Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:10226

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
13/00801 t/m 13/00817
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:859, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Verzwegen Zwitsers vermogen door erflater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2882
V-N 2018/10.19.2
Viditax (FutD), 01-12-2017
FutD 2017-3041
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 13/00801 tot en met 13/00817

uitspraakdatum: 21 november 2017

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de erven [X] te [Z] (hierna: belanghebbenden) en

het incidentele hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 juni 2013, nummers AWB 08/3439 tot en met 08/3445, 10/2449, 10/2452, 10/2454, 10/2456, 10/2458, 10/2460, 10/2462 en 10/2464 tot en met 10/2466, in het geding tussen belanghebbenden en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

In verband met door [X] te [Z] (hierna: erflater) genoten inkomsten zijn aan de erven [X] te [Z] over 1994 tot en met 2003 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en over 1995 tot en met 2000 navorderingsaanslagen vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. Daarbij is telkens een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht. Voor 2004 is een aanslag IB/PVV opgelegd waarbij eveneens een bedrag aan heffingsrente in rekening is gebracht.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraken van 2 juli 2008 en 20 mei 2010 de bezwaren tegen de hiervoor genoemde belastingaanslagen en beschikkingen heffingsrente afgewezen.

1.3.

Belanghebbenden zijn tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft de beroepen bij uitspraak van 4 juni 2013 – kort gezegd – deels ongegrond en deels gegrond verklaard en de belastingaanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2004 en de daarmee samenhangende beschikkingen heffingsrente verminderd.

1.4.

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij is incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben alsmede alle stukken die door partijen nader zijn ingezonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2017 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord mr. [A] namens de Inspecteur, tot bijstand vergezeld van [B] en mr. [C] .

1.7.

Ten tijde van de mondelinge behandeling van het hogerberoepschrift door het Hof kunnen nog als belanghebbenden worden aangemerkt de kinderen van erflater, te weten [D] (hierna: de zoon) en [E] en [F] (hierna: de dochters). Uit de stukken die voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn ingediend kan worden afgeleid dat de kinderen van erflater mogelijk tegengestelde, althans niet gelijke, belangen hebben. [G] , de echtgenote van erflater, was ook erfgename maar zij is in 2015 overleden. De gemachtigde van de dochters heeft het Hof bericht dat hijzelf noch zijn cliënten ter zitting van het Hof zullen verschijnen, en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof. De zoon is in deze procedure in hoger beroep door verschillende gemachtigden vertegenwoordigd geweest. Op een zitting van 8 september 2015 waar niet de onderhavige zaken maar andere door hem ingediende hogerberoepschriften zijn behandeld, is de toenmalige gemachtigde mr. [H] namens de zoon verschenen. Na de zitting heeft mr. [H] het Hof bericht dat hij niet langer als de gemachtigde van de zoon zal optreden. Vervolgens heeft mr. [I] het Hof bericht dat zij, ook in de onderhavige procedure, de nieuwe gemachtigde van de zoon is. Nadien heeft mr. [I] het Hof medegedeeld dat zij de zoon niet langer vertegenwoordigt. Een nieuwe gemachtigde voor de zoon heeft zich niet gesteld. Nu de zoon geen domicilie in Nederland heeft gekozen, heeft het Hof de uitnodiging aan de zoon (als medebelanghebbende) voor de zitting van 26 september 2017 gestuurd naar het laatst bij het Hof bekende, door de zoon vermelde, adres in het buitenland, te weten [a-street] Thailand. De zoon is, zonder kennisgeving daartoe aan het Hof, niet ter zitting verschenen. Tot de gedingstukken behoort een brief van 10 juli 2017 van de griffier van het Hof, waarin de zoon wordt uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de onderhavige zaken op dinsdag 26 september 2017 om 13.30 uur te Arnhem. Die brief is op 10 juli 2017 aangetekend naar genoemd adres in Thailand verzonden. Blijkens – tot de dossiers behorende – informatie van PostNL, is die brief op 18 juli 2017 om 11.59 uur op het genoemde adres aangeboden en is voor ontvangst ervan getekend. Gelet hierop, is de zoon naar het oordeel van het Hof overeenkomstig het voorschrift van artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht uitgenodigd voor de zitting.

1.8.

