Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10297

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
200.214.357
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:181
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging partneralimentatie. Geen sprake van samenleven als ware voormalig partner gehuwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.214.357

(zaaknummer rechtbank Gelderland 304561)

beschikking van 23 november 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] (volgens het BRP),
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.A. Stammes te Amsterdam,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.E.A. van Beveren te Arnhem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 10 januari 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hersteld bij beschikking van die rechtbank van 13 juni 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties 1 tot en met 23, ingekomen op 7 april 2017;

  • -

    het verweerschrift tevens houdende vermeerdering verzoek en incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 10;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van Beveren van 20 juni 2017 met een productie (te weten de herstelbeschikking van de rechtbank van 13 juni 2017)

  • -

    een journaalbericht van mr. Stammes van 12 juli 2017 met producties 5 en 24;

  • -

    het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

  • -

    een journaalbericht van mr. Stammes van 21 september 2017 met producties 25 tot en met 64;

  • -

    een journaalbericht van mr. Stammes van 4 oktober 2017 met producties 65 tot en met 77;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van Beveren van 6 oktober 2017 met producties 11 tot en met 14.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft op 17 oktober 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het huwelijk van partijen is op 7 oktober 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 17 september 2014 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

De man en de vrouw zijn de ouders van de meerderjarige [kind 1] en [kind 2] .

3.3.

Bij beschikking van 17 september 2014 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem - overeenkomstig de in het door partijen in het gemeenschappelijke verzoekschrift opgenomen verzoeken van partijen - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te weten 7 oktober 2014 aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud € 4.500,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en ten slotte bepaald dat de inhoud van het aangehechte convenant, gedateerd 23 juli 2014, (hierna: het echtscheidingsconvenant) deel uitmaakt van haar beschikking.

3.4.

In voornoemd, door beide partijen ondertekende, echtscheidingsconvenant is, onder meer, het navolgende opgenomen:

"Ten behoeve van een stuk zekerheid inzake de partneralimentatie zal een lineair dalende overlijdensrisicoverzekering van € 400.000 op het leven van de man worden gesloten ten behoeve van de vrouw.

Daarnaast zal er op het leven van de man een passende ongevallendekking worden gesloten.

De man zal er voor zorgen dat de vrouw de nettokosten van bovengenoemde verzekeringen, met een maximum van € 1.500,- per jaar, kan voldoen.

Hoofdstuk 6: Alimentatie

(…)

Inzake de partneralimentatie hebben partijen besproken dat de man maandelijks € 4.500,- zal voldoen aan de vrouw gedurende een periode van 12 jaar vanaf 1 januari 2014. Dit bedrag is fixed en zal, behoudens de jaarlijkse indexatie, voor het eerst op 1 januari 2015, niet voor wijzigingen vatbaar zijn.

Partijen stellen vast dat de volgende omstandigheden niet tot alimentatiewijziging aanleiding mogen geven en ingeval van wijziging géén invloed op de alimentatiehoogte zullen hebben:

  • -

    Hertrouwen van de man

  • -

    Het door de man aangaan van een geregistreerd partnerschap dan wel tot het gaan samenwonen met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren

  • -

    Een wijziging in de inkomsten van meneer en mevrouw

Indien de vrouw hertrouwd of een geregistreerd partnerschap aangaat, is het in artikel 1:160 BW bepaalde zonder meer van toepassing: de alimentatie eindigt definitief met datum van hertrouwen, respectievelijk het laten registreren van het partnerschap.

In afwijking van het in artikel 1:160 BW bepaalde wordt de alimentatieverplichting van de man opgeschort ingeval de vrouw gaat samenwonen met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

De alimentatieverplichting herleeft indien de samenleving van de vrouw binnen een periode van twaalf maanden eindigt door welke oorzaak ook. Voorwaarde voor dit herleven van de alimentatieverplichting is dat de vrouw voor aanvang van de samenleving de man schriftelijk in kennis stelt van haar voornemen te gaan samenleven, onder mededeling van het tijdstip waarop de samenleving zal aanvangen en van de naam van degene met wie zij zal gaan samenleven. Wordt aan deze mededeling niet voldaan, dan geldt artikel 1:160 BW onverkort, ook in geval van samenleving.

