Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10317

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
11-12-2017
Zaaknummer
WAHV 200.187.100 en 200.196.474
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brieven van de betrokkene kunnen niet worden aangemerkt als beroepschrift tegen de inleidende beschikking, omdat hij daarin niet ondubbelzinnig en zonder voorbehoud kenbaar heeft gemaakt dat hij beroep instelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.187.100 en 200.196.474

24 november 2017

CJIB 179790139 en 179790127

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 2 februari 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de beroepen van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissingen ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissingen van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De beslissingen van de kantonrechter zijn niet ondertekend door de kantonrechter. Volgens vaste jurisprudentie moeten deze beslissingen worden vernietigd. Vervolgens kan het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie worden beoordeeld.

2. De officier van justitie heeft geoordeeld dat de beroepen tegen de inleidende beschikkingen na de termijnen, welke op 24 april 2014 eindigden, derhalve te laat, zijn ingediend.

3. De betrokkene voert aan dat hij op 15 maart 2014 beroep heeft aangetekend in bovengemelde zaken en dat dit bevestigd is door het openbaar ministerie. Hij overlegt hiertoe twee brieven gedateerd 14 maart 2014 en een brief van het openbaar ministerie gedateerd 13 mei 2014.

4. De brieven van 14 maart 2014 van betrokkene bevatten de volgende tekst: "Ik overweeg bezwaar te maken tegen beschikking 3062 5421 7979 0127 / 6062 5421 7979 0139. Alvorens inhoudelijk mijn bezwaar te formuleren verzoek ik u ingevolge de Wet Openbaarheid van Bestuur artikel 6 en artikel 7a mij het dossier toe te sturen. Tevens verzoek ik u om naar aanleiding van dit verzoekschrift een nieuwe termijn voor indiening van mijn bezwaarschrift aan mij kenbaar te maken."

5. Naar het oordeel van het hof kunnen deze brieven, gelet op de gebruikte bewoordingen, niet worden aangemerkt als beroepschriften tegen de inleidende beschikkingen, ook niet als zogenaamde "pro forma beroepen". De betrokkene heeft in bedoelde brieven niet ondubbelzinnig en zonder voorbehoud kenbaar gemaakt dat hij beroep instelt.

6. De officier van justitie heeft dan ook terecht deze brieven niet opgevat als beroepschriften. De ontvangstbevestiging d.d. 13 mei 2014 welke de betrokkene heeft overlegd, betreft niet een ontvangstbevestiging van de beroepschriften maar van zijn verzoek op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur.

7. In het dossier bevindt zich een beroepschrift, gedateerd 29 mei 2014 tegen de boetes met bovengenoemde CJIB nummers. Dit is op 30 september 2014 bij de CVOM ingekomen, zodat dit beroepschrift na het einde van de termijnen is ontvangen. De officier van justitie heeft terecht de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroepen.

8. Voor zover de betrokkene heeft verzocht een nieuwe termijn voor het indienen van zijn beroepschrift te bepalen, moet worden opgemerkt dat de beroepstermijn in de wet is vastgelegd en dat de officier van justitie die niet kan verlengen noch opnieuw kan bepalen.

9. De kantonrechter heeft juiste beslissingen gegeven. Het hof zal deze daarom bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissingen van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.