Van het verhandelde ter zitting is met instemming van partijen één proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Erflater en de zoon waren in de in geding zijnde periode vennoot in de vennootschap onder firma, [J] v.o.f. (hierna: de vof). De vof was gevestigd in [Z] en hield zich bezig met de detailhandel in naaimachines en naaimachinebenodigdheden.

2.2.

Erflater had als roepnaam [X1] en was tot zijn overlijden gehuwd met [G] wier voornaam [G1] was. Haar roepnaam was [G2] . Erflater en zijn echtgenote woonden op het adres [b-straat] 17A te [Z] . De echtgenote woonde ten tijde van haar overlijden ook op dat adres. De voornaam van de zoon is [D1] .

2.3.

De Duitse autoriteiten hebben op 17 mei 2005 op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen gegevens verstrekt aan de FIOD-ECD/Team Internationaal (hierna: FIOD). De Inspecteur heeft deze gegevens van de FIOD ontvangen. Deze gegevens bestaan onder meer uit:

- twee bladzijden met een samenvatting van gegevens waarop – onder meer – voorkomt: ‘ [D] [b-straat] 17A [Z] ’, op 36 regels ‘ [D] ’, op twee regels ‘ [Z] ’, op twee regels ‘ [D1] ’, op drie regels ‘ [D1] ’, op twee regels ‘ [D1] ’, op twee regels ‘ [D1] ’, op drie regels ‘ [X1] .’, op drie regels ‘ [X1] ’, op 15 regels [X1] , op twee regels ‘ [G1] .’, op twee regels ‘ [G1] ’, op twee regels ‘ [G1] ’ en op één regel ‘ [G1] ’. Onder ‘AuslandkontoNr’ is op alle regels ‘ [00000] ’ vermeld. Verder zijn op alle regels onder ‘Betrag’ bedragen ingevuld van minimaal 6.212,50 en maximaal 65.000;

- afschriften van stortingsbewijzen van de Deutsche Bank in Duitsland voor rekeningnummer [00001] bij de Deutsche Bank in Zürich, Zwitserland, waarbij is vermeld dat dit voor één van de klanten van de heer [K] is met de vermelding van rekeningnummer [00000] . Verder is daaraan op sommige stortingsbewijzen toegevoegd ‘ [D] ’, ‘ [X] ’, ‘ [X] , [Z] , [b-straat] ’ of ‘ [D] , [L] , [c-straat] .’;

- een afschrift van een microfiche inzake een swiftbetaling van 11 februari 1992 van de Deutsche Bank (filiaal 311) aan de Deutsche Bank in Zwitserland van 33.000 DEM naar rekening [00000] , waarop de naam [K] staat vermeld;

- afschriften van microfiches van de rekening-courant van filiaal 100 waarbij geld wordt overgemaakt naar de Deutsche Bank in Zwitserland. Hierop is rekeningnummer [00000] of [00000] vermeld en ‘ [K] ’, ‘ [D] , [b-straat] 17A NL- [Z] ’, ‘ [X1] , [b-straat] , NL- [Z] ’ of ‘ [M] ’, ‘ [G] , [b-straat] , NL- [Z] ’, ‘ [D] , [b-straat] ’ of ‘ [G] , [M] -NL’;

- een samenvatting van gegevens (Seite 13) betreffende boekingen van [X] waarbij onder plaats ‘ [Z] ’, ‘ [L] ’ of ‘?’ is vermeld en onder buitenlandse bank ‘DBS’. De data van deze boekingen liggen tussen 18 januari 1993 en 4 november 1996 en de bedragen luiden in DM.

2.4.

Het totale bedrag dat op de renseignementen is vermeld aan stortingen op of ten behoeve van rekening nummer [00000] bij de Deutsche Bank in Zürich Zwitserland, is DM 471.644,13 (ƒ 528.241,43/€ 239.705,51). Voor een bedrag van DM 182.854,50 (ƒ 204.797,04/ € 92.932,85) is op de renseignementen niet de naam Koomen vermeld maar alleen rekeningnummer [00000] .

2.5.

Bij brief van 6 november 2006, gericht aan de erven [X] , [b-straat] 17A te [Z] , heeft de Inspecteur belanghebbenden onder meer het volgende geschreven:

“De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die gerechtigd zijn (geweest) tot buitenlandse vermogensbestanddelen, waarbij het vermoeden bestaat dat in aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting en/of vennootschapsbelasting geen opgaaf is gedaan van deze vermogensbestanddelen en de eventuele opbrengsten daaruit.