Indien de samenleving na verloop van de termijn van twaalf maanden voortduurt, dan komt de alimentatieverplichting definitief te vervallen.

In het geval in de toekomst sprake zou zijn van meerdere perioden van samenleving, die telkens binnen de overeengekomen periode van twaalf maanden worden verbroken, dan geldt deze regeling voor iedere periode van twaalf maanden (onderbroken) samenleving met verschillende personen. Een tweede of meerdere perioden van samenleving met dezelfde partner wordt voor de duur van de samenleving als één ononderbroken samenleving beschouwd."

3.5.

De man heeft bij zijn inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 1 juli 2016, verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de beschikking van 17 september 2014 te wijzigen voor zover de man daarbij gehouden is tot betaling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw;

  • -

    te verklaren voor recht dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 24 juni 2015 is geëindigd;

  • -

    de vrouw te veroordelen tot terugbetaling aan de man binnen veertien dagen na datum beschikking van de bedragen die de man ter zake van alimentatie over de periode van

  • -

    24 juni 2015 tot en met juni 2016 aan de vrouw heeft voldaan, in totaal € 55.844,40;

  • -

    de vrouw te veroordelen in de werkelijke kosten van deze procedure, zijnde € 6.178,75 plus verdere onvoorziene kosten voortkomend uit deze procedure.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij beschikking van 10 januari 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat aan alle in artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gestelde eisen is voldaan en dat - nu de vrouw niet aan de man heeft gemeld dat zij heeft samengeleefd als ware zij gehuwd - haar aanspraak op partneralimentatie per datum van de aanvang van de samenleving, te weten

24 juni 2015, is geëindigd.

De rechtbank heeft - in zoverre uitvoerbaar bij voorraad – verklaard voor recht dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 24 juni 2015 is geëindigd en de vrouw veroordeeld tot terugbetaling binnen 14 dagen na de datum van de bestreden beschikking van de door de man aan haar over de periode van 24 juni 2015 tot en met juni 2016 betaalde partneralimentatie, in totaal een bedrag van € 55.844,40, de proceskosten aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt, en het meer of anders verzochte afgewezen.

Bij herstelbeschikking van 13 juni 2017 heeft de rechtbank Gelderland voormelde beschikking van 10 januari 2017 verbeterd, voor zover het de weergave van het verloop van de procedure betreft.

4.2.

De vrouw is met dertien grieven (te weten de grieven 1 tot en met 10, tweemaal grief 12 en grief 13) in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 januari 2017. Ter mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw haar eerste grief ingetrokken. De (resterende) grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de man alsnog in zijn verzoeken in eerste aanleg niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoeken af te wijzen en de man te veroordelen om een bedrag van € 55.844,40 aan de vrouw terug te betalen binnen veertien dagen na datum van de ten dezen te geven beschikking, alsook binnen veertien dagen na datum van de te geven beschikking de achterstallige alimentatie te betalen vanaf 1 juli 2016 en de man te veroordelen in de kosten van beide instanties (alsook mogelijke nakosten).

4.3.

De man voert verweer in het principaal hoger beroep en is op zijn beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de proceskosten. De man verzoekt in het principaal hoger beroep de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de vrouw in het principaal hoger beroep af te wijzen, met uitzondering van de proceskosten, en in het incidenteel hoger beroep de vrouw te veroordelen in de werkelijke proceskosten, uitkomend op een bedrag van € 14.847,-. De man heeft voorts zijn verzoek vermeerderd. Hij verzoekt het hof bovendien de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man, tegen behoorlijk bewijs van kwijting en binnen veertien dagen na de te geven beschikking, een bedrag van € 32.261,50 ter zake onverschuldigd betaalde partneralimentatie, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke handelsrente, als nader door hem omschreven, alsmede een bedrag van € 1.909,88 ter zake door hem onverschuldigd betaalde verzekeringspremies voor een (nader beschreven) overlijdensrisicoverzekering en een ongevallenverzekering, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke handelsrente, en voorts te verklaren voor recht dat de man niet langer is gehouden voornoemde verzekeringspremies te voldoen en dat hij niet langer gehouden is zorg te dragen dat de vrouw deze premies kan voldoen en de vrouw te veroordelen tot beëindiging van de polis bij Generali en beëindiging van de polis bij Delta Lloyd.

