Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10243

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
11-12-2017
Zaaknummer
WAHV 200.179.120
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij bord E1 en/of E4 mag slechts worden geparkeerd in de parkeervakken. De betrokkene heeft buiten de parkeervakken geparkeerd, maar op de locatie waar de betrokkene stond geparkeerd was het parkeerregime veranderd in parkeren slechts voor vergunninghouders. Aldaar gold niet de verplichting om te parkeren binnen de parkeervakken. De betrokkene heeft de gedraging niet

verricht. Gelet op de fase waarin de procedure zich bevindt, bestaat geen aanleiding de feitcode te wijzigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.179.120

22 november 2017

CJIB 184279363

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 23 september 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [Z] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “parkeren buiten parkeervak bij één van de borden E4 tot en met E13 van de bijlage I van het RVV 1990” (feitcode R397J), welke gedraging zou zijn verricht op 13 augustus 2014 om 15.13 uur op de Waag te Lelystad met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

2. De betrokkene stelt in hoger beroep dat hij het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter. Hij vindt het onjuist dat tijdens de zitting de onjuiste feitcode wordt gecorrigeerd. Voorts is de verklaring van de verbalisant, inhoudende dat de betrokkene stond geparkeerd bij het bord E4, onjuist. Ook verklaart de verbalisant dat de betrokkene buiten een parkeervak stond. Dit klopt niet, omdat er geen vakken zijn. Tevens bestrijdt de betrokkene de verklaring van de verbalisant dat er door de verbalisant gedurende 10 minuten geen activiteit is waargenomen. De betrokkene is niet langer dan 5 minuten van zijn auto vandaan geweest. Naar aanleiding van het aanvullend proces-verbaal en de daarbij overgelegde foto's door de verbalisant heeft de betrokkene eerder in de procedure aangevoerd dat het bord wat op de foto's te zien is geen bord E4 is. In het gehele gebied zijn geen parkeervakken gemaakt. De foto's geven een onvolledige weergave van de situatie.

3. De gedraging betreft de overtreding van artikel 24, vierde lid, van het RVV 1990. Dit houdt in: "Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E 4 tot en met E 13 van bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd."

4. Het hof stelt voorop dat uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat de kantonrechter de feitcode niet heeft gewijzigd. Weliswaar is door de zittingsvertegenwoordiger voorgesteld om de feitcode te wijzigen, maar de kantonrechter heeft geoordeeld dat de juiste feitcode is gehanteerd. Gelet hierop treft dit bezwaar geen doel.

5. In WAHV-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

6. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Gedragingsgegevens: Ik zag dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond bij bord E4 buiten een parkeervak.”

7. In het dossier bevindt zich het aanvullend proces-verbaal d.d. 29 januari 2015, waarin de verbalisant op ambtsbelofte verklaart, voor zover van belang:

“Ik zag dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond bij bord E4. Ik zag dat de betrokkene buiten een parkeervak stond. Deze locatie is via twee toegangswegen te bereiken, de betrokkene passeert of bord E1 of bord E4. Hieruit blijkt dat er in een vak geparkeerd moet worden. Op de bijgevoegde foto zal ik d.m.v. (het hof leest: door middel van) een kruis aangeven waar de betrokkene parkeerde.”

8. Door de verbalisant zijn drie foto's bij het aanvullend proces-verbaal overgelegd. Op de eerste door de verbalisant overgelegde foto is een zonebord ''betaald parkeren'' te zien. Op de tweede foto is het kruis te zien waarnaar de verbalisant verwijst in het aanvullend proces-verbaal. Op de derde foto is eveneens een zonebord ''betaald parkeren'' te zien met daaronder een bord E1 (parkeerverbod) en met hieronder RVV-onderbordpictogram OB303 (een personenwagen wegslepende takelwagen). Achter dit bord bevindt zich een klein parkeerterrein met enkele parkeervakken en een betaalautomaat.

9. Op de door de betrokkene overgelegde foto is het bord ''Einde zone betaald

parkeren'' te zien met daaronder een zonebord E9 (Parkeergelegenheid alleen bestemd voor vergunninghouders).

10. Het hof overweegt dat op grond van het aanvullend proces-verbaal en de door de verbalisant overgelegde foto's kan worden vastgesteld dat de betrokkene de op de foto's weergegeven borden is gepasseerd, hetgeen niet door de betrokkene is betwist. Na het passeren van deze borden gold voor de betrokkene derhalve de verplichting om in de op dit parkeerterrein aanwezige parkeervakken te parkeren. Dat op deze locatie parkeervakken aanwezig zijn is evenmin door de betrokkene betwist. De betrokkene heeft onweersproken gesteld, en aan de hand van een foto geadstrueerd, dat even verderop het parkeerregime evenwel verandert, in die zin dat na het passeren van het op die foto getoonde bord niet langer betaald dient te worden geparkeerd, maar dat parkeren vanaf die locatie slechts toegestaan is aan vergunninghouders. Voorts is door de betrokkene consistent aangevoerd dat na dat bord geen parkeervakken aanwezig zijn, hetgeen evenmin is weersproken. Het hof houdt het ervoor, in aanmerking genomen dat op de foto geen parkeervakken te onderscheiden zijn, dat parkeervakken ontbreken. Dit betekent, in aanmerking genomen de tekst van artikel 24, vierde lid van het RVV 1990 dat voor de betrokkene aldaar niet de verplichting bestond om in parkeervakken te parkeren. Gelet hierop is de gedraging, parkeren buiten parkeervak bij één van de borden E4 tot en met E13 van de bijlage I van het RVV 1990, naar het oordeel van het hof niet verricht.

11. Wel is komen vast te staan dat de betrokkene heeft gehandeld in strijd met het parkeerverbod, nu de betrokkene zonder vergunning heeft geparkeerd op een parkeerplaats voor vergunninghouders (bord E9). Het hof ziet, gelet op de fase waarin deze procedure zich bevindt, geen aanleiding de feitcode te wijzigen in feitcode R592 hetgeen inhoudt ''Voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder parkeervergunning''.

12. Het voorgaande brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen en zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen. Het bedrag van de zekerheidstelling zal aan de betrokkene worden gerestitueerd.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 31 oktober 2014, alsmede, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 184279363 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.