Uit dit onderzoek is gebleken dat de heer [X] , overleden [in] 2004 gerechtigd is geweest tot vermogensbestanddelen in het buitenland. De gegevens hiervan kunnen van belang zijn voor zijn belastingheffing over de afgelopen twaalf jaren. Ik verzoek u daarom mij de gegevens en inlichtingen over die jaren te verstrekken welke worden gevraagd op de ingesloten “Opgaaf Buitenlands vermogen.”

Ik wijs u erop dat u op grond van artikel 47 lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat de gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25 lid 6, letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is.”

2.6.

De bijlage bij de vragenbrief van 6 november 2006 bevat het formulier ‘Opgaaf Buitenlands vermogen’, waarin belanghebbenden onder meer wordt gevraagd om – onder vermelding van rekeningnummer(s), naam van de bank en jaar van opening van de rekening(en) – aan te geven tot welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen erflater gerechtigd is geweest. De Inspecteur heeft zijn verzoek om inlichtingen twee maal herhaald. Belanghebbenden hebben – in hun rol van erfgenamen – op het verzoek niet gereageerd.

2.7.

Bij brief van 8 december 2006 heeft de Inspecteur belanghebbenden meegedeeld dat hij voornemens is navorderingsaanslagen IB/PVV 1994 en VB 1995 op te leggen, in verband met het verstrijken van de termijn voor het opleggen van deze belastingaanslagen. Tevens heeft hij aangegeven dat het bedrag van de door erflater niet aangegeven opbrengsten van buitenlandse vermogensbestanddelen in 1994 is geschat op ƒ 140.000 en de waarde van de buitenlandse vermogensbestanddelen per 1 januari 1995 op ƒ 2.140.000. In de bijlage waarnaar in deze brief wordt verwezen en die bij deze brief is gevoegd, zijn berekeningen opgenomen van de waarde van de buitenlandse vermogensbestanddelen en de daaruit genoten opbrengsten. Daarbij is uitgegaan van een waarde op 1 januari 1994 van ƒ 2 miljoen en een rendement in de loop der jaren van respectievelijk zeven, zes en vijf percent, berekend als de gewogen gemiddelden van de rendementen over veel voorkomende obligatieleningen met diverse looptijden.

2.8.

Bij brief van eveneens 8 december 2006 heeft de Inspecteur belanghebbenden meegedeeld dat hij voornemens is een navorderingsaanslag IB/PVV 2001 op te leggen waarbij, in verband met een omzetcorrectie bij de vof van € 100.000 en de gerechtigdheid van erflater tot 55 percent van de winst, het aangegeven bedrag aan winst uit onderneming zal worden verhoogd met € 55.000. Tevens zal er een correctie in box 3 aangebracht worden vanwege het niet aangeven van buitenlandse vermogensbestanddelen. Voor de berekening hiervan wordt verwezen naar de hiervoor bedoelde bijlage.

2.9.

In daarop volgende, in 2007 en 2008 verzonden, brieven heeft de Inspecteur belanghebbenden het opleggen van de overige in geschil zijnde belastingaanslagen meegedeeld, waarbij voor de berekening van de gecorrigeerde bedragen in verband met in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen is verwezen naar de eerder bedoelde – aangevulde – bijlage. Ook voor de jaren 2002 tot en met 2004 zijn door de Inspecteur winstcorrecties aangebracht.

2.10.

De Rechtbank heeft op 4 juni 2013 uitspraak gedaan. Zij heeft belanghebbenden voor de jaren 2001 tot en met 2004 ten dele in het gelijk gesteld en de winstcorrecties vernietigd. Voor het overige heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft belanghebbenden een proceskostenvergoeding toegekend alsmede een vergoeding van het griffierecht. Zij heeft het onderzoek heropend met betrekking tot het verzoek van belanghebbenden om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank heeft het verzoek in haar uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:1412, niet-ontvankelijk verklaard. Die uitspraak staat inmiddels onherroepelijk vast.

2.11.