4.4.

De vrouw voert verweer in het incidenteel hoger beroep. Zij verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vermeerdering van het verzoek van de man op alle punten af te wijzen, alsook de verzoeken van de man in het incidenteel hoger beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

in het principaal hoger beroep

5.1.

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 1:160 BW een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij eindigt, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

5.2.

Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is (geweest) van een samenleving in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en de ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren (HR 13 juli 2001, ECLI: NL:HR:2001:ZC3603 en HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5961). Het uitgangspunt dient te zijn – zo blijkt uit voornoemde beschikkingen – dat artikel 1:160 BW restrictief wordt uitgelegd. De toepassing van deze bepaling heeft immers tot gevolg dat de betrokkene definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de gewezen echtgenoot verliest.

Uit de hiervoor vermelde restrictieve uitleg van artikel 1:160 BW vloeit onder meer voort dat, indien aan sommige voorwaarden voor de toepassing van dit artikel is voldaan, dit geen invloed heeft op de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de andere voorwaarden van deze bepaling (HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:724).

5.3.

Nu de man een beroep heeft gedaan op het rechtsgevolg van zijn stelling dat de vrouw heeft samengeleefd met [nieuwe partner] (verder te noemen: [nieuwe partner] ) als waren zij gehuwd, te weten het rechtsgevolg dat zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw is geëindigd, dient de man die stelling te onderbouwen en aannemelijk te maken en draagt hij, tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, ingevolge het bepaalde in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de bewijslast van de door hem gestelde feiten of rechten.

5.4.

Het hof oordeelt als volgt.

duurzame affectieve relatie

5.5.

Niet in geschil is dat tussen de vrouw en [nieuwe partner] gedurende enige tijd een affectieve relatie heeft bestaan. De vrouw betwist dat deze affectieve relatie duurzaam van aard is geweest.

5.6.

Uit de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling is verhandeld is gebleken dat de vrouw en [nieuwe partner] zo'n elf maanden een affectieve relatie hebben gehad in de periode van februari 2015 tot en met december 2015.

De vrouw heeft onbetwist gesteld dat [nieuwe partner] tot 22 mei 2015 nog was gehuwd met (thans zijn ex-vrouw) [naam partner] . In de periode tot 22 mei 2015 kan naar het oordeel van het hof derhalve geen sprake zijn geweest van samenwonen van de vrouw en [nieuwe partner] als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, nu, zoals uit de wetsgeschiedenis blijkt, de zinsnede aan het slot van de bepaling is toegevoegd om "te voorkomen dat ter wille van rechtsgevolgen aan een concubinaat de voorkeur wordt gegeven boven een tweede huwelijk" (HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:ZC1364). Een dergelijke keuze ontbreekt indien, en voor zo lang als, een van de partners (nog) is gehuwd (HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001: ZC3603).

De relatie van de vrouw en [nieuwe partner] is, zoals onweersproken door de vrouw gesteld, verbroken in de nacht van 12 op 13 december 2015, zodat het bij de beoordeling in voormeld kader thans nog gaat om de periode van 22 mei 2015 tot en met 12 december 2015.

5.7.

