het hof van 22 december 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2016:10365).

7. Nog daargelaten of de mededeling dat de gemachtigde nog vier weken behoeft om de definitieve gronden te formuleren als een uitdrukkelijk verzoek als hiervoor bedoeld moet worden aangemerkt, overweegt het hof het volgende. In het beroepschrift bij de kantonrechter heeft de gemachtigde geen gronden aangevoerd tegen de oplegging van de sanctie. Ook is de gemachtigde niet ter zitting van de kantonrechter verschenen om daartegen een inhoudelijk verweer te voeren. Evenmin heeft de gemachtigde in hoger beroep enige grond aangevoerd tegen de oplegging van de administratieve sanctie. Daarnaast heeft de gemachtigde niet op enigerlei wijze aannemelijk gemaakt dat de betrokkene een redelijk belang heeft bij het alsnog bieden van de gelegenheid tot het aanvullen van gronden tegen het opleggen van de administratieve sanctie. In zoverre is het hoger beroep ongegrond.

8. Ten aanzien van het verweer aangaande de hoorplicht, overweegt het hof als volgt.

9. Ingevolge artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 7, tweede lid, van de WAHV moet de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Hij kan daar alleen van afzien als het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, de betrokkene niet gehoord wil worden of de officier van justitie hem volledig in het gelijk stelt (artikel 7:17 Awb).

10. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn administratief beroepschrift expliciet aan de officier van justitie heeft verzocht om te worden gehoord.

11. Door de officier van justitie is op 6 maart 2014 beslist op het administratief beroep, zonder enige overweging te wijden aan het verzoek om te worden gehoord.

12. Naar het oordeel van het hof doet geen van de voormelde uitzonderingsgronden van artikel 7:17 Awb zich hier voor. De officier van justitie heeft er daarom ten onrechte van afgezien de gemachtigde te horen.

13. Gelet op het voorgaande had de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand mogen laten. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, doende wat de kantonrechter had behoren te doen, de beslissing van de officier van justitie – na gegrondverklaring van het beroep daartegen – vernietigen.

14. Tegen de inleidende beschikking is geen inhoudelijk verweer gevoerd. Het beroep daartegen wordt daarom ongegrond verklaard.

15. Omdat de beslissingen van de kantonrechter en van de officier van justitie worden vernietigd, is vervolgens de vraag aan de orde of termen aanwezig zijn voor toewijzing van het verzoek om de door de betrokkene gemaakte kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden. Het hof kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het hoger beroep, het beroep bij de kantonrechter en het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat de gemachtigde, anders dan de in het administratief beroepschrift gestelde blote ontkenning van de gedraging, in geen enkel stadium van de beroepsprocedures op enigerlei wijze onderbouwd verweer heeft gevoerd tegen de opgelegde sanctie. Daarnaast is hij niet bij de kantonrechter verschenen noch heeft hij in hoger beroep verzocht te worden gehoord, terwijl hij erover klaagt dat de officier van justitie hem ten onrechte niet heeft gehoord. Gelet daarop kan de wijze waarop de gemachtigde heeft geprocedeerd niet redelijkerwijs geacht worden het belang van de betrokkene te dienen. Dit belang was hier immers gelegen in het aanvechten van de opgelegde sanctie. Ook bij een uiterst terughoudende toetsing kunnen de door de gemachtigde verrichte werkzaamheden niet redelijkerwijs geacht worden hierop gericht te zijn geweest. Aldus is niet gebleken van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die de betrokkene redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarom zal het hof het verzoek tot vergoeding van proceskosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.