Belanghebbenden hebben op 15 juli 2013 het onderhavige hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank van 4 juni 2013. De Inspecteur heeft op 14 april 2014 een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van het antwoord op de door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 april 2015, nr. 14/00528, ECLI:NL:HR:2015:913 gestelde prejudiciële vragen over, kort gezegd, de standstillbepaling. Partijen zijn hiervan bij brief van 11 december 2015 in kennis gesteld door het Hof. Op 15 februari 2017 zijn die vragen beantwoord door het Hof van Justitie EU (HvJ EU 15 februari 2017, X, nr. C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119).

2.12.

Naar aanleiding van het verweerschrift in incidenteel hoger beroep heeft de Inspecteur, na intern overleg daarover vanaf juli 2014, op 9 december 2014 een inlichtingenverzoek gezonden naar de autoriteiten in Zwitserland voor – onder anderen – erflater. De daarop gegeven antwoorden van de Zwitserse overheid hebben geen betrekking op erflater. Wel blijkt uit die antwoorden dat wijlen de echtgenote van erflater op een bepaalde – in de antwoorden weggelakte – datum een rekening heeft geopend bij Deutsche Bank Zwitserland. Bij brief van 24 augustus 2015 heeft de Inspecteur de ontvangen stukken aan het Hof overgelegd.

2.13.

Bij brief van 28 juni 2017 zijn door de Inspecteur nadere stukken overgelegd. De stukken zijn door de zoon en door de dochters op cd-rom, afkomstig van de Deutsche Bank Zwitserland, overgelegd in het kader van – onder meer – de behandeling van inkeerverzoeken van de beide dochters. Een en ander is door de Inspecteur toegelicht in zijn brief van 4 juli 2017. Uit de stukken blijkt – onder meer – dat:

- de bankrekening bij de Deutsche Bank Zwitserland met het nummer [00000] op 30 oktober 1989 is geopend op naam van erflater en zijn echtgenote. De rekening is gesloten op 11 augustus 2004. De zoon en één van de dochters zijn op 20 januari 1993 gemachtigd gezamenlijk over de rekening te beschikken. Het saldo op deze rekening bedroeg in 2004 bijna € 2.300.000.

- de bankrekening bij de Deutsche Bank Zwitserland met het nummer [00002] op 20 april 2004 is geopend op naam van erflater, zijn echtgenote en de zoon. De rekening is gesloten op 7 april 2006.

Uit de bijbehorende overgelegde boekingsstukken die dateren vanaf een datum in 2004 heeft de Inspecteur afgeleid dat per rekening sprake is van een effectendepot met rekening courant in euro’s (subnummer 00814) en een rekening courant in dollars (subnummer 00333).

2.14.

De Inspecteur heeft, in het kader van het inkeerverzoek, bij de zusters erop aangedrongen nadere informatie in Zwitserland op te vragen over de rekeningen, met name wat betreft de jaren vóór 2004. Bij brief van 11 september 2017 heeft de Inspecteur het Hof bericht dat de gemachtigde van de zusters opnieuw een cd-rom heeft toegezonden met nieuwe gegevens omtrent de bankrekeningen, dat hij, Inspecteur, daarover op dat moment nog niet kan beschikken en dat het moeilijk zal worden de daaruit blijkende gegevens nog tijdig in het geding te brengen.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de belastingaanslagen en de beschikkingen inzake de heffingsrente terecht aan belanghebbenden zijn opgelegd. Voorts is in geschil of belanghebbenden recht hebben op een vergoeding van immateriële schade.

3.2.

De dochters hebben zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof. De Inspecteur neemt – zakelijk weergegeven – het standpunt in dat uit de stukken van het geding genoegzaam blijkt dat erflater terecht is geïdentificeerd als houder van het vermogen in het buitenland en dat, met name uit de nader ingezonden gegevens en hetgeen hij daarover nog ter zitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat de belastingaanslagen – mede gelet op het incidentele hoger beroep waarin de Inspecteur de beslissing van de Rechtbank de winstcorrecties te vernietigen, bestrijdt – eerder te laag dan te hoog zijn vastgesteld. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar.

3.3.

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft de Inspecteur ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid incidenteel hoger beroep van de Inspecteur

4.1.