Vanaf begin augustus 2015 tot in oktober 2015 heeft [nieuwe partner] met zijn ex-vrouw [naam partner] en haar partner met zijn camper rondgetrokken door Rusland. Volgens een door de man bij zijn verzoekschrift in eerste aanleg overgelegde e-mail van [nieuwe partner] aan de man van 21 mei 2016 zou de vrouw in eerste instantie ook meegaan, maar na protest van de

ex-vrouw van [nieuwe partner] en haar partner, is de vrouw enkel het eerste deel van de reis ("Alles bij elkaar elf dagen") met (alleen) [nieuwe partner] meegegaan. De vrouw en [nieuwe partner] zijn derhalve alleen de eerste elf dagen van de reis samen geweest. Toen de andere reizigers zich bij het gezelschap hadden gevoegd is de vrouw op 19 augustus 2015 vanuit Tallinn te Estland naar Nederland teruggevlogen. Begin oktober 2015 hebben de vrouw en [nieuwe partner] elkaar weer ontmoet in Berlijn. Onweersproken is dat de vrouw tijdens de verdere reis van [nieuwe partner] in haar huurwoning in Nederland heeft verbleven.

5.8.

De vaststelling dat de vrouw en [nieuwe partner] in de ruim twee maanden vóór de reis van [nieuwe partner] naar Rusland (deels) samen zijn geweest, zij daarna in verband met voormelde reis van [nieuwe partner] bijna twee maanden afzonderlijk van elkaar hebben doorgebracht en vervolgens in de twee maanden na de reis tot aan het verbreken van de relatie op 12 december 2015 (deels) samen zijn geweest, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om van een duurzame relatie te bespreken.

5.9.

De omstandigheid dat de vrouw, zoals de man stelt en de vrouw ook erkent, meubels en enige andere spullen in [plaats in Frankrijk] - de voormalige echtelijke woning van [nieuwe partner] en zijn ex-vrouw [naam partner] in Frankrijk - heeft gebracht, kan evenmin tot de conclusie leiden dat sprake was van duurzaamheid met betrekking tot de relatie van de vrouw met [nieuwe partner] , zulks mede in het licht van de (met stukken onderbouwde) verklaring van de vrouw dat zij [plaats in Frankrijk] aan het restylen was in verband met de voorgenomen verkoop van de woning en om (het gastenverblijf van) [plaats in Frankrijk] als Bed & Breakfast op de kaart te zetten. Ook het gegeven dat de vrouw ook persoonlijke spullen, zoals fotolijstjes, in [plaats in Frankrijk] heeft neergezet, acht het hof geen, althans - zonder nadere toelichting door de man, die evenwel ontbreekt - onvoldoende reden om de relatie aan te merken als duurzaam. Het hof verwijst nog naar een als productie 36 in hoger beroep door de vrouw overgelegde weergave van een What's App-gesprek tussen de vrouw en [nieuwe partner] van 14 september 2015, waaruit valt op te maken dat de vrouw voor [nieuwe partner] aan de slag zou gaan in [plaats in Frankrijk] : "….Hoeveel vrije hand krijg ik in restyle gastenverblijf?".

5.10.

Liefdesbetuigingen via (bijvoorbeeld) e-mail of What's app, al dan niet in groten getale, bevestigen evenmin de door de man gestelde duurzaamheid van een relatie tussen de vrouw en [nieuwe partner] . Het uiten van dergelijke betuigingen geeft weliswaar blijk van de affectieve relatie die zij hebben gehad, maar vormen geen ‘bouwsteen’ voor de duurzaamheid van die relatie.

Uit de inhoud van enkele berichten valt daarentegen wel op te maken dat de vrouw en [nieuwe partner] hun relatie niet als duurzaam beschouwden, dat in elk geval de vrouw zo haar twijfels had en ook dat de vrouw en [nieuwe partner] niet samenwoonden.

Zo stuurt de vrouw aan [nieuwe partner] de volgende What's app-berichten:

  • -

    Op 24 augustus 2015: "Ik stel voor om ieder ons eigen ding te doen en elkaar rust te gunnen. Concentreer je op je reis en vrienden want dit sloopt ons allebei".