Ingevolge artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) zoals dit luidde in 2013 moest de Inspecteur een verweerschrift indienen binnen vier weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan hem had verzonden. Op grond van het tweede lid kon die termijn worden verlengd. Op grond van het toen geldende (tot 1 juli 2013) artikel 27m van de AWR kon de verwerende partij bij haar verweerschrift incidenteel hoger beroep instellen.

4.2.

Bij brief van 2 september 2013 heeft de griffier van het Hof de gronden van – onder meer – het onderhavige hoger beroep aan de Inspecteur verzonden en de Inspecteur daarbij gewezen op de mogelijkheid van het voeren van verweer en het instellen van incidenteel hoger beroep. In reactie daarop heeft de Inspecteur bij brief van 16 september 2013 de griffier verzocht aan te geven op welke wijze hij op de hogerberoepschriften moet reageren aangezien hij twijfelde aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde voor alle erfgenamen. Na het wisselen van enige correspondentie tussen het Hof en partijen heeft de griffier van het Hof, bij brief van 21 februari 2014, de Inspecteur verzocht het verweerschrift uiterlijk 24 maart 2014 in te zenden. Dit heeft de Inspecteur niet gedaan. Bij brief van 31 maart 2014 heeft de griffier van het Hof de Inspecteur een rappel gestuurd en hem in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 14 april 2014 een verweerschrift in te dienen. Die laatste brief zag, blijkens de bewoordingen ervan, louter op het indienen van het verweerschrift. De verlenging van de termijn zag derhalve niet op de mogelijkheid tot het instellen van incidenteel appel. Het verweerschrift met daarin opgenomen het incidentele hoger beroep van de Inspecteur is op 14 april 2014 bij het Hof ingekomen.

4.3.

Het hogerberoepschrift is namens de erven ingediend door mr. [N] die advocaat is. Van een advocaat wordt geen schriftelijke machtiging verlangd. Uit de stukken blijkt dat de zoon door [G] , die als executeur van de boedel van erflater was aangesteld, was gemachtigd de belangen van de boedel te behartigen. De zoon heeft de advocaat als gemachtigde aangezocht. Daarmee was mr. [N] gemachtigd om op te treden namens de erfgenamen. Na de brief van de griffier van 2 september 2013 en de gewisselde correspondentie was duidelijk wat de inhoud was van het hoger beroep en is de Inspecteur bij brief van de griffier van 21 februari 2014 verzocht het verweerschrift in te zenden vóór 24 maart 2014. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het Hof de brief van de Inspecteur van 16 september 2013 worden aangemerkt als een tijdig verzoek om uitstel voor het indienen van een verweerschrift en moet de brief van de griffier van 21 februari 2014 worden gelezen als het verlenen van het uitstel. Na de brief van de griffier van 21 februari 2014 liep de termijn voor het indienen van een verweerschrift, en daarmee voor het instellen van incidenteel hoger beroep, af op 24 maart 2014. De Inspecteur heeft niet (tijdig) opnieuw om uitstel verzocht. De brief van 31 maart 2014 van de griffier van het Hof, waarin de Inspecteur ambtshalve de mogelijkheid is geboden om alsnog – uiterlijk op 14 april 2014 – een verweerschrift in te dienen, zag niet op de mogelijkheid tot het indienen van incidenteel hoger beroep. Die brief rept daarover niet. Evenmin zag het uitstelbeleid van het Hof erop dat in dit soort bijzondere situaties het ambtshalve verlenen van uitstel tot het indienen van een verweerschrift ook betrekking had op het aanwenden van het rechtsmiddel van incidenteel hoger beroep.

4.4.

Op grond van het vorenstaande is het Hof van oordeel dat het incidentele hoger beroep van de Inspecteur niet tijdig is ingediend. De door de Inspecteur gegeven verklaring voor de termijnoverschrijding – te weten dat zij met rugklachten kampt en dat zij mogelijk daardoor niet werkte in die periode – acht het Hof niet voldoende voor de conclusie dat de termijnoverschrijding door de Inspecteur verschoonbaar is. Dit betekent dat het incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Dit laat onverlet dat de door de Inspecteur in het incidentele hoger beroep aangevoerde grieven als verweer in aanmerking kunnen worden genomen (beroep op interne compensatie).

De hoogte van de belastingaanslagen

4.5.