  • -

    Op 2 september 2015: "We hebben beiden zo fucking veel bagage. Ik vraag mij soms af of dat wel kan werken. Het is zo enorm veel….".

  • -

    Op 11 oktober 2015 stuurt de vrouw aan haar vriendin [vriendin] het bericht: "Tuurlijk vangt [nieuwe partner] , toevoeging hof) mij op maar ik hou van zelfstandigheid het eerste jaar."

Uit het e-mailbericht van [nieuwe partner] aan de man van 3 augustus 2015 blijkt dat ook [nieuwe partner] hun relatie (nog) niet als duurzaam beschouwde en dat zij niet samenwonen: "[…] Zo zal het dus voorkomen dat zij verblijft op plaatsen die mijn eigendom zijn dan wel op plaatsen waar ik bij betrokken ben, […] zal het voorkomen dat ik tegelijkertijd op eenzelfde locatie ben maar vaak ook niet. Daarnaast heeft ze haar eigen leven, net als ik. Hoewel ik [verzoekster] tomeloze inzet zeer waardeer en ik haar ook graag mag, ben ik helemaal niet uit op een vaste relatie, laat staan om een huishouden met iemand te delen.

Hoe de relatie tussen mij en [verzoekster] zich zal ontwikkelen? Ik kan je daar op dit moment geen zinnig antwoord op geven. […] Laat ik je deze toezegging doen; zouden [verzoekster] en ik ooit besluiten te gaan samenwonen dan laat ik je dat tijdig weten, zo mogelijk 3 maanden van te voren."

5.11.

De man stelt in zijn verweerschrift in hoger beroep onder punt 34 nog dat de vrouw en [nieuwe partner] samen vakanties vierden; hij noemt ook de bezoeken van vrienden en familie, beide stellingen om de duurzaamheid van de relatie van de vrouw en [nieuwe partner] aan te tonen. De man heeft echter niet gesteld om welke vakanties het precies zou gaan en over welke periodes die gezamenlijke vakanties zouden zijn gehouden en evenmin om welke bezoeken van vrienden en familie het hier gaat.

5.12.

Het hof is al met al van oordeel dat de man, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, zijn stelling dat de vrouw een duurzame affectieve relatie heeft gehad met [nieuwe partner] , onvoldoende heeft onderbouwd.

samenwonen

5.13.

Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen onder het kopje duurzame affectieve relatie van de vrouw met [nieuwe partner] blijkt voorts niet dat sprake is geweest van samenwoning van de vrouw en [nieuwe partner] . Het hof overweegt hierover nog het volgende.

5.14.

Onweersproken is dat de vrouw niet over een sleutel van [plaats in Frankrijk] beschikte. Dit blijkt ook uit het What's App-berichten van de vrouw en [nieuwe partner] van 19 september 2015, waarin [nieuwe partner] onder meer vraagt: "Ben je er bijna? Sleutel via jm geregeld?". Dit blijkt eveneens uit het bericht van de vrouw aan [nieuwe partner] van 7 december 2015: "[…] Doe haar de groeten als ze weer binnen stapt met sleutels. Ik kan er niet in, sleutels krijg ik niet".

In geval van samenwonen zou het naar het oordeel van het hof voor de hand hebben gelegen dat de vrouw over een set sleutels van de desbetreffende woning zou beschikken.

5.15.

De vrouw heeft in september 2015 een aantal What's App-berichten aan [nieuwe partner] gestuurd. Ook uit deze berichten valt niet op te maken dat sprake was van samenwoning van de vrouw met [nieuwe partner] op [plaats in Frankrijk] , omdat de vrouw hem min of meer toestemming vraagt nog iets langer op [plaats in Frankrijk] te mogen blijven en hem vervolgens bedankt voor het aldaar te mogen verblijven: "[…] Ik blijf nog iets langer op [plaats in Frankrijk] als dat mag […] " en "[…] Was heerlijk op [plaats in Frankrijk] , dank je wel! […]".