Uit de stukken van het geding in hoger beroep, met name uit de door de Inspecteur overgelegde gegevens omtrent de opening van de bankrekeningen bij de Deutsche Bank Zwitserland te Zürich met de nummers [00000] en [00002] , blijkt dat erflater sedert 1989 mede-eigenaar is geweest van vermogen dat in Zwitserland op één of meer bankrekeningen werd aangehouden.

4.6.

De Inspecteur, die aanvankelijk slechts kon beschikken over een aantal stortingsbewijzen met betrekking tot rekening nummer [00000] , kon en mocht belanghebbenden vragen, op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, daarover informatie te verschaffen. De stortingsbewijzen waren daarvoor voldoende aanleiding. Belanghebbenden – in hun rol van erfgenamen – hebben echter nagelaten informatie aan de Inspecteur te verstrekken. De Inspecteur heeft toen, uitgaande van schattingen omtrent de hoogte van de saldi en de daaruit genoten (met ingang van 1 januari 2001 fictieve) opbrengsten, de onderhavige belastingaanslagen opgelegd. De daartegen gerichte bezwaren zijn door de Inspecteur bij uitspraken afgewezen. Het gevolg daarvan is dat op belanghebbende de last rust te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat en in hoeverre de uitspraken op de bezwaarschriften onjuist zijn. Opgemerkt hierbij zij nog dat, nu de onderwerpelijke belastingaanslagen en uitspraken op bezwaar zijn gedaan vóór 1 juli 2011, daarvoor geen onherroepelijk geworden informatiebeschikking is vereist.

4.7.

De omkering en verzwaring van de bewijslast laat evenwel onverlet dat de Inspecteur gehouden is bij het ambtshalve vaststellen van de belastingaanslagen uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen en vermogen van erflater. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door een inspecteur (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013: BX7184). In dat kader rust op een inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen en het vermogen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. HR 27 januari 2006, nr. 39872, ECLI:NL:HR:2006:AV0401). Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, wanneer hij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013: BX7184).

4.8.

Uit de stortingsbewijzen die in het bezit waren van de Inspecteur blijkt dat in de periode 1992 – 1996 bedragen tot een totaal van bijna € 240.000 zijn gestort op rekeningnummer [00000] . Nu door belanghebbenden geen informatie is verstrekt over het ontstaan en de opbouw van die rekening heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof in redelijkheid mogen uitgaan van een niet door erflater aangegeven, in het buitenland belegd vermogen van ƒ 2.000.000. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat uit de nader door de Inspecteur overgelegde stukken blijkt dat het saldo op de genoemde rekening in 2004 bijna € 2.3 miljoen bedroeg. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur voorts nog aangevoerd dat uit de gegevens op de cd-rom die hij in september 2017 heeft ontvangen, kan worden afgeleid dat het saldo van die rekening in het jaar 1994 ƒ 3,2 miljoen was, in 1996 bijna ƒ 3,6 miljoen en in 1999 en 2000 rond ƒ 4,2 miljoen. Die gegevens waren ten tijde van het vaststellen van de belastingaanslagen weliswaar niet bekend maar zij kunnen licht werpen op de redelijkheid van de schattingen van de Inspecteur. Het Hof acht voorts niet onredelijk dat de Inspecteur bij het vaststellen van de omvang van het vermogen en de bepaling van de inkomsten daaruit, is uitgegaan van een, door belanghebbenden niet weersproken, rendement van respectievelijk zeven, zes en vijf percent.

4.9.

Naar het oordeel van het Hof hebben belanghebbenden, met hetgeen zij hebben aangevoerd, niet doen blijken dat, en in hoeverre, de uitspraken op bezwaar, voor zover het gaat om het in het buitenland belegde vermogen en de inkomsten daaruit, onjuist zijn. Het Hof deelt de conclusie van de Inspecteur dat de belastingaanslagen eerder te laag zijn dan te hoog. In zoverre komt de uitspraak van de Rechtbank voor bevestiging in aanmerking.

4.10.

Hiervoor is door het Hof reeds geoordeeld dat het incidentele hoger beroep van de Inspecteur niet tijdig is ingediend doch dat dit onverlet laat dat de door de Inspecteur in het incidentele hoger beroep aangevoerde grieven als verweer in aanmerking kunnen worden genomen (beroep op interne compensatie). Nu het Hof echter de oordelen van de Rechtbank met betrekking tot het in het buitenland belegde vermogen en de inkomsten daaruit onderschrijft kan aan interne compensatie niet worden toegekomen. Opmerking hierbij verdient nog dat, nu de Inspecteur niet zelf hoger beroep heeft aangetekend tegen de uitspraak van de Rechtbank en het incidentele hoger beroep te laat is ingediend, de Inspecteur door de uitspraak van het Hof niet in een gunstiger positie kan komen te verkeren ten opzichte van de uitspraak van de Rechtbank (zie HR 19 december 2014, nr. 13/06296, ECLI:NL:HR:2014:3610). Ook in zoverre is er derhalve geen aanleiding om de uitspraak van de Rechtbank te vernietigen.

De verlengde navorderingstermijn

4.11.

Zoals hiervoor is overwogen, is in dit geding sprake van een bij een bank in Zwitserland aangehouden rekening. Dit betekent dat de wettelijke – in artikel 16, vierde lid, AWR vervatte – navorderingstermijn van 12 jaar onverkort van toepassing is, aangezien de in artikel 64, lid 1, VWEU opgenomen zogenoemde standstillbepaling van toepassing is (zie HvJ EU 15 februari 2017, X, nr. C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119 en HR 2 juni 2017, nr. 14/00970. ECLI:NL:HR:2017:961).

Slotsom belastingaanslagen

4.12.

De onderhavige belastingaanslagen – zoals verminderd door de Rechtbank en waarvan de berekeningen als zodanig niet zijn bestreden door belanghebbenden – zijn terecht aan belanghebbende opgelegd.

Heffingsrente

4.13.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbenden hebben geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Ook overigens is het Hof niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast.

Vergoeding van immateriële schade

4.14.

De Rechtbank heeft het door belanghebbenden gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn behandeld in een afzonderlijke – afgesplitste – procedure (artikel 8:73, tweede lid, Awb). Die procedure is geen onderdeel van het onderhavige hoger beroep. Dit betekent dat in de onderhavige procedure in hoger beroep slechts het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep kan worden behandeld.

4.15.

Het hoger beroep is ingediend op 15 juli 2013. De uitspraak in hoger beroep wordt gedaan op 21 november 2017. Dat is – in beginsel – een overschrijding van de voor de appelfase geldende tweejaarstermijn met twee jaar en ruim vier maanden.

4.16.

De termijn die gemoeid is geweest met het afwachten van de beslissing in de prejudiciële procedure wordt echter buiten beschouwing gelaten. Het gaat hierbij om de periode van 11 december 2015 (schriftelijke in kennis stelling van partijen van de aanhoudingsbeslissing) tot 15 februari 2017 (datum openbaarmaking arrest van het Hof van Justitie EU), derhalve 14 maanden (zie HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.7.2). Opmerking hierbij verdient nog dat de aanhouding van de behandeling van de zaak, gelet op de stand van de jurisprudentie, redelijk was en dat beide partijen daarmee in wezen hebben ingestemd.

4.17.

Naar het oordeel van het Hof bestaan te dezen daarenboven nog bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor verlenging van de tweejaarstermijn. De onderhavige zaken zijn naar het oordeel van het Hof ingewikkeld vanwege de omvang van het verrichte onderzoek en de verknochtheid van de zaken met de procedures die zijn gevoerd door de zoon, zijn partner en door wijlen de echtgenote van erflater. Daar komen bij de vertragingen die zijn ontstaan door de onduidelijkheden over en het wisselen van procesvertegenwoordigers door de verschillende erfgenamen en de proceshouding van de belanghebbenden die aanvankelijk in het teken stond van ontkenning van enige betrokkenheid bij buitenlands vermogen en nadien van het slechts schoorvoetend verstrekken van informatie die noopte tot het wijzigen van standpunten en het voortdurend aanvullen van de stukken door de Inspecteur.

4.18.

Dit alles in ogenschouw nemend kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat in dezen de redelijke termijn is overschreden. Belanghebbenden komen niet in aanmerking voor een vergoeding van immateriële schade voor de fase van het hoger beroep.

Slotsom

4.19.

Uit het voorgaande volgt dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het incidentele hoger beroep van de Inspecteur niet-ontvankelijk, en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 21 november 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst)

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 22 november 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.