Medio oktober 2015/begin november 2015 heeft de vrouw enige berichten aan haar dochter [kind 2] gestuurd: "Hier ook koud, ben paar dagen in Frankrijk…fordje ophalen en kijken of poesjes ok zijn", en "Ik ben gewoon nog thuis in NL tussendoor hoor".

Voorts heeft de vrouw op 26 november 2015 een bericht aan haar vriendin [vriendin 2] : "Ja alles ok. Op zich. Mis jou, mis [kind 2] , mis [kind 1] , mis mn huis…tyd voor NL. Ik wil eigenlijk zondag weg. Afhankelijk vh weer. [vriendin 3] is al 8 dagen hier en vindt het wel prima…ik niet zolangzamerhand."

Ook uit deze berichten valt naar het oordeel van het hof niet op te maken dat de vrouw [plaats in Frankrijk] als haar thuis ziet en dat zij (daar) samenwoont met [nieuwe partner] .

Op 3 december 2015 heeft [nieuwe partner] , in reactie op een bericht van de vrouw aan hem: "Huisje boompje beestje…alles steeds weg…", vanuit Frankrijk het volgende bericht aan de vrouw gestuurd, die op dat moment in Nederland verblijft: "maar wat volgt is ons eigenste eigen nestje" . Diezelfde avond vraagt [nieuwe partner] aan de vrouw: Ben je thuis??".

Ook uit deze berichtenwisseling valt niet op te maken dat de vrouw en [nieuwe partner] samenwoonden.

5.16.

Het hof is, op grond van al het voorgaande, van oordeel dat de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, zijn stelling dat de vrouw met [nieuwe partner] heeft samengewoond evenmin voldoende heeft onderbouwd.

5.17.

Uit het vorenstaande volgt dat de grieven twee en drie slagen, dat de man zijn stelling dat de vrouw heeft samengeleefd als ware zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd en aannemelijk gemaakt, zodat het hof concludeert dat hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.

5.18.

Bij deze stand van zaken behoeven de grieven vier tot en met dertien geen (afzonderlijke) bespreking.

in het incidenteel hoger beroep

5.19.

Grief 1 van de man in het incidenteel hoger beroep richt zich tegen de compensatie van de proceskosten in eerste aanleg. De grief faalt. Het hof verwijst daarvoor naar hetgeen hiervoor is overwogen, met de toevoeging dat een compensatie van de proceskosten - zoals ook de rechtbank die heeft uitgesproken - past bij een geschil dat voortvloeit uit het huwelijk dat tussen partijen heeft bestaan.

het aanvullend verzoek van de man in hoger beroep

5.20.

De man heeft zijn verzoek in hoger beroep vermeerderd, in die zin dat hij terugbetaling vraagt van de onverschuldigd betaalde partneralimentatie, te vermeerderen met rente, dat hij - samengevat - terugbetaling en verklaringen voor recht vraagt met betrekking tot verzekeringen bij Generali en Delta Lloyd, dit alles uitgaande van het falen van het principaal hoger beroep van de vrouw.

Nu het principaal hoger beroep van de vrouw slaagt, behoeft de vermeerdering van het verzoek geen bespreking.

6 De slotsom

6.1.

Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna zal worden vermeld.

6.2.

Het hof ziet in de familierechtelijke aard van de zaak aanleiding om de proceskosten in hoger beroep op na te melden wijze te compenseren.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 10 januari 2017, zoals hersteld bij beschikking van 13 juni 2017,

en opnieuw beschikkende:

wijst de verzoeken van de man in eerste aanleg en hoger beroep (alsnog) af;

veroordeelt de man binnen veertien dagen na de uitspraak van deze beschikking over te gaan tot terugbetaling aan de vrouw van een bedrag van € 55.844,40, alsmede tot betaling aan de vrouw van de vanaf 1 juli 2016 aan haar verschuldigde achterstallige alimentatie;

compenseert de proceskosten tussen partijen van het geding in beide instanties in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, C.J. Laurentius-Kooter en I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door mr. C. Nijhuis als griffier, en is op

23 november 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.